ECLI:NL:GHLEE:2001:AB1971

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
30 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/00669
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J. Huiskes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 AWRArt. 29 lid 2 AWRArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1998 wegens niet-ingediende aangifte

Belanghebbende is voor het jaar 1998 ambtshalve aangeslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op een belastbaar inkomen van f 31.928,--. Deze aanslag is opgelegd nadat belanghebbende de haar gegeven termijnen voor het indienen van de aangifte niet heeft benut.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag, maar dit bezwaar is door de inspecteur afgewezen. Vervolgens heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het gerechtshof Leeuwarden. Tijdens de mondelinge behandeling was de inspecteur aanwezig, maar belanghebbende verscheen niet.

Het geschil betreft de vraag of het belastbare inkomen juist is vastgesteld, waarbij belanghebbende stelt dat de inkomsten uit onderneming ten onrechte in de aanslag zijn betrokken. Het hof overweegt dat op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen iedere belastingplichtige verplicht is aangifte te doen. Omdat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, rust op haar de bewijslast om aan te tonen dat de aanslag onjuist is.

Belanghebbende heeft deze bewijslast niet voldoende vervuld. Daarom verklaart het hof het beroep ongegrond en wijst het beroep af. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
nr. 00/00669 30 mei 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te
Z tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen te Emmen (nader: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Belanghebbende is voor het jaar 1998 aangeslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna: de Wet) van f 31.928,--.
Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 17 augustus 2000, het bezwaar afgewezen.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 30 augustus 2000 is ingekomen.
Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden is de mondelinge behandeling gehouden te Assen ter zitting van 18 april 2001, alwaar is verschenen de inspecteur. Belanghebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken is het volgende komen vast te staan:
2.1. Bij aanslag onder nummer 0000.00.000.H.86 d.d. 10 juni 2000 is belanghebbende voor het jaar 1998 ambtshalve aangeslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van f 31.928,--. Dit inkomen is als volgt berekend:
Uitkering ABW f 14.973,--
Inkomsten uit onderneming f 17.988,--
f 32.961,--
Vaste aftrek f 1.033,--
Belastbaar inkomen f 31.928,--
============
2.2. Uit een van de inspecteur afkomstige, aan belanghebbende geadresseerde brief d.d. 21 november 1999 blijkt, dat de inspecteur belanghebbende een inlevertermijn tot 6 december 1999 heeft gegeven voor het aan haar uitgereikte aangiftebiljet 1998, nadat belanghebbende een haar eerder gegeven termijn ongebruikt had laten verstrijken.
2.3. Nadat belanghebbende de haar gegeven termijn wederom ongebruikt heeft laten verstrijken heeft de inspecteur belanghebbende de onder sub 2.1 genoemde aanslag ambtshalve opgelegd.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
In geschil is het antwoord op de vraag of het belastbare inkomen op een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de inspecteur ten onrechte inkomsten uit onderneming in de aanslag heeft betrokken. De inspecteur bestrijdt dit standpunt.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
4.1. Ingevolge artikel 8, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) is een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen.
4.2. Ingevolge artikel 29, lid 2, AWR wijst de rechter het beroep af, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is.
4.3. Nu belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en stelt dat de aan haar opgelegde aanslag onjuist is, rust op haar de bewijslast die onjuistheid aan te tonen.
4.4. Belanghebbende heeft haar stelling niet, althans niet voldoende, met bewijsstukken of anderszins onderbouwd. Aldus heeft zij het van haar gevraagde bewijs niet geleverd.
4.5. Het beroep is derhalve ongegrond.
5. De proceskosten.
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing.
Het hof:
verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan door mr J. Huiskes, raadsheer als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2001 te Leeuwarden.
Op 6 juni 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.