ECLI:NL:GHDHA:2026:941
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen inzake teruggeleiding minderjarigen naar Chili
Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag die zijn verzoek tot teruggeleiding van zijn minderjarige kinderen naar Chili heeft afgewezen. De vader betoogde dat hij het gezag over de kinderen daadwerkelijk uitoefende en dat de teruggeleiding daarom moest worden gelast.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat, ook indien de vader volgens Chileens recht gezag had over de kinderen, hij dit gezag niet daadwerkelijk uitoefende. De vader had een notariële volmacht gegeven aan de moeder om met de kinderen te reizen en was gedurende een lange periode afwezig, zonder contact met de kinderen of de moeder. De moeder organiseerde het leven van de kinderen in Nederland, waar zij sinds juli 2024 verblijven.
De vader kon onvoldoende onderbouwen dat hij zich de belangen van de kinderen aantrok of dat hij zijn gezagsrechten invulde. De moeder betwistte de echtheid van door de vader overgelegde bewijsstukken en stelde dat financiële bijdragen op zichzelf geen gezagsuitoefening betekenen. De bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming benadrukten het belang van duidelijkheid en contact, maar het hof vond geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking, wijst het hoger beroep af en ontslaat de bijzondere curator. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de weigering tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Chili.