ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8841

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
5 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01/00223
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:7 AwbArt. 4, tweede lid, WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen administratieve sanctie wegens door rood rijden

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van 180 gulden opgelegd voor het niet stoppen voor rood licht op 19 augustus 1999 in Rotterdam. Tegen deze beschikking werd beroep ingesteld, maar het beroepschrift werd niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid. De betrokkene voerde aan dat de beschikking naar een postadres was gestuurd en niet naar zijn huisadres, waardoor hij mogelijk niet tijdig kennis had kunnen nemen.

Het hof oordeelde dat de beschikking volgens de wet naar het adres in het kentekenregister moest worden gestuurd, wat ook was gebeurd. De enkele omstandigheid dat dit niet het huisadres was, leidt niet tot het oordeel dat de betrokkene niet in verzuim was. Daarom werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens niet tijdig indienen van het beroepschrift.

Uitspraak

WAHV 01/00223
5 december 2001
CJIB 29633182
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Rotterdam
van 23 maart 2001
betreffende
[betrokkene]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking als kentekenhouder een administratieve sanctie van fl 180,-- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht ", welke gedraging zou zijn verricht op 19 augustus 1999 op de Blaak in de gemeente Rotterdam.
3.2. Bij brief van 30 januari 2000, bij het arrondissementsparket te Haarlem ingekomen op 2 februari 2000, heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking.
3.3. Ingevolge het in art. 6, eerste lid, WAHV en de art. 6:7 en Pro 6:8 Awb bepaalde dient het beroep bij de officier van justitie tegen de oplegging van de administratieve sanctie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken. Anders dan de betrokkene wil, vangt die termijn niet aan op de dag van ontvangst, doch welke op de dag na die waarop de inleidende beschikking aan de betrokkene is toegezonden.
3.4. Het beroepschrift is gedateerd 30 januari 2000 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 2 februari 2000 bij het arrondissementsparket ingekomen. Aangezien de inleidende beschikking blijkens de inleidende beschikking op 4 november 1999 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.
3.5. Ingevolge art. 6:11 Awb Pro blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.6. De betrokkene heeft als reden voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie aangevoerd, dat de inleidende beschikking is gezonden naar zijn postadres en niet naar zijn huisadres, terwijl het wel aan zijn huisadres gericht had moeten zijn en dat niet na te gaan is of en wanneer hij de inleidende beschikking heeft ontvangen.
3.7. De betrokkene is op kenteken bekeurd. De inleidende beschikking wordt in dat geval overeenkomstig het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV gezonden naar het adres, dat is vermeld in het kentekenregister. Dienovereenkomstig is de inleidende beschikking naar het in het kentekenregister vermelde adres, te weten [adres] gezonden. Daarom brengt de enkele omstandigheid dat de inleidende beschikking niet naar het huisadres van de betrokkene is gezonden niet mee, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest.
3.8. De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het voorgaande, te worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting.