ECLI:NL:GHDHA:2026:98

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
200.293.709/05
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over schadevergoeding wegens niet-nakoming vaststellingsovereenkomst transportopdrachten

In deze civiele zaak in hoger beroep staat de aansprakelijkheid van Kuehne + Nagel Logistics B.V. (K+N) jegens Door to Door Couriers B.V. (DtD) centraal wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een vaststellingsovereenkomst (vso). Het hof bevestigt dat K+N niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de vso, waaronder het niet behalen van een omzetgarantie en streefomzet, en dat zij daardoor schadeplichtig is.

De omvang van de schade is onderwerp van geschil, waarbij beide partijen eigen deskundigen hebben ingeschakeld met uiteenlopende schadebegrotingen. Het hof acht een deskundigenbericht noodzakelijk en benoemt een onafhankelijke deskundige om de omzet, brutowinst en marge van DtD over de relevante periode te onderzoeken. Tevens wordt vastgesteld dat de jaarcijfers van DtD niet zonder meer als objectief kunnen worden aangenomen vanwege het ontbreken van accountantscontrole.

Het hof wijst het beroep van K+N op voordeelstoerekening af, omdat de omzet die DtD bij derden behaalde door vrijgekomen capaciteit niet in mindering mag worden gebracht op de schadevergoeding. Ook oordeelt het hof dat de niet behaalde streefomzet geen schade oplevert nu de transportovereenkomst is verlengd en DtD opdrachten blijft ontvangen. De holdingstructuur van DtD wordt betrokken bij de schadeberekening. De procedure wordt aangehouden voor nadere aktewisseling en beantwoording van de deskundigenvraagstukken.

Uitkomst: Het hof bevestigt de aansprakelijkheid van K+N, wijst voordeelstoerekening af en benoemt een deskundige voor nadere schadevaststelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.293.709/05
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/597150 / HA ZA 20-508
Arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
Door to Door Couriers B.V., m.h.o.d.n. Door to Door Cargo Care,
gevestigd in Nieuwkoop,
appellante,
advocaat: mr. F.G. Horsting, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Kuehne + Nagel Logistics B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna DtD en K+N.

1.De zaak in het kort

Bij tussenarrest van 19 december 2023 heeft het hof geoordeeld dat K+N aansprakelijk is voor de door DtD geleden schade wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Het hof heeft partijen de gelegenheid gegeven om zich bij akte uit te laten over de hoogte van de schade. In dit tussenarrest komt het hof tot het oordeel dat de schade op basis van alleen de aktewisseling en de daarop gevolgde mondelinge behandeling niet kan worden begroot. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van een deskundige. Met dit tussenarrest wordt partijen ook de gelegenheid geboden om zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen. Verder oordeelt het hof in dit tussenarrest onder meer dat bij de begroting van de schade geen rekening hoeft te worden gehouden met de omzet die DtD heeft behaald doordat zij wegens de vrijgevallen capaciteit opdrachten bij derden heeft kunnen uitvoeren (voordeelstoerekening).

2.Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Voor het verloop van de procedure tot 19 december 2023 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum en de daarin genoemde stukken. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest blijkt uit de volgende stukken:
  • akte uitlaten schadebegroting tevens houdende akte wijziging van eis van 30 juli 2024 aan de zijde van DtD met producties 96 tot en met 98;
  • antwoordakte van 29 april 2025 met producties 31 tot en met 38 aan de zijde van K+N;
  • de brief aan de zijde van DtD van 10 november 2025 met overlegging van productie 101;
  • de e-mail aan de zijde van K+N van 11 november 2025 met overlegging van productie 39;
  • de brief aan de zijde van DtD van 17 november 2025 met overlegging van productie 102.
2.2
Op verzoek van DtD is een mondelinge behandeling bepaald. In aanloop naar die mondelinge behandeling heeft het hof per e-mail van 18 september 2025 een zittingsagenda aan partijen toegestuurd. Op 21 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3.De verdere beoordeling in hoger beroep

3.1
Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 19 december 2023 is overwogen en beslist. Het oordeel in dat tussenarrest komt neer op het volgende. K+N zou op grond van een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst (de vso) gedurende vier jaar aan DtD opdrachten verstrekken met een minimale omzet van € 1.5 miljoen per jaar tegen de tarieven uit de transportovereenkomst (de omzetgarantie) en K+N zou zich inspannen om ernaar te streven dat DtD met de opdrachten weer dezelfde omzet als in 2014 behaalt (in de vso geschat op € 3 miljoen per jaar) (de streefomzet). Het hof heeft vastgesteld dat zij aan beide verplichtingen niet heeft voldaan. Het hof heeft geoordeeld dat K+N de schade die DtD daardoor heeft geleden dient te vergoeden.
3.2
Vervolgens zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de omvang van de schade. DtD heeft in dit kader een rapport (hierna: de schadebegroting) overgelegd van de heer [register valuator] , registeraccount en
register valuatorbij Talanton Valuation (hierna: Talanton). Talanton heeft de schade wegens het niet behalen van de omzetgarantie begroot op € 1.992.140,- en de schade vanwege het niet behalen van de streefomzet op € 2.734.200,-.
3.3
Bij antwoordakte heeft K+N de omvang van die schade betwist. K+N heeft daarbij overgelegd een opinie op de schadebegroting van de heer [business valuator] (hierna: [business valuator] , onder meer registeraccountant en
business valuator).
3.4
Nu partijen, ieder gesteund door eigen deskundige(n), elkaar tegenspreken over de omvang van de schade, acht het hof een in zijn opdracht te maken deskundigenbericht over de hier aan de orde zijnde geschilpunten noodzakelijk. K+N heeft verder in haar antwoordakte de volgende verweren gevoerd, waar het hof hierna op zal beslissen. Het gaat over de volgende punten.
K+N heeft de stelling ingenomen dat niet van de door DtD aangeleverde cijfers kan worden uitgegaan, nu die cijfers niet gevalideerd zijn;
K+N heeft de vraag opgeworpen van welke referteperiode moet worden uitgegaan bij het begroten van de schade;
In hoeverre moet bij het begroten van de schade rekening worden gehouden met de omzet die DtD elders heeft kunnen behalen wegens het niet bij K+N kunnen behalen van de in de vso afgesproken omzet? (voordeelstoerekening);
Hoe moet in het kader van de begroting van de schade worden omgegaan met het niet behalen van de in artikel 3.2 van de vso genoemde streefomzet en van welke streefomzet moet worden uitgegaan?;
Welke rol speelt de holdingstructuur bij de begroting van de schade?
Gevalideerde cijfers
3.5
K+N heeft als verweer gevoerd dat de cijfers van DtD niet betrouwbaar zijn, omdat die niet door een accountant zijn gevalideerd. De begroting van de schade kan volgens K+N dan ook niet op die cijfers worden gebaseerd.
3.6
DtD heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat zij niet wettelijk verplicht is om haar jaarstukken van een accountscontrole te voorzien. Om die reden kan volgens haar wel worden uitgegaan van de cijfers die ten grondslag liggen aan de jaarcijfers.
3.7
Met K+N is het hof van oordeel dat niet zonder meer van de door DtD gepresenteerde jaarstukken kan worden uitgegaan bij het begroten van de schade. Dat DtD vanwege de omvang van de onderneming niet verplicht is om de jaarstukken van een accountantscontrole te voorzien, betekent niet dat voor de bedrijfswaardering in het kader van de schadebegroting kan worden uitgegaan van de door haar zelf opgestelde jaarstukken. Nu die cijfers door haar zelf zijn opgesteld en er geen accountantscontrole op heeft plaatsgevonden, kunnen die niet als objectief worden aangemerkt. De door het hof te benoemen deskundige zal zich door middel van een onderzoek in de grootboeken/administratie van DtD zelf een beeld moeten vormen van de jaarcijfers van DtD. DtD zal de deskundige daarom toegang moeten verschaffen tot de onderliggende stukken die hebben geleid tot de jaarcijfers.
Referteperiode
3.8
DtD heeft bij de berekening van de schade de periode 2019-2022 tot uitgangspunt genomen. K+N heeft betoogd dat moet worden uitgegaan van de periode tot 2014, omdat het doel van de vso was dat DtD weer op het omzetniveau van 2014 zou komen.
3.9
Het hof volgt K+N hierin niet. De vso is gesloten met als
effective date15 februari 2019, voor de duur van vier jaar. De tarieven uit de bijbehorende transportovereenkomst golden voor vier jaar. Zoals in het tussenarrest ook is geoordeeld, gaat het erom welke schade DtD heeft geleden over die periode als gevolg van het niet volledig nakomen van de vso (het niet behalen van de omzetgarantie en de streefomzet). Bij de begroting van de schade zal de deskundige dan ook de periode 15 februari 2019 tot en met 14 februari 2023 als referteperiode moeten nemen.
Voordeelstoerekening
3.1
K+N voert als verweer dat op de schade in mindering moet worden gebracht de omzet die DtD bij andere opdrachtgevers heeft kunnen behalen in de tijd die vrijgevallen is doordat zij onvoldoende opdrachten van K+N kreeg. K+N heeft daarbij verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad inzake voordeelstoerekening als bedoeld in artikel 6:100 BW Pro (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1483 (TenneT /ABB) en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164 (Dexia/X).
3.11
DtD heeft zich op het standpunt gesteld dat elders behaalde omzet niet als voordeel in de zin van artikel 6:100 BW Pro heeft te gelden en dus ook niet in mindering strekt op de door K+N te vergoeden schade.
3.12
Het hof overweegt als volgt.
3.13
Indien eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht (artikel 6:100 BW Pro). Voor een geslaagd beroep op voordeelstoerekening moet aan twee voorwaarden worden voldaan: 1) tussen de normschending en de gestelde voordelen moet een causaal verband bestaan, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen; 2) het moet redelijk zijn dat die voordelen in mindering worden gebracht op de vaststelling van de te vergoeden schade.
3.14
Tussen partijen is niet in geschil dat DtD in de relevante periode van de vso omzet heeft behaald uit opdrachten van derden. Maar DtD weerspreekt dat zij die omzet alleen heeft kunnen realiseren uit de vrijkomende capaciteit van haar wagenpark als gevolg van de opdrachten die zij niet van K+N kreeg. Volgens DtD had zij die omzet bij derden ook gerealiseerd als zij de in de vso overeengekomen opdrachten voor K+N had uitgevoerd, omdat zij vrij eenvoudig met inhuur van vrachtwagens haar wagenpark kan uitbreiden.
3.15
Het hof laat in het midden of DtD de opdrachten van derden ook had kunnen uitvoeren als zij wel de in de vso overeengekomen opdrachten van K+N had gekregen en neemt veronderstellenderwijze aan dat DtD omzet – en ook winst – heeft behaald doordat zij de capaciteit die door de wanprestatie van K+N is vrijgekomen, heeft benut door opdrachten voor andere opdrachtgevers uit te voeren die zij zonder die vrijkomende capaciteit niet (volledig) had kunnen uitvoeren. Het hof ziet echter geen aanleiding om de winst die daarmee is behaald in mindering te brengen op de door K+N te vergoeden schade.
3.16
Ook als moet worden aangenomen dat de door DtD bij derden behaalde omzet in causaal verband, in de zin van conditio sine qua non, staat tot de tekortkoming van K+N in de nakoming van de vso, dan wordt niet voldaan aan de tweede hiervoor (in 3.13) genoemde voorwaarde. De vso is gesloten met als doel DtD schadeloos te stellen voor de door haar geleden schade als gevolg van het onterecht beëindigen van de samenwerking door K+N. De vso zegt over de te vergoeden schade het volgende:

Article 3. Settlement Amount
3.1
Kuehne+Nagel shall:
3.1.1.
pay Door-to-Door an amount of EUR 250.000 by way of bank transfer to (…) within fourteen days after signing this Agreement by both Parties. (…)
3.1.2.
enter into a multi-year transport service agreement with Door-to-Door for courier services (…)
3.17
Dat betekent dus dat K+N de schade die DtD heeft geleden op twee manieren zou vergoeden: een vast bedrag ineens en een bedrag dat via het behalen van omzet vergoed zou worden. Die omzet was voor een deel gegarandeerd. Het geven van opdrachten om zo aan haar schadevergoedingsverplichting tegenover DtD te voldoen, betreft dus de kern van de prestatie van K+N uit de vso. Met haar betoog dat de bij derden behaalde omzet/winst in mindering moet komen op het schadebedrag, miskent K+N het doel van de vso (het schadeloos stellen van DtD voor het onrechtmatig handelen van K+N in 2014). Een honorering van het beroep op voordeelstoerekening zou dat waar DtD op grond van de vso recht op heeft teniet doen. Daarmee zou de vso voor DtD zinledig worden. Bovendien zou K+N dan niet voldoen aan haar verplichting tot schadeloosstelling, terwijl de vso nu juist met het oog daarop was gesloten. Het hof acht het dan ook niet redelijk om eventueel behaald voordeel in mindering te brengen op de vaststelling van de te vergoeden schade. Het beroep op voordeelstoerekening faalt.
Schade als gevolg van niet behalen van de streefomzet
3.18
Verder is de vraag aan de orde in hoeverre DtD schade heeft geleden vanwege het feit dat K+N niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om DtD opdrachten van € 3 miljoen omzet per jaar te gunnen. DtD heeft zich – onder verwijzing naar het rapport van Talanton – op het standpunt gesteld dat de schade voor het niet gegund krijgen van die streefomzet € 2.734.200,- bedraagt. Talanton heeft voor de berekening van de schade wegens het niet voldaan aan de
inspanningsverplichtingdezelfde uitgangspunten gehanteerd als de schade voortvloeiend uit het niet behalen van de
omzetgarantie.
3.19
K+N heeft zich verzet tegen deze wijze van berekenen. Het hof is met K+N van oordeel dat de wijze waarop Talanton namens DtD de schade voor het niet behalen van de streefomzet heeft berekend niet houdbaar is. Die berekeningsmethodiek houdt er geen rekening mee dat het hier om een
inspanningsverplichting ging.
3.2
In het tussenarrest is geoordeeld dat K+N niet heeft voldaan aan die inspanningsverplichting en dat er een doorschuifmogelijkheid is ten aanzien van het streven om € 3 miljoen omzet per jaar onder te brengen bij DtD. Maar dat er een doorschuifmogelijkheid is, betekent niet dat partijen zijn overeengekomen dat een lagere jaarlijkse door DtD bij K+N gerealiseerde omzet dan € 3 miljoen gedurende de resterende looptijd van de vso ook moet worden gecompenseerd. Partijen zijn slechts overeengekomen dat als deze omzet na vier jaar niet wordt behaald, partijen
in good faithin overleg treden over een verlenging van de transportovereenkomst. Niet in geschil is dat de transportovereenkomst is verlengd, dat deze nog steeds doorloopt, én dat DtD ook opdrachten van K+N krijgt onder de verlengde transportovereenkomst.
3.21
Het hof deelt het standpunt van K+N dat onder die omstandigheden van schade voor DtD als gevolg van het niet behalen van de streefomzet geen sprake is. K+N heeft haar tekortkoming goedgemaakt door verlenging van de transportovereenkomst.
De holdingstructuur en het gevolg voor de schade
3.22
Ter zitting is door DtD toegelicht dat een deel van de winst via de holding wordt behaald. K+N heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat zij geen overeenkomst met de holding heeft gesloten, dus dat hetgeen DtD aan winst behaalt via de holding of de omzet die zij genereert met middelen die boekhoudkundig niet bij DtD zelf zijn ondergebracht maar bij de holding, bij de schadeberekening buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het hof volgt K+N niet in dit betoog. Het gaat om de winst die in de gehele holdingstructuur kon worden behaald.
De te benoemen deskundige
3.23
Op de zitting hebben partijen zich uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige. Beide partijen achten de heer drs. G. Rooijackers RC RV van het bureau
Sman business valuedeskundig om het hof te informeren over de omvang van de schade. Het hof zal het voorstel van partijen volgen en in een volgend arrest dienovereenkomstig beslissen.
De onderzoeksvragen
3.24
Het hof is voornemens om onderstaande vragen aan de deskundige te stellen:
Vraag over gerealiseerde omzet
1. Wat was de omzet van DtD in de periode waarop de vaststellingsovereenkomst ziet (15 februari 2019 tot 15 februari 2023) voor het werk dat van K+N afkomstig was? Splits de omzet uit per jaar.
Vragen over marge en kostenstructuur
2. Hoe hoog waren de brutowinst en de brutomarge van DtD op de omzet in die periode voor het werk dat van K+N afkomstig was? Kunt u die uitsplitsen per jaar?
3. Hoe hoog waren de brutowinst en brutomarge van DtD op de omzet in die periode voor het werk dat DtD voor andere partijen deed, uitgesplitst per jaar?
4. Welk deel van de totale omzet van DtD werd uitgevoerd met eigen vervoersmiddelen en welk deel werd uitbesteed aan ondervervoerders in de periode waarop de vaststellingsovereenkomst ziet? Kunt u de percentages uitsplitsen per jaar?
5. Wilt u bij de onderbouwing van de brutomarge specificeren welke kosten naar uw oordeel als variabele kosten dienen te worden aangemerkt en welke kosten vaste kosten zijn die niet aan de vervoersopdrachten van K+N zouden moeten worden toegerekend.
Kwantificering
6) Bepaal de brutomarge voor de gemiste omzet van K+N.
  • Neem als uitgangspunt bij de bepaling van de brutomarge dat het werk zou worden uitgevoerd tegen de tarieven zoals vermeld in de bijlage bij de transportovereenkomst.
  • Neem bij de bepaling in ieder geval in ogenschouw de door u vastgestelde historische brutomarge(s) van DtD voor zowel het werk verricht voor K+N als voor andere partijen over de periode waarop de vaststellingsovereenkomst ziet.
7) Wat is, op basis van uw bevindingen, de totale misgelopen brutowinst van DtD op de misgelopen omzet, uitgaande van de door K+N gegarandeerde omzet van € 1.5 miljoen in de periode waarop de vaststellingsovereenkomst ziet (15 februari 2019 tot 15 februari 2023)?
Overige opmerkingen8) Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door het hof te nemen beslissing?
Verdere verloop van de procedure
3.25
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de vraagstelling. Daarna zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich over elkaars akte uit te laten.
3.26
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4.Beslissing

Het hof:
  • verwijst de zaak naar de rol van 3 maart 2026 voor akte uitlaten DtD en K+N als bedoeld in rechtsoverweging 3.25;
  • bepaalt dat partijen daarna – op de rol van 31 maart 2026 – bij antwoordakte op elkaars akte mogen reageren;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.S. Honée, G.C. de Heer en J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.