Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:941

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.365.103/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haagse Verdrag 1980Art. 5 Haagse Verdrag 1980Art. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArtikel 1.1.22 procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen inzake teruggeleiding minderjarigen naar Chili

Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag die zijn verzoek tot teruggeleiding van zijn minderjarige kinderen naar Chili heeft afgewezen. De vader betoogde dat hij het gezag over de kinderen daadwerkelijk uitoefende en dat de teruggeleiding daarom moest worden gelast.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat, ook indien de vader volgens Chileens recht gezag had over de kinderen, hij dit gezag niet daadwerkelijk uitoefende. De vader had een notariële volmacht gegeven aan de moeder om met de kinderen te reizen en was gedurende een lange periode afwezig, zonder contact met de kinderen of de moeder. De moeder organiseerde het leven van de kinderen in Nederland, waar zij sinds juli 2024 verblijven.

De vader kon onvoldoende onderbouwen dat hij zich de belangen van de kinderen aantrok of dat hij zijn gezagsrechten invulde. De moeder betwistte de echtheid van door de vader overgelegde bewijsstukken en stelde dat financiële bijdragen op zichzelf geen gezagsuitoefening betekenen. De bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming benadrukten het belang van duidelijkheid en contact, maar het hof vond geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen.

Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking, wijst het hoger beroep af en ontslaat de bijzondere curator. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de weigering tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Chili.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer : 200.365.103/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-8838
zaaknummer rechtbank : C/09/695031
beschikking van de meervoudige kamer van 27 maart 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te Chili,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.L. Weterings te Oegstgeest,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarigen,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.

1.De zaak en de beschikking in het kort

1.1
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van de hierna te noemen minderjarigen vanuit Nederland naar Chili. De rechtbank Den Haag heeft in de beschikking van 5 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader tot terugkeer van de minderjarigen naar Chili afgewezen.
1.2
De vader is het met deze beslissing niet eens. Hij wil dat het hof alsnog de teruggeleiding van de minderjarigen naar Chili gelast. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.
1.3
In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de vader af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en geen andere beslissing neemt dan de rechtbank.
1.4
Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en van dat wat in hoger beroep in geschil is. Daarna geeft het hof de standpunten van partijen weer en motiveert het hof zijn beslissing.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 19 februari 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- een journaalbericht van 24 februari 2026, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 4 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 10 maart 2026, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 12 maart 2026, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
van de zijde van de moeder:
- een e-mailbericht van 25 februari 2026.
2.4
Van de zijde van de vader zijn als producties G en H Spaanstalige berichten van partijen in het geding gebracht. De vader heeft nagelaten om, conform artikel 1.1.22 van het procesreglement, vertalingen van deze stukken over te leggen, zelfs na uitdrukkelijk verzoek van het hof. Het hof heeft op de zitting dan ook medegedeeld dat deze stukken buiten beschouwing worden gelaten.
2.5
Daarnaast is 5 maart 2026 het aanvullende verslag van de bijzondere curator van diezelfde datum ingekomen.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en (telefonisch) [tolk] , tolk in de Spaanse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] .

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.3
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] (hierna [minderjarige 1] ), en;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen hebben volgens een aantekening in het Nederlandse gezagsregister van 10 december 2020 het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] .
3.4
De vader heeft de Chileense nationaliteit. De moeder heeft de Chileense en de Nederlandse nationaliteit. De minderjarigen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
3.5
Op 16 juli 2024 is de moeder met de minderjarigen naar Nederland vertrokken.
3.6
De vader heeft zich op 15 juli 2025 gewend tot de Nederlandse Centrale autoriteit.
3.7
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 december 2025 is [bijzondere curator] benoemd als bijzondere curator over de minderjarigen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Chili afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met die beslissing. Hij verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het verzoek van de vader om de minderjarigen terug te geleiden wordt toegewezen, met vaststelling van een datum waartegen de minderjarigen uiterlijk dienen te zijn teruggeleid, kosten rechtens.
4.3
De moeder voert verweer. Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren, althans zijn grief te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Vooraf
5.1
Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), waarbij zowel Nederland als Chili partij zijn.
5.2
Nu de minderjarigen hun werkelijke verblijfplaats in Nederland hebben, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek. Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het Hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
5.3
Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Wat staat er in het Verdrag?
5.4
Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht op grond van het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
5.5
Het begrip ‘gezagsrecht’ is een verdragsautonoom begrip en dient derhalve te worden uitgelegd in het licht van de opzet en de doelstellingen van het Verdrag. Volgens artikel 5 van Pro het Verdrag omvat dit begrip het recht dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht om over zijn verblijfplaats te beslissen. Het in de artikelen 3 en 5 van het Verdrag bedoelde begrip ‘gezagsrecht’ dient ruim te worden opgevat.
Standpunten partijen
5.6
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vader zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende op het moment van de achterhouding. De vader is belast met het gezag over zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] en oefende dit uit. De drempel voor “daadwerkelijke uitoefening” is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad laag, minimale inspanning volstaat. Zodra een ouder ook maar een enkele vorm van zorg, contact of betrokkenheid heeft getoond vóór de ontvoering, wordt aangenomen dat het gezag werd uitgeoefend. De moeder heeft voor het reizen met de minderjarigen naar Nederland een formele machtiging verzocht en verkregen van de vader. Daarmee heeft de moeder dit recht expliciet erkend. Daarnaast heeft de vader zijn gezagsrecht uitgeoefend door voorwaarden te stellen aan het reizen, namelijk dat het niet zou gaan om permanente vestiging. De vader had bovendien in 2023 een zorgregeling met de minderjarigen. De vader moest hier afstand van doen, omdat de moeder valse aangiften deed en hierdoor juridische risico’s voor hem ontstonden. De door de moeder ingediende aangiften leidden tot schorsing van het contact met de minderjarigen. De vader heeft er eind 2023 voor gekozen om, samen met zijn echtgenoten, voor een korte periode naar Spanje te gaan, omdat er voor de vader geen mogelijkheid was om contact te hebben met de minderjarigen zonder blootgesteld te worden aan verdere escalaties en valse aangiften. De vader heeft er alles aan gedaan om het contact te behouden en heeft getracht met de moeder te communiceren. Hiermee heeft hij laten zien dat hij zich de belangen van de minderjarigen aantrekt en een rol van betekenis wenst te spelen in het leven van de minderjarigen. Het enkel opstarten van een juridische procedure tot omgang in 2024 toont reeds aan dat de vader zich de belangen van de minderjarigen aantrok. De vader betwist voorts dat hij zijn financiële verantwoordelijkheid niet neemt. De vader heeft financieel bijgedragen aan de zorg en opvoeding van de minderjarigen.
5.7
De moeder stelt dat de vader geen goede grief heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen gezamenlijk gezag zouden hebben over [minderjarige 2] . De rechtbank heeft onderscheid gemaakt tussen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en het al dan niet bestaan van gezag over [minderjarige 2] . Juist door de formulering heeft de rechtbank duidelijk gemaakt dat ze het bestaan van dat gezag niet als vaststaand aanneemt. De man heeft hiertegen geen afzonderlijke, kenbare en deugdelijk onderbouwde grief gericht. Het hoger beroep van de vader is daarom, voor zover het ziet op het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] , ongegrond. De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat de vader zijn gezagsrecht over beide minderjarigen niet daadwerkelijk uitoefende op het moment van de overbrenging. Het enkele feit dat een ouder om toestemming moet worden gevraagd voor een reis, maakt niet dat er sprake is van een daadwerkelijk uitoefening van het gezag. De vader heeft zich gedurende een substantiële periode feitelijk onttrokken aan de dagelijkse leefomgeving van de minderjarigen. De vader heeft in eerste aanleg aangegeven dat er tientallen e-mails zouden zijn tussen de vader en de moeder betreffende de minderjarigen, maar de door de vader overgelegde e-mails in hoger beroep dateren van afgelopen periode, nadat hij de procedure is gestart. De vader stelt vervolgens in hoger beroep dat hij de moeder niet kon benaderen in verband met negatieve consequenties. Deze stelling van de vader is onvoldoende onderbouwd en hieruit blijkt niet dat de vader het gezag daadwerkelijk uitoefende. Voorts heeft de vader in hoger beroep vliegtickets overgelegd in verband met zijn verblijf in Spanje, maar de moeder betwist de echtheid en betrouwbaarheid van deze vliegtickets. De vader heeft daarnaast in hoger beroep een aantal bankafschriften overgelegd om zijn financiële ondersteuning ten behoeve van de minderjarigen te onderbouwen. Financiële ondersteuning kan een aanwijzing zijn voor betrokkenheid, maar vormt op zichzelf geen invulling van gezagsbevoegdheden in de zin van het Verdrag. Bovendien ontbreekt essentiële informatie op deze bankafschriften, waardoor de moeder niet kan vaststellen of, wanneer en met welk doel deze betalingen zijn verricht. De man heeft ook geen volledig overzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij structureel en tijdig aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan. De moeder heeft ook niets om naar terug te keren in Chili. In Chili verbleef ze met de minderjarigen bij haar moeder, terwijl de man elders woonde en na korte tijd een nieuwe relatie had. De moeder heeft alles voor de minderjarigen in Nederland georganiseerd, zij gaan hier naar school en naar zwemles. De minderjarigen zijn al sinds 16 juli 2024 in Nederland.
5.8
De bijzondere curator heeft op de zitting naar voren gebracht dat het voor de minderjarigen belangrijk is dat er duidelijkheid en voorspelbaarheid komt in het contact met de vader. De minderjarigen hebben geen helder beeld over de vader, over waar hij woont en hoe het met hem gaat. De vader is wel aanwezig in hun belevenis. De minderjarigen hebben een plek voor hem in hun leven.
5.9
De raad heeft op de zitting benadrukt dat het van belang is dat de minderjarigen een beeld van de vader hebben en dit kunnen behouden. De moeder is in staat gebleken om ondanks alles de vader leefbaar te maken in het gezin en de minderjarigen te laten bellen met de vader. Het is van belang dat de ouders in de spiegel kijken, om te zien wat zij kunnen doen, zodat de minderjarigen van beide ouders kunnen houden. Vanwege de jonge leeftijd van de minderjarigen moeten de ouders na deze procedure nog veel stappen zetten om dit mogelijk te maken. Indien er sprake is van een grote afstand tussen een ouder en kinderen wordt er meer van ouders verwacht om de kinderen een eigen beeld te geven van beide ouders.
Oordeel van het hof
5.1
Op basis van de stukken en dat wat op de zitting in hoger beroep is besproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.11
Het hof begrijpt de beschikking van de rechtbank zo, dat de rechtbank geen beslissing heeft gegeven op de vraag of de vader (mede) belast is met het gezag over [minderjarige 2] . Het hof is van oordeel dat het geven van uitsluitsel over deze vraag ook niet nodig is voor de beslissing. Het hof komt, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat de vader op het moment van de ongeoorloofde achterhouding het gezag over de minderjarigen, dus ook als hij naar Chileens recht het gezag over [minderjarige 2] had, niet daadwerkelijk uitoefende. Het hof legt dit laatste oordeel als volgt uit.
5.12
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is het hof gebleken dat de vader op 31 augustus 2023 een notariële volmacht heeft laten opstellen. Met deze notariële volmacht heeft de vader de moeder nadrukkelijk toestemming gegeven om met de minderjarigen naar het buitenland te reizen, zodat zij ook Nederland zouden kunnen bezoeken. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onbetwist verklaard dat de vader deze notariële volmacht uit eigen beweging heeft laten opstellen en dat zij op dat moment niet om deze toestemming heeft gevraagd. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij de volmacht heeft laten opstellen, omdat hij wist dat hij voor een langere periode weg zou gaan en de moeder en de minderjarigen niet wilde beperken in hun reizen naar onder andere Nederland. De vader heeft vervolgens in september 2023, zonder de moeder hiervan op de hoogte te stellen Chili verlaten en is afgereisd naar Spanje. De moeder stelt onbetwist dat zij pas veel later van de oma (vaderszijde) heeft vernomen dat de vader Chili had verlaten. De moeder stelt voorts dat oma (vaderszijde) haar had laten weten dat de vader geëmigreerd zou zijn. Het is onduidelijk met welke intenties de vader in september 2023 Chili verliet, zodat het hof de vader op de zitting om verduidelijking heeft gevraagd. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij in Spanje zou verblijven voor zijn werk en een ‘honeymoon’ met zijn nieuwe echtgenote en dat hetgeen oma (vaderszijde) aan de moeder verklaard zou hebben over een emigratie niet juist is. De advocaat van de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling tijdens haar pleidooi gesteld dat de vader drie maanden in Spanje verbleef voor een vakantie. In het beroepschrift heeft de vader daarentegen gesteld dat hij met zijn echtgenote gedurende langere tijd naar Spanje ging voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor zijn echtgenote, omdat zij zich uiteindelijk in Zweden wilden vestigen. Het hof is van oordeel dat van de zijde van de vader geen eenduidige verklaring is gegeven op de vragen waarom hij in september 2023 Chili heeft verlaten en met welke intenties. Voor zover de vader heeft gesteld dat op voorhand vaststond dat en wanneer hij terug zou keren uit Spanje en dat dit blijkt uit de door hem overgelegde afschriften van vliegtickets overweegt het hof dat de moeder de authenticiteit van deze afschriften heeft betwist. Door de vader zijn hier onvoldoende concrete feiten of omstandigheden tegenover gezet die het oordeel rechtvaardigen dat vast stond en voor de moeder kenbaar was dat de vader (in december 2023 definitief) naar Chili terug zou keren. De vader heeft gesteld in december 2023 te zijn teruggekeerd naar Chili, maar heeft de moeder niet geïnformeerd over zijn terugkeer. De vader heeft uiteindelijk pas op 15 mei 2025 aan de moeder een e-mail bericht verzonden waarin stond dat hij op de hoogte was van het feit dat de moeder de minderjarigen had meegenomen om in Nederland te gaan wonen, dat hij alleen toestemming had gegeven voor tijdelijke reizen en niet om permanent buiten Chili te wonen en met het verzoek aan de moeder om met de minderjarigen terug te keren naar Chili. Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat een lange periode rondom het vertrek van de moeder met de minderjarigen naar Nederland geen contact is geweest tussen de vader en de moeder en de minderjarigen terwijl vaststaat dat de moeder al die tijd hetzelfde e-mailadres had en via die weg voor de vader te bereiken was. Hoewel de vader in hoger beroep stelt dat hij in de tussenliggende periode geen contact mocht opnemen met de moeder in verband met maatregelen die in Chili zouden lopen vanwege de aangiften van de moeder, is dit door de moeder betwist en door de vader niet onderbouwd, zodat het hof aanneemt dat die mogelijkheid er wel was en dat de vader daar zelf geen gebruik van heeft gemaakt.
Conclusie
5.13
Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep van de vader afwijzen. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat, ook als de vader naar Chileens recht het gezag over [minderjarige 2] had, de vader er geen blijk van heeft gegeven zich de belangen van de minderjarigen te hebben aangetrokken zodat geen sprake was van daadwerkelijke uitoefening van gezagsrecht door de vader. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.14
De bijzondere curator zal met ingang van heden van haar taak worden ontslagen.
Proceskosten
5.15
Gelet op de aard van de zaak zal het hof de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.16
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
ontslaat de bijzondere curator [bijzondere curator] van haar taak met ingang van heden;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, H.J.M. Smid-Verhage, en A. Zonneveld, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier, en is op 27 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.