ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0113

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 RVV1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie wegens overschrijding maximumsnelheid ondanks verblinding door tegenligger

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 20 en tot en met 25 km/h op de Rijksweg N-31 op 19 september 1999. Hij stelde zich op het standpunt dat hij door het groot licht van een tegenligger werd verblind, waardoor hij het verkeersbord niet kon waarnemen en de sanctie niet billijk was.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. Tegen deze beslissing stelde de betrokkene hoger beroep in bij het gerechtshof Leeuwarden. Het hof oordeelde dat niet aannemelijk was dat de betrokkene zo plotseling werd verblind dat hij niet kon signaleren dat de tegenligger groot licht voerde en dat hij zijn snelheid niet kon matigen om het verkeersbord te zien.

Het hof concludeerde dat de omstandigheden geen reden geven om de sanctie te matigen of ongedaan te maken en bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter. De uitspraak werd gedaan op 26 februari 2001.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de administratieve sanctie van 180 gulden wegens snelheidsovertreding.

Uitspraak

WAHV 00/00268
26 februari 2001
CJIB 29486907
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Sneek
van 26 juli 2000
betreffende
naam (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te (woonplaats).
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 12 februari 2001. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J.J. Beswerda.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1); > 20 en t/m 25 km/h“, welke gedraging zou zijn verricht op 19 september 1999 op de Rijksweg N-31 (Zurich-Harlingen) in de gemeente Wûnseradiel.
3.2. De betrokkene erkent de gedraging te hebben verricht, doch stelt zich op het standpunt dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken. De betrokken voert -kort samengevat- aan, dat hij door een tegenligger, die groot licht voerde, werd verblind en dat hij daarom zijn rechterarm voor zijn ogen heeft gedaan, waardoor hij het bord “maximumsnelheid 70 km/h” niet heeft gezien.
3.3. Het hof is van oordeel, dat niet aannemelijk is, dat de betrokkene zo plotseling werd verblind door een tegenligger dat hij niet in de gelegenheid is geweest om de tegenligger met signalen duidelijk te maken dat deze groot licht voerde en deze verlichting overeenkomstig het bepaalde in art. 32 RVV1990 door dimlicht diende te vervangen dan wel in plaats daarvan of tegelijkertijd zijn snelheid zodanig te matigen dat hij het onderhavige verkeersbord kon waarnemen.
Gelet hierop is het hof van oordeel, dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden geen reden opleveren de opgelegde sanctie te matigen dan wel de oplegging daarvan geheel ongedaan te maken.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 februari 2001.