ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0016

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juni 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00/00041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens onjuiste zekerheidstellingsmededeling WAHV

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een bestuursrechtelijke sanctie niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. Volgens art. 11 WAHV Pro moet zekerheid worden gesteld bij het CJIB binnen een gestelde termijn, na een duidelijke mededeling van de officier van justitie.

De officier van justitie had betrokkene twee brieven gestuurd, maar deze brieven bevatten geen datum waarop de termijn voor zekerheidstelling aanving. Hierdoor voldeed de mededeling niet aan de wettelijke eisen. De kantonrechter had ten onrechte geoordeeld dat aan de wettelijke voorschriften was voldaan en verklaarde het beroep onterecht niet-ontvankelijk.

Het gerechtshof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug voor nieuwe behandeling. De kantonrechter moet nu een nieuwe termijn bepalen voor zekerheidstelling en betrokkene hiervan correct in kennis stellen, conform de wettelijke vereisten.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling met correcte zekerheidstellingsmededeling.

Uitspraak

WAHV 00/00041
7 juni 2000
CJIB 26625588
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Zevenbergen
van 18 februari 2000
betreffende
[betrokkene], (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling van de bestreden beslissing
3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.
Het derde lid van art. 11 WAHV Pro houdt in dat:
- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;
- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;
- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV Pro) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-
ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.
3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 9 december 1999 en een brief van 10 januari 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat in beide brieven geen datum is vermeld waarop de termijn aanvangt, waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld (vergelijk Hoge Raad 28 september 1999, griffienummer 14-99-V). Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3.4. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.2 overwogene.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Zevenbergen ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juni 2000.