ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0012

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juni 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00028
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Vellinga
  • Kalsbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11, derde lid, WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid WAHV

Betrokkene was in beroep gegaan tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een administratieve sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat betrokkene niet binnen de wettelijke termijn zekerheid had gesteld voor betaling van de sanctie.

Betrokkene gaf aan niet in staat te zijn de zekerheid te betalen vanwege een bijstandsuitkering en een gezin van vier personen. Hij werd per brief gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling en kreeg een tweede kans, maar reageerde niet. De kantonrechter vond geen aanleiding om af te wijken van niet-ontvankelijkheid omdat betrokkene geen feiten of omstandigheden had gesteld die dit rechtvaardigden.

Het hof bevestigde deze beslissing. Het oordeelde dat betrokkene, ook als niet-professionele procespartij, redelijkerwijs had moeten reageren op de brieven. Zonder reactie en zonder aannemelijk maken van bijzondere omstandigheden blijft de niet-ontvankelijkheid terecht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor de administratieve sanctie.

Uitspraak

WAHV 00/00028
7 juni 2000
CJIB 25486928
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te 's-Gravenhage
van 21 februari 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling van de bestreden beslissing
3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.
3.2. Betrokkene heeft in zijn beroepschrift - onder meer - aangegeven niet in staat te zijn om de zekerheid te betalen, omdat hij leeft van een bijstandsuitkering met een gezin van vier personen.
3.3. Bij brief van 31 augustus 1999 is betrokkene gewezen op de verplichting vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter een zekerheidstelling te betalen ter hoogte van de op de beschikking vermelde sanctie. Bij brief van 28 september 1999 is hij in de gelegenheid gesteld om alsnog aan die verplichting te voldoen. Op geen van beide brieven is door betrokkene gereageerd.
3.4. De kantonrechter heeft vastgesteld, dat door betrokkene geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld, dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.
3.5. In beginsel is de uitspraak in eerste aanleg het onderwerp van het hoger beroep. Indien betrokkene in reactie op (een van) de hem toegezonden brieven met redenen omkleed zou hebben aangegeven, dat van hem in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat hij zekerheid zou stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, had de kantonrechter, tenzij hij het aangevoerde reeds aanstonds onaannemelijk zou hebben geacht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Nu de betrokkene niet in antwoord op de hem gezonden brieven te kennen heeft gegeven onvoldoende draagkracht te hebben heeft de kantonrechter er terecht van afgezien betrokkene op te roepen en derhalve op juiste gronden beslist.
3.6. Weliswaar dient het hoger beroep er (tevens) toe om partijen in de gelegenheid te stellen hun eigen verzuimen te herstellen, maar wanneer zonder meer niet is voldaan aan de (financiële) voorwaarde waaronder de zaak aan de rechter in eerste aanleg kan worden voorgelegd is het - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden - in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in appel voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brief (of - in geval van verzuim - brieven) wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan.
3.7. Nu in het onderhavige geval niet is aangevoerd of aannemelijk is geworden, dat betrokkene de brieven van 31 augustus 1999 en 28 september 1999 niet heeft ontvangen, noch is uiteengezet waarom - in geval het inderdaad zo geweest zou zijn, dat ten tijde van de toezending van de brieven de betrokkene in de onmogelijkheid verkeerde het totale van hem gevraagde bedrag aan zekerheidstelling te voldoen - op deze brieven door hem niet is gereageerd zal het hof het verweer, dat betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen passeren en de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Dijkstra, als voorzitter, Vellinga en Kalsbeek, in tegenwoordigheid van Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juni 2000.