ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0071

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
22 november 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens te late indiening beroepschrift bestuursrechtelijke zaak

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaarde. Het beroepschrift was echter niet tijdig ingediend, aangezien de bestreden beslissing op 6 maart 2000 aan betrokkene was toegezonden en het beroepschrift pas op 24 juli 2000 bij de griffie binnenkwam, terwijl de termijn zes weken bedroeg.

Betrokkene voerde aan dat in een vergelijkbare zaak op 18 juli 2000 het beroep gegrond was verklaard, waardoor hij pas na afloop van de termijn beroep had ingesteld. Dit werd door het hof niet als een gegronde reden gezien om het verzuim te verontschuldigen.

Het hof oordeelde dat redelijkerwijs kon worden geoordeeld dat betrokkene in verzuim was geweest en verklaarde hem daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Het arrest werd gewezen door mr Vellinga en uitgesproken op 22 november 2000.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

WAHV 00/00258
22 november 2000
CJIB 24721843
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Lelystad
van 2 maart 2000
betreffende
[betrokkene], (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
3.2. Het beroepschrift is gedateerd 21 juli 2000 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 24 juli 2000 ter griffie van het kantongerecht ingekomen. Aangezien de bestreden beslissing blijkens een daarop gestelde aantekening op 6 maart 2000 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift derhalve niet tijdig ingediend.
3.3. Ingevolge art. 6:11 Awb Pro blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.4. De betrokkene heeft aangevoerd, dat de kantonrechter op 18 juli 2000 in een vergelijkbare zaak het beroep gegrond heeft verklaard en dat daarom eerst na afloop ven de termijn van zes weken beroep is ingesteld.
3.5. De door de betrokkene aangevoerde omstandigheid brengt echter niet mee, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest, zodat de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 november 2000.