ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0123

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
14 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00085
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kalsbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a WAHVArt. 575 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-stellen van zekerheid bij bestuurlijke boete

Betrokkene had verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd door de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk. Betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Leeuwarden.

Het hof stelde vast dat op grond van artikel 26a WAHV betrokkene alleen ontvankelijk is in hoger beroep indien vooraf zekerheid wordt gesteld voor het verschuldigde bedrag, de kosten en het griffierecht. Betrokkene had niet binnen de gestelde termijn deze zekerheid gesteld. Daarnaast was de mededeling van het kantongerecht aan betrokkene onjuist over het bedrag en de procedure, wat echter geen aanleiding gaf tot het verlenen van een nieuwe termijn.

Betrokkene gaf in een fax aan dat hij het griffierecht niet wilde betalen en reageerde niet op het verzoek van het hof om opheldering. Het hof concludeerde dat betrokkene bewust niet voldeed aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet stellen van zekerheid en niet betalen van griffierecht.

Uitspraak

WAHV 00/00085
14 maart 2001
CJIB 8598328
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter te Brielle
van 25 januari 2000
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 17 februari 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op voormelde reactie op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 18 januari 2001 heeft het hof de betrokkene een vraag gesteld. Van de zijde van betrokkene is hierop geen reactie ontvangen.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstel-ling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.
Bij brief van 24 februari 2000 heeft de griffier van het kantongerecht te Brielle de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit een handgeschreven mededeling – gedateerd 30 maart 2000 - op een brief van de griffier van het kantongerecht aan het CJIB blijkt evenwel dat binnen die termijn geen volledige zekerheid is gesteld.
3.2. De brief van de griffier van het kantongerecht van 24 februari 2000 vermeldt echter een onjuist bedrag ter hoogte waarvan zekerheid dient te worden gesteld, terwijl daarin tevens ten onrechte wordt uitgegaan van een behandeling van het beroep door de Hoge Raad. Tenslotte wordt daarin ten onrechte art. 575 Wetboek Pro van Strafvordering genoemd als artikel waarop de verplichting tot zekerheidstelling rust.
3.3. Gelet op de inhoud van een van betrokkene ontvangen faxbericht, gedateerd 6 juli 2000, waarin de betrokkene heeft medegedeeld: " zoals ik in de brief kan lezen is, dat ik F 170,- aan griffierecht had moeten betalen anders zou ik niet geholpen worden of de zaak nietig-ontvankelijk verklaren" en gelet op de omstandigheid dat de betrokkene niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gereageerd op een brief van het hof, d.d. 18 januari 2001 - waarin het hof de betrokkene heeft gevraagd of het hof uit de door betrokkene gezonden brieven terecht opmaakt dat betrokkene geen griffierecht wil betalen, geen zekerheid wil stellen en de kosten niet wil betalen -, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene heeft begrepen dat hij – wil het hof het beroep ten gronde kunnen behandelen - zekerheid dient te stellen ter hoogte van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts dat hij niet van plan is te voldoen aan de voor ontvankelijkheid van het beroep bij het hof in art. 26a, tweede lid, WAHV gestelde voorwaarde.
3.4. Nu betrokkene blijkens het vorenoverwogene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge artikel 26a, tweede lid, WAHV aan de betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling niet juist is, vergt die enkele omstandigheid niet dat betrokkene een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.
3.5. Gelet op het vorenoverwogene dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 maart 2001.