ECLI:NL:GHLEE:2001:AA9641

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
19 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
266/00
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • prof. Aardema
  • mr. Drion
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een beslissing van de NUON inzake opgelegde verhogingen. De griffier van het hof heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht het verschuldigde griffierecht te betalen. Ondanks deze verzoeken bleef betaling uit. De voorzitter van de belastingkamer verklaarde daarop het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, tweede lid, Awb.

Belanghebbende kwam hiertegen in verzet, stellende dat sprake was van een foutieve rolinschrijving door de griffier. Het hof heeft belanghebbende niet gehoord omdat hij hier geen verzoek toe had gedaan. Gezien de mededeling van belanghebbende dat hij het griffierecht niet zou betalen, oordeelde het hof dat het verzet ongegrond was.

De door belanghebbende aangevoerde wetsartikelen behoefden geen verdere bespreking. Het hof bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet voldoen van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 266/00 19 januari 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het verzet, gedaan door X te Z, tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer van 13 oktober 2000, inzake het beroep tegen een beslissing terzake van de verhogingen, opgelegd door de NUON.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (:Awb) is het bij het hof ingesteld beroep niet-ontvankelijk, indien het verschuldigde griffierecht niet is gestort binnen vier weken, nadat de griffier van het hof degene, die het beroep heeft ingesteld, schriftelijk op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen.
Vaststaat, dat de griffier belanghebbende bij schrijven van 22 juni 2000 en bij aangetekend schrijven van 24 juli 2000 en daarna bij schrijven van 30 augustus 2000 heeft verzocht het verschuldigde griffie recht te betalen.
Aan deze verzoeken is geen gevolg gegeven.
Omdat de betaling van het griffierecht is uitgebleven heeft de voorzitter bij voormelde beschikking het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beschikking is belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij een verzetschrift, dat is ingediend op 20 oktober 2000.
Belanghebbende heeft niet verzocht om het verzet te worden gehoord, terwijl het hof geen aanleiding heeft gevonden hem uit eigen beweging te horen.
Belanghebbende stelt in zijn verzetschrift dat het onderhavige geval een foutieve rolinschrijving betreft van de griffier.
Het hof is van oordeel dat, nu belanghebbende bij schrijven van 8 september 2000, het hof heeft medegedeeld dat hij het griffierecht niet zal betalen, het verzet ongegrond moet worden verklaard.
De door belanghebbende in zijn verzetschrift genoemde wetsartikelen behoeven derhalve geen betoog meer.
Op grond van het vorenoverwogene dient te worden beslist als volgt:
Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet ongegrond.
Gedaan op 19 januari 2001 door prof. mr. Aardema, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in de tegenwoordigheid van de griffier Lorist en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.
Op 24 januari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden