Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:881

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.350.928/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 7.1 Verordening op de advocatuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over totstandkoming en betaling overeenkomst van opdracht advocaat

In deze civiele zaak vordert de maatschap betaling van een factuur voor juridische advieswerkzaamheden verricht door een advocaat ten behoeve van appellant. Appellant betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen en stelt dat, indien wel, deze ontbonden is wegens tekortkoming.

De rechtbank wees de vordering toe en het hof bekrachtigt dit vonnis. Het hof oordeelt dat op grond van verklaringen en gedragingen van appellant en zijn gemachtigde gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de advocaat was opgedragen werkzaamheden te verrichten. Hoewel de werkzaamheden aanvankelijk onvolledig waren, is na aanmaning alsnog voldaan aan de verplichtingen.

Appellant heeft bewust geen legitimatiebewijs verstrekt, maar dit leidt niet tot het ontbreken van een overeenkomst. Ook het ontbreken van een voorschotnota doet hieraan niet af. De factuur is conform de opdracht en de werkzaamheden zijn voldoende verricht. Appellant is daarom gehouden tot betaling en wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant gehouden is de factuur voor juridische werkzaamheden te betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.350.928/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11065320 \ RL EXPL 24-8127
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M.S.J. Supičić, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
de maatschap [naam maatschap],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. [advocaat geïntimeerde] , kantoorhoudend in [plaats] .
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] vordert betaling van een factuur voor door een advocaat van [geïntimeerde] ten behoeve van [appellant] verrichte juridische advieswerkzaamheden. [appellant] betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Hij stelt dat geen wilsovereenstemming is bereikt over door de advocaat te verrichten werkzaamheden. Voor zover wel een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, is deze volgens [appellant] ontbonden wegens een tekortkoming van de advocaat.
1.2
De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat op grond van verklaringen en gedragingen van (de gemachtigde van) [appellant] gerechtvaardigd mogen vertrouwen dat hem werd opgedragen bepaalde juridische advieswerkzaamheden te verrichten. Voor zover de advocaat de opgedragen werkzaamheden aanvankelijk onvolledig heeft verricht en deze daarom niet aan de overeenkomst beantwoordden, heeft hij na een aanmaning alsnog aan zijn verplichtingen voldaan. [appellant] is dan ook gehouden de factuur te betalen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 januari 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 november 2024;
  • het arrest van dit hof van 11 maart 2025, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast (deze is niet gehouden);
  • de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] .

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 3 augustus 2023 heeft mr. Supičić – de gemachtigde van [appellant] – telefonisch contact gehad met mr. [naam 1] , maat van [geïntimeerde] , over het uitvoeren van juridische werkzaamheden. Diezelfde dag heeft zij mr. [naam 1] stukken toegestuurd, waaronder een door haar opgestelde (concept-)aansprakelijkstelling.
3.2
Bij e-mail van 4 augustus 2023, 10:51 uur, heeft mr. [naam 1] , mr. Supičić bericht:
‘In vervolg op ons telefonisch overleg bevestig ik uw verzoek om een second opinion over de door u opgestelde voorgenomen aansprakelijkstelling namens [appellant] aan de Staat en de voormalig curator [naam 2] van […] Juristen BV inzake de aangifte door curator van faillissementsfraude tegen o.a. cliënt [appellant] , welke aangifte leidde tot vrijspraak.
Voor de volledigheid bevestig de voorwaarden van dienstverlening door mijn kantoor.’
Onder dit e-mailbericht is (onder andere) vermeld dat alle dossiers van [geïntimeerde] een afschrift van een geldig legitimatiebewijs moeten bevatten, om welke reden een kopie van een legitimatiebewijs van [appellant] wordt verzocht, en dat het tarief van mr. [naam 1] € 240 per uur, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en btw, bedraagt.
3.3
Mr. Supičić heeft bij e-mail van 4 augustus 2023, 13:08 uur, als volgt gereageerd:
‘[…] Zoals ik u ook al telefonisch verzocht: is het mogelijk om, nu u de stukken heeft ontvangen, een indicatie te geven voor het honorarium, waarna mijn client kan besluiten? De heer [appellant] zal uw client zijn, voor alle duidelijkheid.’
3.4
Bij e-mail van 4 augustus 2023, 13.24 uur, heeft mr. [naam 1] geantwoord:
‘Uw concept voor het aansprakelijk stellen van de Staat en de voormalig curator en door met de door u meegezonden documenten nam ik een eerste keer door. Ik schat in dat een second opinion 10 uren in beslag zal nemen.’
3.5
Bij e-mail van 7 augustus 2023, 10:56 uur, heeft mr. Supičić mr. [naam 1] bericht:
‘Waar mijn client behoefte aan heeft, is om deze zaak met u (samen met mij) te bespreken, nadat u de stukken heeft bekeken. Hij wil graag met u over de strategie en zijn inzichten over deze zaak praten.
Is dat mogelijk?’
3.6
Bij e-mail van 7 augustus 2023, 11:15 uur, heeft mr. [naam 1] geantwoord:
‘Met u en/of cliënt zelf overleggen is mogelijk. Dat is iets anders dan een second opinion, als eerder gevraagd.
Zonder de stukken uitgebreider dan nu zal mijn bijdrage beperkter zijn. Wat is de inschatting van de te vorderen schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel. Zijn er procedures geweest ex art. 530 en Pro 533 Sv? Wat is daar verzocht en wat is beslist? Zendt u mij de stukken daarvan ook toe?
Van het overleg volgt een verslag. Een advocaat moet schriftelijk verslag doen van zijn advies, dan kan cliënt er op terugvallen. Een procedure als beoogd tegen de Staat en de aansprakelijksverzekeraars van de curator zal een bewerkelijke procedure zijn met onzekerheden omgeven. Het gaat om invulling van normen, die niet zwart-wit zijn.
Wanneer u niet in staat voor de betaling van de factuur, heeft mijn kantoor als beleid voor nieuwe cliënten dat eerst een voorschotnota wordt voldaan.’
3.7
Bij e-mail van 9 augustus 2023 heeft mr. [naam 1] mr. Supičić bericht:
‘De rechtsregel ter onderbouwing van de claims op de curator en op Staat is helder voor ieder van die twee partijen. Het komt aan op invulling van ieder van die rechtsregels, en het bewijs dat de eiser ontvankelijk is, en de gedaagde nog steeds aansprakelijk is. Er speelt meer aan details voor een eiser om te bewijzen in procedures als dit. Dat zijn i.h.a. bewerkelijke procedures. Voor een gedaagde is afdoende ieder verweer, dat succes heeft in het verhinderen dat de eis wordt toegewezen. Al die verweren moeten gepareerd worden, de bewijslast blijft op cliënt rusten, hij doet beroep op het rechtsgevolg van aansprakelijkheid van de curator resp. de Staat. Verschaft u intussen de gevraagde informatie, opdat meer concreet wordt en meer in te schatten qua omvang welke bedragen cliënt van de Staat en van (de assuradeuren van) de curator wilt ontvangen? Gaat u bij die uitwerking van de schade in op het onderscheid tussen cliënt, de heer [appellant] , en ieder van de betrokken rechtspersonen.’
3.8
Bij e-mail van 10 augustus 2023, 11:06 uur, heeft mr. Supičić mr. [naam 1] bericht:
‘Dank voor uw onderstaande mail, waarop in algemene zin niets op af te dingen is.
Mijn cliënt bekruipt, deze mail lezende, de gedachte dat u meent dat ik u - namens mijn cliënt - gevraagd heb of u wilt beoordelen of de zaak kans van slagen heeft. Dat is niet wat er gevraagd wordt.
Ik - persoonlijk - wil graag de zaak bespreken, omdat - zoals ik heb uitgelegd - mijn expertise niet zo zeer op het gebied van aansprakelijkheidsrecht ligt. Mijn client, die op basis van eerdere ervaringen, groot vertrouwen in mij stelt, heeft echter aangedrongen dat ik deze zaak voor hem behandel. Mede gezien het grote belang, maar ook mijn onbekendheid op dit gebied, lijkt het me verstandig om van een expert advies te vragen over de inhoud van mijn brief. Laat ik juridisch-technisch punten liggen op het gebied van aansprakelijkheidsrecht? Heeft deze brief voldoende gewicht om met de curator in overleg te treden? Los van het bewijs.
Mijn client heeft het gevoel dat de vragen die u stelt (bijvoorbeeld over het bewijs over de ontvankelijkheid of over de omvang van de schade), in dit stadium van deze zaak niet relevant is: hij denkt dat de strategie moet zijn: de aansprakelijkheidsstelling zoals ik deze heb geformuleerd, versturen, en dan wordt, bij een erkenning van de aansprakelijkheid, onderhandeld over de hoogte van de schade.
Als de curator, c.q. zijn verzekeraar verweer voert of inhoudelijk vragen heeft, dan kan de brief bijgesteld worden. Zijn voorkeur is dat we alleen de curator adresseren; de Staat der Nederlanden komt later wel (als dat nodig is).
Ik vraag me af of dit correct is, ook omdat ik geen ervaring heb in dit soort zaken.
Verder is inderdaad de procedure ex art 530 en Pro/of 533 Sv gevoerd. Aan de heer [appellant] is daarbij een schadevergoeding van € 18.790,- toegekend, waaruit blijkt dat voldaan is aan het “gebleken onschuld criterium”.
Die stukken heb ik niet, die procedure is door zijn strafrechtadvocaat […] gevoerd. Indien noodzakelijk, kunnen die stukken t.z.t. wel worden opgevraagd. Maar ook daarvan vraag mijn cliënt zich af, of dat voor nu relevante informatie is?
[…] Goed wellicht om na 29 augustus een afspraak in te plannen.’
3.9
Bij e-mail van 10 augustus 2023, 12:16 uur, heeft mr. [naam 1] gereageerd:
‘Uw uitleg is helder. Wat mij betreft kan dat gesprek zijn op 30 a.s. in de middag, of op 31 a.s. in de ochtend, of na 19 september. Ik heb inmiddels redelijk de stukken doorgenomen en een beeld van de vorderingen en de onderbouwingen daarvan.
De procedures ex art 530 en Pro 533 SV hebben overlap met de beoogde claim tegen de Staat. Vraagt u die stukken op en verschaft u mij die?’
In de e-mail wordt verder algemene informatie over procedures over aansprakelijkheid gegeven.
3.1
Op 31 augustus 2023 hebben mr. [naam 1] en [appellant] , bijgestaan door mr. Supičić, een gesprek gevoerd, dat twee en een half uur heeft geduurd.
3.11
Bij e-mail van 12 september 2023 heeft mr. [naam 1] aan [appellant] , met kopie aan mr. Supičić, bericht:
‘In vervolg op onze bespreking van 31 augustus jl. in verband met uw behandelend advocaat mw. Supicic bevestig ik hierbij nog voor de goede orde u bij te staan terzake een vergoeding van de schade van u en van uw bedrijf op de Staat en/of de curator in verband met een onrechtmatige vervolging.
Een en ander zoals reeds ook al bevestigd aan mr. Supicic bij mail van 4 augustus jl.
Houdt u er rekening mee dat de vordering met name lijkt te betreffen de d.o.o.. Onderdeel van de werkzaamheden welke mijn kantoor aan u in rekening brengt is btw. Een belangrijk deel van de schade lijkt de rechtspersoon te betreffen. Wanneer deze nog actief is kan deze wellicht btw in vooraftrek brengen. Mijn kantoor Is bereid daaraan mee te werken en de factuur op naam van de rechtspersoon te zetten. Het betreft zowel uzelf als de rechtspersoon, maar dan dient wel u zelf hoofdelijk aansprakelijkheid te aanvaarden voor verplichtingen van [bedrijfsnaam] d.o.o. aan de maatschap welk mijn kantoor in stand houdt.
Voor de goede orde zet ik onderstaand voor u uiteen de voorwaarden van dienstverlening conform ons kantoorreglement:’
Daaronder zijn (nogmaals) de voorwaarden van dienstverlening van [geïntimeerde] weergegeven.
3.12
Bij e-mail van 20 september 2023 heeft mr. [naam 1] aan [appellant] , met kopie aan mr. Supičić, bericht:
‘In vervolg op onze bespreking van 31 augustus jl., we bespraken dat ik woensdag 20 september op schrift zal stellen hetgeen wij bespraken op 31 augustus jl. inzake de achtergronden van de activiteiten van mr Supicic om te komen tot incasso van uw vordering tot schadevergoeding.
Bijgevoegd treft u aan een memo van onze bespreking, waarin grofmazig enkele aspecten uit verhaal op de staat en/of de curator aan de orde kwam.’
In de e-mail wordt vervolgens een jurisprudentieoverzicht gegeven. Verder verzoekt mr. [naam 1] om toezending van alle schriftelijke stukken in de strafzaak met de vraag of daaruit is af te leiden dat de verjaring van de vordering tot schadevergoeding is gestuit en adviseert hij de Staat en de curator nu al aansprakelijk te stellen. De bijlage (het memo) betreft een gespreksverslag van acht bladzijden.
3.13
Op 4 oktober 2023 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen mr. [naam 1] en [appellant] .
3.14
Op 5 oktober 2023 heeft mr. [advocaat geïntimeerde] van [geïntimeerde] aan [appellant] een declaratie gestuurd van € 3.478,41 inclusief btw voor werkzaamheden van mr. [naam 1] , verricht in het derde kwartaal van 2023.
3.15
Bij e-mail van 10 oktober 2023 aan [appellant] , met kopie aan mr. Supičić, heeft mr. [naam 1] , onder verwijzing naar het telefoongesprek van 4 oktober 2023, gewezen op de opbouw van de aansprakelijkstelling en het belang inzicht te geven in de diverse schadeposten en het causaal verband. Ook heeft hij vragen gesteld over de strafprocedure.
3.16
Op 23 oktober 2023 heeft mr. Supičić aan mr. [naam 1] een uitvoerige e-mail gestuurd, waarin zij – kort gezegd – aangeeft dat zij hem heeft verzocht om concreet advies over de aanpak van deze zaak en in het bijzonder over een door haar opgestelde concept-aansprakelijkstelling van de Staat en de curator, maar dat mr. [naam 1] zich in de gesprekken en e-mails heeft beperkt tot algemeenheden over aansprakelijkheid. Zij schrijft verder dat zij enigszins in verlegenheid is gebracht door de declaratie, omdat [appellant] niet veel verder is gekomen in deze zaak, terwijl hem forse kosten in rekening worden gebracht. Zij beëindigt de e-mail als volgt: ‘Dat de brief aangescherpt moet worden, daar ben ik me van bewust, dat is nu net de reden waarom ik u heb benaderd. Maar hoe aan te scherpen, dat was/is de vraag. Uw berichten afwachtend, […]’.
3.17
Bij e-mail van 7 november 2023 aan [appellant] , met kopie aan mr. Supičić, heeft mr. [naam 1] hierop als volgt gereageerd:
‘In vervolg op de brief van mr. Supičić van 23 oktober met het verzoek om concreter te zijn, en haar bericht van 3 november, wijs ik op o.a. de eerdere verzoeken om aanzienlijk meer gegevens te verschaffen dan eerder, om een inhoudelijk redelijkerwijs behoorlijk volledig beeld te krijgen van de juridische geschilpunten waar u mijn kantoor voor heeft benaderd om mr. Supicic bij te staan. Informatievoorziening is afhankelijk van de cliënt, in dit geval cliënten: uzelf in privé en [bedrijfsnaam] d.o.o. als de rechtspersoon die nadelige invloed heeft ondervonden van de strafzaak tegen u in privé.
[…]
Voor wat betreft de declaratie voor de werkzaamheden in het 3e kwartaal, de declaratie was conform de opdrachtbevestiging voor het afgesproken tarief, aan de hand van de tijd besteed aan het dossier. Betaalt u, dhr. [appellant] , de declaratie onverwijld. De afgesproken betalingstermijn was twee weken.’
3.18
Op 20 november 2023 heeft mr. [advocaat geïntimeerde] aan [appellant] een betalingsherinnering gestuurd en hem bericht: ‘Het is niet duidelijk of u wenst dat mr. [naam 1] nog verdere werkzaamheden verricht. Wilt u dat expliciet verklaren. In ieder geval zal wel de openstaande nota betaald dienen te worden.’
3.19
Bij e-mail van 23 november 2023 heeft [appellant] mr. [advocaat geïntimeerde] geantwoord dat hij nogmaals verklaart dat hij mr. [naam 1] nooit heeft gevraagd werkzaamheden voor hem te verrichten en ook niet wenst dat hij dat doet, dat mr. [naam 1] tot op heden geen second opinion heeft gegeven op de door mr. Supičić opgestelde aansprakelijkstelling en dat, los van de vraag of hij of [bedrijfsnaam] een opdracht aan mr. [naam 1] heeft gegeven, alleen al om die reden geen aanleiding bestaat om de factuur te betalen.
3.2
Bij e-mail van 19 december 2023 heeft mr. [advocaat geïntimeerde] aan mr. Supičić, met kopie aan [appellant] , het commentaar van mr. [naam 1] op de door mr. Supičić opgestelde aansprakelijkstelling van de Staat gestuurd. Hij heeft daaraan toegevoegd dat dit commentaar slechts beperkt is – ‘Mr. [naam 1] heeft gevraagd om meer informatie om hem meer inzicht te geven in de feiten’ – en dat het honorarium voor de uren wel moet worden betaald.
3.21
[appellant] heeft de factuur niet betaald.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd om hem te veroordelen tot betaling van:
- € 3.478,41, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf twee weken na de desbetreffende factuurdata;
- € 700,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 april 2024;
- de proceskosten.
Aan de vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, op grond waarvan mr. [naam 1] juridische werkzaamheden voor [appellant] heeft verricht. Hij moet daarom de factuur voor die werkzaamheden betalen, aldus [geïntimeerde] .
4.2
[appellant] heeft betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Voor zover wel een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, is deze volgens [appellant] ontbonden wegens een tekortkoming van mr. [naam 1] .
4.3
De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5.Beoordeling in hoger beroepGrieven

5.1
[appellant] heeft vier grieven tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerd. De grieven strekken ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.
5.2
Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat tussen [geïntimeerde] en hem een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, daartoe overwegende dat [geïntimeerde] de opdracht op 12 september 2023 heeft bevestigd en [appellant] daarop niet heeft gereageerd. [appellant] stelt dat wilsovereenstemming tussen partijen heeft ontbroken en dat daarom geen overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Uit de tussen partijen gewisselde e-mails, die hij in hoger beroep (nogmaals) heeft overgelegd, blijkt volgens [appellant] dat partijen telkens met elkaar in overleg waren over de reikwijdte van de door [appellant] te verstrekken opdracht en dat partijen klaarblijkelijk niet begrepen wat de een van de ander wilde. Bij e-mail aan [appellant] van 7 november 2023, dus nadat de declaratie was verzonden, heeft [naam 1] laten weten nog veel meer informatie nodig te hebben om tot de gevraagde ‘achterhoedeadvisering’ te komen. Het bestuderen daarvan zou de ingeschatte tien uren overstijgen. [appellant] heeft ook bewust nooit een kopie van zijn legitimatiebewijs verzonden. Hij weet dat volgens de richtlijnen van de Orde van Advocaten een advocaat niet aan zijn werkzaamheden mag beginnen zonder legitimatiebewijs. Hij veronderstelde daarom dat de overeenkomst niet tot stand was gekomen. Op 20 november 2023 heeft mr. [advocaat geïntimeerde] van [geïntimeerde] , die de incasso van de declaratie ter hand had genomen, aan [appellant] gevraagd of hij nog wilde dat mr. [naam 1] werkzaamheden zou verrichten. [appellant] heeft op 23 november 2023 te kennen gegeven dat hij dat niet wilde. Op 19 december 2023 heeft mr. [advocaat geïntimeerde] desondanks een mail verzonden met een begin van een advies: het becommentariëren van de brief. Maar het was een afgeraffeld advies, gericht op het veiligstellen van de declaratie, en daarbij te laat verstrekt. Ook was nog niet duidelijk wie de opdrachtgever zou zijn: [appellant] of (de vennootschap naar Servisch recht) [bedrijfsnaam] d.o.o. (hierna: [bedrijfsnaam] ). De declaratie is zonder overleg over de tenaamstelling aan hem verzonden, aldus [appellant] .
5.3
Voor zover (het oordeel in stand zou blijven dat) wel een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, bestrijdt [appellant] de overwegingen van de kantonrechter dat [geïntimeerde] niet in gebreke is gesteld en niet in verzuim is komen te verkeren en dat de overeenkomst niet buitengerechtelijk is ontbonden, alleen al omdat de ontbinding heeft plaatsgevonden nadat de gedeclareerde werkzaamheden waren verricht.
5.4
[appellant] meent daarom dat hij de declaratie van [geïntimeerde] in geen geval hoeft te betalen.
Wilsovereenstemming dan wel gerechtvaardigd vertrouwen?
5.5
Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of tussen hen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen.
5.6
Het hof stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door wilsovereenstemming van partijen, die tot uiting wordt gebracht door hun wilsverklaringen. Als wilsverklaring geldt niet alleen de verklaring van de werkelijke wil (art. 3:33 BW Pro), maar ook het bij de wederpartij op toerekenbare wijze opgewekte vertrouwen dat de wil op het sluiten van de overeenkomst is gericht (art. 3:35 BW Pro). Dat brengt mee dat ook als bij [appellant] , zoals hij stelt, de wil om een overeenkomst met [geïntimeerde] te sluiten heeft ontbroken, toch een overeenkomst tot stand kan zijn gekomen, namelijk in het geval dat mr. [naam 1] op grond van verklaringen of gedragingen van [appellant] gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat [appellant] met hem een overeenkomst van opdracht wilde aangaan. Een gedraging kan bestaan uit zowel handelen als stilzitten. Verder moet ervan worden uitgegaan dat verklaringen en gedragingen van mr. Supičić, voor zover zij namens [appellant] met mr. [naam 1] heeft gecommuniceerd over het verrichten van juridische advieswerkzaamheden, aan [appellant] moeten worden toegerekend.
5.7
Het hof is van oordeel dat mr. [naam 1] gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat [appellant] ermee heeft ingestemd dat hij (mr. [naam 1] ) tegen betaling van een uurtarief advieswerkzaamheden zou verrichten in verband met de door [appellant] voorgenomen aansprakelijkstelling van de Staat en de curator [naam 2] voor schade als gevolg van de aangifte door de curator tegen (onder meer) [appellant] wegens faillissementsfraude. Dat voor mr. [naam 1] niet steeds duidelijk is geweest welke werkzaamheden van hem werden verwacht, doet daar niet aan af. De volgende feiten en omstandigheden zijn voor dit oordeel redengevend.
5.8
Uit zijn e-mail van 4 augustus 2023 blijkt dat mr. [naam 1] aanvankelijk heeft begrepen dat [appellant] , op instigatie van mr. Supičić die in dit rechtsgebied niet thuis was, van hem een second opinion wilde over de door mr. Supičić opgestelde aansprakelijkstelling. Desgevraagd heeft hij het aantal door hem aan een second opinion te besteden uren geschat op tien (e-mail van 4 augustus 2023). Mr. Supičić heeft vervolgens verzocht om een bespreking van de zaak (e-mail van 7 augustus 2023). Mr. [naam 1] stemde hiermee in, met de kanttekening dat dit iets anders is dan een second opinion, en liet weten dat hij van het gesprek een verslag zou maken (e-mail van 7 augustus 2023). In haar reactie daarop (e-mail van 10 augustus 2023) informeerde mr. Supičić hem dat het niet ging om de kans van slagen – naar het hof begrijpt: de kans dat een procedure tegen de Staat en/of de curator zou leiden tot vergoeding van de schade van [appellant] – en vroeg zij zich in dat verband af of de door mr. [naam 1] verzochte informatie relevant was. Deze bedenkingen hebben haar er niet van weerhouden mr. [naam 1] vervolgens te verzoeken een afspraak in te plannen. Partijen hebben een afspraak gemaakt voor een gesprek op 31 augustus 2023. Dit gesprek vond plaats en duurde 2,5 uren. Naar het oordeel van het hof heeft mr. [naam 1] uit het verzoek van mr. Supičić om een gesprek, het maken van een afspraak daarvoor en de deelname aan dat gesprek door haar en [appellant] , redelijkerwijs mogen begrijpen dat [appellant] hem opdracht gaf tot het verrichten van juridische advieswerkzaamheden. Mr. [naam 1] heeft daaruit ook redelijkerwijs mogen begrijpen dat tot de opgedragen werkzaamheden (in ieder geval) behoorden het voeren een gesprek met mr. Supičić en [appellant] ter beantwoording van bij hen levende vragen over de aansprakelijkstelling en het maken van een verslag van dit gesprek en dat hij voor de door hem hieraan bestede uren zou worden betaald volgens het door hem opgegeven uurtarief. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat mr. [naam 1] eerder, op 4 augustus 2023, de opdracht tot het uitvoeren van juridische werkzaamheden had bevestigd met vermelding van zijn uurtarief. Dat mr. [naam 1] ook daadwerkelijk heeft begrepen dat hierover tussen partijen wilsovereenstemming bestond, volgt uit zijn (herhaalde) bevestiging van de opdracht op 12 september 2023, het opstellen van het verslag en het versturen van dit verslag aan mr. Supičić met een overzicht van relevante jurisprudentie op 20 september 2023 en het versturen van de declaratie op 5 oktober 2023. Daar komt nog bij dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, [appellant] niet tegen de opdrachtbevestiging van 12 september 2023 heeft geprotesteerd. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellant] gehouden is voor deze werkzaamheden te betalen.
5.9
Dat oordeel luidt niet anders vanwege het feit dat [appellant] – naar hij stelt: bewust – geen kopie van een legitimatiebewijs aan mr. [naam 1] heeft gestuurd. Art. 7.1 van de Verordening op de advocatuur schrijft voor dat bij aanvaarding van de opdracht de advocaat zich van de identiteit van de cliënt vergewist, tenzij de aard of de omstandigheden van de zaak dit onmogelijk maken. De omstandigheid dat in dit geval niet aan dit voorschrift is voldaan, is mogelijk (tuchtrechtelijk) verwijtbaar, maar betekent niet dat geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen is. Voor zover [appellant] ervan uitging dat het overhandigen van een kopie van zijn legitimatiebewijs een voorwaarde was voor totstandkoming van een overeenkomst – naar hij stelt ‘ten bewijze van zijn goedkeuring’ – en dat hij hieraan bewust niet heeft voldaan om te voorkomen dat een overeenkomst tot stand kwam, is hij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dit ongerechtvaardigde vertrouwen verdient geen rechtsbescherming.
5.1
Het voorgaande geldt eveneens voor de omstandigheid dat mr. [naam 1] , in afwijking van het kantoorbeleid waarvan hij in zijn e-mail van 7 augustus 2023 gewag maakte, geen voorschotdeclaratie heeft gestuurd, waartoe hij overigens ook niet verplicht was.
5.11
Evident is verder dat [appellant] materieel opdrachtgever was. Dat mr. [naam 1] de suggestie heeft gedaan dat ook [bedrijfsnaam] opdrachtgever zou kunnen zijn omdat dit in verband met de (aftrekbaarheid van) btw fiscaal gunstiger was voor [appellant] , staat – anders dan [appellant] meent – er niet aan in de weg dat [appellant] de factuur moet betalen. Het was aan [appellant] om al dan niet van de geboden mogelijkheid gebruik te maken. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] heeft laten weten dat [bedrijfsnaam] opdrachtgever zou zijn, nog daargelaten dat mr. [naam 1] daar dan de voorwaarde aan zou hebben verbonden dat [appellant] hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling zou hebben aanvaard, zoals hij in zijn e-mail van 12 september 2023 liet weten. [appellant] heeft ook geen omstandigheden gesteld op grond waarvan mr. [naam 1] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat niet [appellant] , maar [bedrijfsnaam] zijn opdrachtgever was, zodat mr. [naam 1] ervan uit mocht gaan dat [appellant] ook formeel de opdrachtgever was.
Tekortkoming en verzuim?
5.12
Voor zover [appellant] meende dat de door mr. [naam 1] verrichte werkzaamheden niet aan de overeenkomst voldeden, had het op zijn weg (dan wel die van mr. Supičić) gelegen mr. [naam 1] schriftelijk aan te manen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarbij moet worden bedacht dat het hier een inspanningsverbintenis van mr. [naam 1] betrof. Ervan uitgaande dat aan mr. [naam 1] was opgedragen om, nadat het gesprek op 31 augustus had plaatsgevonden, ook nog commentaar te leveren op de door mr. Supičić opgestelde aansprakelijkstelling, heeft hij na de klacht van [appellant] dat hij had verzuimd een second opinion te geven (e-mail van 23 november 2023), dit alsnog gedaan via de e-mail van mr. [advocaat geïntimeerde] van 23 november 2023. Daarmee heeft mr. [naam 1] in ieder geval aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst voldaan en is geen verzuim ingetreden (art. 6:82 lid 1 BW Pro). [appellant] heeft de overeenkomst dus ook niet kunnen ontbinden. Dat mr. [naam 1] werkzaamheden heeft verricht nadat [appellant] te kennen had gegeven dat hij niet wenste dat [naam 1] nog werkzaamheden zou verrichten, zoals [appellant] stelt, moet in dit licht worden bezien: het betreft hier de nakoming van de overeenkomst binnen een redelijke termijn na aanmaning.
5.13
In dit verband merkt het hof op dat de factuur van [geïntimeerde] is gedateerd 5 oktober 2023 en ziet op de werkzaamheden van mr. [naam 1] , verricht in het derde kwartaal 2023, dus tot en met de maand september. Het gedeclareerde bedrag komt neer op (€ 2.712 : € 240 =) 11,3 bestede uren. Daarin is begrepen het bestuderen van het dossier, het voeren van een gesprek van 2,5 uren, het opstellen van een gespreksverslag van acht bladzijden, het opstellen van een jurisprudentieoverzicht, het voeren van e-mailcorrespondentie èn het geven van een second opinion over de aansprakelijkstelling. Voor ter nakoming van de overeenkomst na 30 september 2023 verrichte werkzaamheden, in het bijzonder het geven van de second opinion, heeft mr. [naam 1] geen (extra) kosten in rekening gebracht.
Conclusie en proceskosten
5.14
Hieruit volgt dat de grieven ongegrond zijn. Daarom zal het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
5.15
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 912,- (1 punt × tarief I)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.928,-
Beslissing
Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 november 2024;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.928,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. C.J. Verduyn, mr. J.S. Honée en mr. R.W. Polak en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.