Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:874

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
200.345.952/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.4 lid 2 WHWArt. 6:162 BWArt. 3 Wet BIGArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hogeschool Rotterdam aansprakelijk voor studievertraging door tekort aan stageplaatsen

Deze civiele zaak betreft de studievertraging van negentien studenten van de Bachelor Medische Hulpverlening (BMH) aan Hogeschool Rotterdam, veroorzaakt door een tekort aan stageplaatsen. De studenten vorderden schadevergoeding wegens wanprestatie en onrechtmatig handelen van de hogeschool. De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit vonnis gedeeltelijk.

Het hof oordeelde dat Hogeschool Rotterdam tekort is geschoten in haar verplichting om voldoende stageplaatsen te bieden, wat leidt tot studievertraging. Voor elf studenten is aannemelijk gemaakt dat hun vertraging door deze schaarste is veroorzaakt, zodat hun schadevorderingen worden toegewezen en verwezen naar een schadestaatprocedure. Voor acht studenten is onvoldoende causaal verband aangetoond; hun vertraging is toe te schrijven aan persoonlijke omstandigheden of eigen keuzes, waardoor hun vorderingen worden afgewezen.

De hogeschool had vooraf signalen ontvangen over mogelijke problemen met stageplaatsen, mede door de nog niet gerealiseerde BIG-registratie van BMH-ers, maar heeft de studenten niet tijdig en duidelijk gewaarschuwd. De proceskosten worden gecompenseerd. De vordering tot verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst schadevergoeding toe aan elf studenten wegens tekort aan stageplaatsen, terwijl de vorderingen van acht studenten worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.952/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/653229 / HA ZA 23-175
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van de hierna bij naam genoemde 19 appellanten
(na intrekking van het hoger beroep door vijf appellanten, genoemd in de appeldagvaarding onder nummers 1, 4, 5, 15 en 21):

1.[appellant] ,wonend in [woonplaats] ,

2.
[appellant 1] ,wonend in [woonplaats] ,
3.
[appellant 2] ,wonend in [woonplaats] ,
4.
[appellant 3] ,wonend in [woonplaats] ,
5.
[appellant 4] ,wonend in [woonplaats] ,
6.
[appellant 5] ,wonend in [woonplaats] ,
7.
[appellant 6] ,wonend in [woonplaats] ,
8.
[appellant 7] ,wonend in [woonplaats] ,
9.
[appellant 8] ,wonend in [woonplaats] ,
10.
[appellant 9 ] ,wonend in [woonplaats] ,
11.
[appellant 10] ,wonend in [woonplaats] ,
12.
[appellant 11] ,wonend in [woonplaats] ,
13.
[appellant 12] ,wonend in [woonplaats] ,
14.
[appellant 13] ,wonend in [woonplaats] ,
15.
[appellant 15] ,wonend in [woonplaats] ,
16.
[appellant 16] ,wonend in [woonplaats] ,
17.
[appellant 17] ,wonend in [woonplaats] ,
18.
[appellant 18] ,wonend in [woonplaats] ,
19.
[appellant 19] ,wonend in [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. R.J.C. Bindels, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
STICHTING HOGESCHOOL ROTTERDAM,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.T. Verhaar, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt voormelde 19 bij naam genoemde appellanten hierna: de Studenten, dan wel ieder afzonderlijk bij hun achternaam (en/of met het nummer uit de appeldagvaarding).
Het hof noemt geïntimeerde hierna: Hogeschool Rotterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat over studievertraging die de Studenten hebben opgelopen bij hun studie ‘Bachelor Medische Hulpverlening’ (hierna: BMH) aan Hogeschool Rotterdam. Dit komt volgens de Studenten doordat Hogeschool Rotterdam niet heeft gezorgd voor voldoende stageplaatsen. Daarom vorderen ze schadevergoeding, waarvan de omvang bepaald moet worden in een andere procedure (de schadestaatprocedure). Hogeschool Rotterdam heeft de vordering betwist. Volgens Hogeschool Rotterdam hebben de Studenten om andere redenen studievertraging opgelopen. De rechtbank heeft dit verweer gevolgd en de vorderingen afgewezen.
1.2
Het hof vernietigt het vonnis en wijst een gedeelte van de vorderingen toe. De schadevordering van elf studenten moet worden onderzocht in de schadestaatprocedure. De vorderingen van de overige acht studenten wijst het hof in dit arrest af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 31 mei 2024, waarmee de Studenten (en de vijf appellanten in de appeldagvaarding genummerd 1, 4, 5, 15 en 21) in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024;
  • de memorie van grieven van de Studenten (en genoemde vijf appellanten), met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van Hogeschool Rotterdam, met bijlagen;
  • de akte van de oorspronkelijke appellanten 1, 4, 5, 15 en 21, waarbij deze hun hoger beroep hebben ingetrokken; en
  • de antwoordakte, waarbij Hogeschool Rotterdam zich akkoord heeft verklaard met de intrekking.
2.2
Het hof zal in dit hoger beroep volstaan met het bespreken van de zaak van de Studenten, aangezien de overige vijf appellanten inmiddels niet meer bij deze procedure zijn betrokken.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De opleiding BMH is een nieuwe opleiding in de zorg. Deze is bij Hogeschool Utrecht (HU) en Hogeschool Nijmegen Arnhem (HAN) van start gegaan in september 2010. Hogeschool Rotterdam biedt sinds september 2012 de opleiding BMH aan, dit met instemming van de betreffende staatssecretaris, en deze is van overheidswege gefinancierd. Het gaat om een hbo-opleiding met een tweejarige basisopleiding en daarna specialisatie in acute zorg (ambulancezorg/spoedeisende hulp), chirurgie/operatieve zorg of anesthesie (de laatste twee specialisaties zijn vanaf studiejaar 2021 uit het curriculum gehaald).
3.2
De met de BMH-opleiding te verwerven functie (hierna: BMH-er) is nog niet (definitief) ingebed in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). Dit betekent dat nog niet is voorzien in een BIG-registratie van de BMH-er (ex artikel 3 Wet Pro BIG) en dat een BMH-er niet zelfstandig de zogenaamde ‘voorbehouden handelingen’ (handelingen zonder toezicht en tussenkomst van een arts) mag verrichten. Een BMH-er mag onder de vlag van artikel 35 Wet Pro BIG wel in opdracht van en onder toezicht van een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar medische handelingen verrichten.
3.3
De BMH-opleiding leidt op tot een breed basisberoep met een eigen deskundigheid in de specialisatie (veelal de spoedeisende zorg). Het gaat om een bachelors-opleiding van vier jaar, die 240 studiepunten omvat (dus 60 studiepunten per jaar). Sinds de start van de BMH-opleiding in 2012 is deze op onderdelen aangepast.
3.4
In het eerste en tweede studiejaar lopen studenten communicatieve en oriënterende stages. In het derde en vierde jaar moeten de studenten praktijkstages lopen die een aanzienlijke hoeveelheid studiepunten omvatten.
Om voor de derdejaars stages in aanmerking te komen moeten de studenten voldoende (theoretische) kennis en vaardigheden in huis hebben (hierna ook: de drempel).
3.5
Feitelijk is (tijdige) invulling van de praktijkstages niet steeds voor alle ingeschreven studenten mogelijk gebleken wegens schaarste aan stageplekken.
3.6
Voorafgaand aan de start van deze opleidingen (bij de HAN en de HU) en ook later nog zijn diverse onderzoeken gedaan, onder meer in 2007 ‘Arbeidsmarktonderzoek naar de behoefte aan een hbo-opleiding Medische Hulpverlening’ (productie 4 bij inleidende dagvaarding) en in 2009 naar de ‘Macrodoelmatigheid van de bacheloropleiding Medische Hulpverlening’ (productie 5 bij inleidende dagvaarding) om de wenselijkheid en de haalbaarheid ervan te onderzoeken. Hieruit kwam (kort samengevat) naar voren dat, mede in verband met de vergrijzing, grote tekorten in de gezondheidszorg dreigen, dat er in beginsel behoefte aan en ruimte is voor een dergelijke hbo-opleiding, maar dat harde cijfers ontbreken. Deze rapporten noemen ook mogelijke knelpunten, zoals:
(i) de beperkt beschikbare opleidingsmogelijkheden binnen de ziekenhuizen voor de BMH-er, mede gelet op de ontoereikende financiering ervan,
(ii) de ontbrekende inbedding in de Wet BIG, waardoor na afstuderen (nog) geen voorbehouden handelingen zelfstandig mogen worden verricht (anders dan bij verpleegkundigen), zodat de meerwaarde van de betreffende BMH-ers door het ‘werkveld’ minder groot zou kunnen worden ingeschat,
(iii) de noodzaak van het creëren van voldoende draagvlak in het werkveld. De opleiding moet volgens de benaderde informanten veel investeren in afstemming met vertegenwoordigers van het werkveld om de opleiding qua opzet en inhoud te laten aansluiten bij de eisen die in de praktijk aan medische hulpverleners worden gesteld én om voldoende draagvlak voor de opleiding te verwerven.
3.7
De Beroepsvereniging van zorgprofessionals is in haar brief van 25 maart 2010 sceptisch over de nieuwe BMH-opleiding (a) omdat de afgestudeerden niet BIG-geregistreerd zijn, (b) de studenten naar verwachting een aantal praktische vaardigheden en competenties onvoldoende zullen gaan beheersen, terwijl zij (c) meer verwacht van verdere ontwikkeling van een post-hbo-opleiding voor verpleegkundigen.
3.8
Bij een evaluatie in 2012 (versie oktober 2012) in opdracht van de HU komen sterktes en zwaktes van de BMH-opleiding naar voren (‘Kritische Reflectie Bacheloropleiding Medische Hulpverlening t.b.v. interne audit 2012’, (productie 9 inleidende dagvaarding, bladzijde 8 e.v.). Zo worden als zwaktes genoemd (a) een dreigend tekort aan stageplaatsen, mede als gevolg van subsidie voor andere opleidingen vanuit het Fonds Ziekenhuisopleidingen en (b) onzekerheid over de juridische positionering van de BMH-er.
3.9
De HU noemt dit laatste in haar brief van 26 februari 2014 aan de minister van VWS een voorname oorzaak van het gebrek aan stageplaatsen en dringt aan op urgente behandeling van de juridische inbedding van de BMH-opleiding in de Wet BIG. Het Landelijk Platform BMH, waartoe de HAN, de HU en Hogeschool Rotterdam behoren, doet in juni 2014 hetzelfde.
3.1
Inmiddels is aanpassing van de Wet BIG en de daarbij behorende regelgeving in gang gezet. Totdat dit geregeld is, kunnen afgestudeerde BMH-ers slechts werken onder verantwoordelijkheid van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde. Het kabinet heeft in 2022 besloten dat, wanneer bepaalde voorwaarden voor de BIG-registratie zijn vervuld, drie differentiaties van BMH zullen worden opgenomen in de Wet BIG (namelijk ambulancezorg, spoedeisende hulp en cardiodiagnostiek/ interventiecardiologie).
3.11
De Studenten hebben de BMH-opleiding gevolgd (of zijn daar nog mee bezig) aan Hogeschool Rotterdam en zijn niet binnen de nominale tijd van vier jaar afgestudeerd.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
De Studenten (tezamen met anderen die niet (meer) in hoger beroep procederen) hebben Hogeschool Rotterdam gedagvaard en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:
I. een verklaring voor recht dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld;
II. Hogeschool Rotterdam te veroordelen tot schadevergoeding wegens dit onzorgvuldig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. Hogeschool Rotterdam te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, eveneens nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
met veroordeling van Hogeschool Rotterdam in de proceskosten.
4.2
Volgens de Studenten hebben zij studievertraging opgelopen door een schaarste aan stageplekken. Dit stage-tekort komt met name doordat de opleiding niet is ingebed in de Wet BIG, waardoor BMH-ers niet zelfstandig (voorbehouden) handelingen mogen verrichten en feitelijk niet nuttig kunnen worden ingezet binnen de medische wereld. Daardoor staat het werkveld terughoudend tegenover de BMH-opleiding en worden stages vrijwel niet aangeboden. Hier komt bij dat het gebrek aan stageplaatsen het gevolg is van bestaande ‘in-service’-opleidingen (binnen de ziekenhuizen). Voorts is onzorgvuldig gehandeld omdat de Studenten, na het afronden van de BMH-opleiding, een maatschappelijk waardeloos diploma hebben omdat zij geen BIG-registratie voor deze opleiding krijgen en er daarom voor hen geen passende plek op de arbeidsmarkt beschikbaar is.
Hogeschool Rotterdam had de Studenten van begin af aan hierover moeten informeren en hiervoor moeten waarschuwen. Hogeschool Rotterdam is, aldus nog steeds de Studenten, de onderwijsovereenkomsten niet deugdelijk nagekomen en/of heeft onrechtmatig jegens hen gehandeld. De Studenten houden Hogeschool Rotterdam aansprakelijk voor de schade die zij hierdoor lijden.
4.3
Hogeschool Rotterdam heeft betwist dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de onderwijsovereenkomsten of onzorgvuldig en/of onrechtmatig jegens de Studenten heeft gehandeld. Verder heeft zij betwist dat, voor zover bij de Studenten daadwerkelijk sprake is van ongebruikelijke studievertragingen, deze vertragingen het gevolg zijn van stage-tekorten, zodat er (telkens) geen schade is geleden die in causaal verband staat met de door de Studenten gestelde tekortkomingen van Hogeschool Rotterdam.
4.4
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en onder meer de Studenten veroordeeld in de proceskosten. Kort samengevat is de rechtbank tot dit oordeel gekomen omdat de Studenten tegenover het uitvoerige (causaliteits)verweer van Hogeschool Rotterdam hun stelling dat de studievertraging is veroorzaakt door schaarste aan stageplekken (veronderstellenderwijs daarvan uitgaande) onvoldoende gemotiveerd hebben gehandhaafd.
4.5
Daarnaast hebben de Studenten hun stelling dat zij geen passend werk hebben kunnen vinden vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van BIG-registratie, onvoldoende onderbouwd, zodat zij niet hebben voldaan aan hun stelplicht, en hebben zij in strijd met art. 21 Rv Pro gezwegen over alle vertraging veroorzakende feiten en omstandigheden, aldus nog steeds de rechtbank.

5.Procedure bij het hof

5.1
De Studenten zijn in hoger beroep gekomen van het vonnis. Zij vorderen bij het hof hetzelfde als bij de rechtbank. Zij hebben meerdere grieven tegen het vonnis gericht. Hogeschool Rotterdam heeft de grieven gemotiveerd bestreden.
5.2
Hun grieven 1 en 2 bevatten klachten over de afwijzing van hun vorderingen op de grondslag stage-schaarste, zoals weergegeven in overwegingen 3.1 t/m 3.10 van het vonnis. Het hof zal deze twee grieven hierna samen bespreken.
5.3
Grief 3 gaat over het gebrek aan mogelijkheden tot het vinden van passend werk voor [naam 1] (oorspronkelijk appellante nummer 4) wegens het ontbreken van de mogelijkheid tot BIG-registratie.
5.4
Grief 4 gaat over de proceskostenveroordeling en heeft geen zelfstandige betekenis.

6.Beoordeling in hoger beroep

Grief 3 (BIG-registratie)

6.1
Deze grief 3 betrof moeilijkheden bij het vinden van passend werk voor [naam 1] wegens het ontbreken van de mogelijkheid tot BIG-registratie. Aangezien [naam 1] haar hoger beroep heeft ingetrokken, is het belang aan deze grief komen te ontvallen. Het verwijt aan Hogeschool Rotterdam dat de Studenten door het gebrek aan inbedding in de Wet BIG geen passend werk hebben kunnen vinden, is dus in hoger beroep niet meer aan de orde, althans is behalve voor [naam 1] niet toegelicht. De grief treft daarom geen doel.
De grieven 1 en 2 (stage-schaarste)Stage-schaarste en toerekenbare tekortkoming (algemeen)
6.2
Het hof stelt het volgende voorop.
De Studenten hebben allen een vierjarige onderwijsovereenkomst gesloten met Hogeschool Rotterdam. Onderdeel daarvan is onder meer het volgen van verplichte stages in het derde en vierde studiejaar, waarvoor studiepunten worden toegekend. Op grond van artikel 7.4 lid 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) wordt een opleiding zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar is gebaseerd (in dit geval 60 studiepunten).
Als enerzijds gesteld en niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken staat vast dat de BMH-opleiding door diverse oorzaken te kampen heeft (gehad) met een tekort aan geschikte, tijdige, stageplaatsen voor BMH-studenten; er was schaarste aan stageplekken. In zoverre heeft Hogeschool Rotterdam niet steeds kunnen voldoen aan haar hoofdverplichting om haar studenten in staat te stellen telkens hun jaarlijkse studiepunten te behalen; dus om de studenten in staat te stellen om zonder noemenswaardige studievertraging de studie binnen vier jaren af te ronden.
6.3
Het komt voor risico van Hogeschool Rotterdam wanneer zij haar verplichtingen uit haar onderwijsovereenkomst wegens schaarste aan stageplekken niet kan waarmaken. Dit geldt temeer, nu Hogeschool Rotterdam voorafgaande aan de start van de opleiding signalen heeft gekregen (zie onder meer de weergave bij de feiten) dat het vinden van voldoende stageplaatsen om diverse redenen op problemen zou kunnen stuiten. In dit verband noemt het hof het gegeven dat Hogeschool Rotterdam voorafgaande aan de start van de opleiding wist dat de BIG-registratie nog niet mogelijk was (en dat zij op wijziging hiervan slechts indirect invloed zou kunnen uitoefenen, aangezien aanpassing van de wet tot de verantwoordelijkheid van de overheid behoort) en wist dat dit belemmerend zou kunnen werken op het beschikbaar stellen van stageplaatsen. Er is geen aanwijzing dat zij alle Studenten hiervoor voldoende duidelijk en tijdig heeft gewaarschuwd.
6.4
De omstandigheid dat Hogeschool Rotterdam zich naar haar zeggen meer dan voldoende heeft ingespannen om uiteindelijk stageplaatsen te regelen ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid voor de overeengekomen studieduur, ook niet nu zij naar haar zeggen met deze opleiding tegemoetkwam aan een maatschappelijk probleem.
6.5
Voor zover Hogeschool Rotterdam niet heeft voldaan aan de verplichting de opleiding zodanig in te richten dat de student de mogelijkheid heeft om zijn studie in vier jaar af te ronden, is zij tegenover de betrokken student tekortgeschoten in haar verplichting uit de onderwijsovereenkomst en haar verplichting op grond van art. 7.4 lid 2 WHW. Deze tekortkoming is ook toerekenbaar aan Hogeschool Rotterdam (behoudens bij bijzondere omstandigheden, die in deze procedure niet zijn gesteld of gebleken). De Studenten hebben naast wanprestatie ook een beroep gedaan op onrechtmatige daad. Uitgangspunt is dat een enkele tekortkoming in de nakoming van een verbintenis niet als zodanig grond oplevert voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt een handeling die wanprestatie oplevert, tevens als een onrechtmatige daad beschouwd waarop artikel 6:162 BW Pro van toepassing is. Deze samenloop doet zich voor wanneer onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding. Daarvan is hier geen sprake.
Causaal verband met de schade
6.6
Zoals Hogeschool Rotterdam terecht aanvoert (en de Studenten erkennen) kan schade die is veroorzaakt door het gebrek aan studievoortgang (mede) veroorzaakt zijn door omstandigheden die niet voor rekening komen van Hogeschool Rotterdam. De gestelde tekortkoming van Hogeschool Rotterdam betreft immers de stage-schaarste tijdens de studie. Vertragingen die Studenten tijdens hun studie hebben opgelopen door andere oorzaken dan gebrek aan stageplaatsen (bijvoorbeeld vertraging door het niet direct halen van tentamens of door te kiezen voor een studieonderbreking) komen niet voor vergoeding door Hogeschool Rotterdam in aanmerking. Op de Studenten rust de stelplicht (en bij betwisting de bewijslast) dat de studievertraging in hun geval is veroorzaakt door schaarste aan stageplaatsen.
6.7
Hogeschool Rotterdam heeft in eerste aanleg en hoger beroep de schadevordering gemotiveerd betwist. Zij heeft (per Student) gedetailleerd en onderbouwd betoogd dat de studievertraging van de betrokken Studenten niet was gelegen in schaarste aan stageplekken, maar in tal van andere, niet voor haar rekening komende, omstandigheden, zoals onvoldoende studieresultaten, niet reageren op sollicitatieoproepen, uitschrijven bij de BMH-opleiding, overstappen naar een andere opleiding, mentale klachten, ziekte, ontoereikende interesse en de Covid-19 pandemie. De Studenten hebben in eerste aanleg op dit uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam slechts (te) beperkt gereageerd. De Studenten hebben in hoger beroep (ter herstel van verzuim) deels wél inhoudelijk gereageerd en (deels) nader gesteld waarom zij studievertraging (mede) door stage-schaarste opliepen. Gelet op het partijdebat, te weten wat partijen enerzijds hebben aangevoerd en anderzijds wel of juist niet (voldoende onderbouwd) hebben betwist, komt het hof tot het oordeel dat bij na te noemen Studenten de gestelde studievertraging
nietis veroorzaakt doordat de Hogeschool Rotterdam geen (tijdige) stageplaats voor hen beschikbaar had (stage-schaarste), maar door andere omstandigheden. Dat betekent dat zij de schade door hun studievertraging niet op Hogeschool Rotterdam kunnen verhalen. Hun schadevergoedingsvordering zal het hof dus afwijzen.
Afwijzing schadevergoeding gevorderd door Studenten (4) [appellant 3] , (6) [appellant 5] , (7) [appellant 6] , (10) [appellant 9 ] , (11) [appellant 10] , (13) [appellant 12] , (15) [appellant 15] en (19) [appellant 19] .
6.8
Het hof zal hierna toelichten waarom na te noemen Studenten geen aanspraak hebben op schadevergoeding door Hogeschool Rotterdam. Hierbij noemt het hof de Student bij achternaam, terwijl, zoals eerder aangegeven, het nummer verwijst naar het appellantnummer op de appeldagvaarding.
[appellant 3] (4).
6.9
In eerst aanleg heeft [appellant 3] over haar vertraging alleen aangevoerd dat zij in 2015 met de BMH-opleiding is begonnen en deze naar verwachting in 2024 zal afronden.
6.1
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord, voor zover van belang, gemotiveerd en gedocumenteerd betwist dat de studievertraging van [appellant 3] te maken heeft gehad met een tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft in dit verband onder meer het volgende naar voren gebracht:
• [appellant 3] is in studiejaar 2015-2016 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2019 zijn afgestudeerd.
• [appellant 3] heeft in haar tweede studiejaar (2016-2017) studievertraging opgelopen als gevolg van persoonlijke omstandigheden [hof: blijkens de memorie van grieven wegens zwangerschap van [appellant 3] ].
• [appellant 3] heeft in haar derde studiejaar (2017-2018) studievertraging opgelopen als gevolg van ernstige mentale klachten en heeft in dat jaar niet voldaan aan de stagedrempel.
• [appellant 3] had aan het einde van haar derde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 45 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van negen maanden).
• [appellant 3] kampte aan het einde van studiejaar 2018-2019, waarin zij bij een nominaal studieverloop zou zijn afgestudeerd, met een Theoretische Achterstand van 89 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van ruim een jaar en vijf maanden).
• [appellant 3] heeft zich in september 2019 uitgeschreven bij de BMH-opleiding en is toen overgestapt naar de Verpleegkundeopleiding.
6.11
[appellant 3] heeft hier in hoger beroep (in bijlage 41), samengevat, als volgt op gereageerd:
Zij is in september 2015 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Chirurgie". Zij had in de zomer van 2019 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd stil komen te liggen. In haar derde jaar was voor [appellant 3] geen stage beschikbaar in verband met het stagetekort. Op aandringen van Hogeschool Rotterdam is zij in juli 2019 overgestapt naar de verkorte variant hbo-Verpleegkunde van drie jaar, waardoor zij op zijn vroegst in de zomer van 2022 haar hbo-diploma kan behalen en dus drie jaar studievertraging heeft. Hiervan komt één jaar voor eigen rekening en risico van [appellant 3] ; zij is in haar tweede jaar zwanger geraakt en moest hierdoor haar tweede jaar opnieuw doorlopen. De studievertraging - welke zuiver samenhangt met het stagetekort en de problematiek rondom de BMH-opleiding - komt dus neer op twee jaar.
6.12
[appellant 3] heeft aldus het door Hogeschool Rotterdam geschetste studieverloop en de oorzaken daarvan in hoger beroep niet betwist. Zij heeft slechts gesteld dat in haar derde jaar geen stageplaats beschikbaar was wegens een tekort aan stageplaatsen. Zij heeft niet toegelicht waarom zij, ondanks haar ondermaatse studieresultaten en het niet behalen van de stagedrempel, wel in aanmerking zou zijn gekomen voor een stageplaats in haar derde en vierde jaar. Het hof gaat er daarom als niet, dan wel onvoldoende, weersproken van uit dat [appellant 3] niet in aanmerking kwam voor stages wegens onvoldoende studieresultaten. Onder deze omstandigheden valt Hogeschool Rotterdam hiervan geen verwijt te maken.
6.13
[appellant 3] is vervolgens in 2019 overgestapt naar de opleiding Verpleegkunde. Vanaf dat moment viel zij niet meer onder de verantwoordelijkheid van Hogeschool Rotterdam. Los van de op het eerste gezicht logische overstap, is niet relevant dat de overstap op aandringen van Hogeschool Rotterdam is gedaan, omdat [appellant 3] daarvoor uiteindelijk kennelijk zelf heeft gekozen.
6.14
Het voorgaande betekent dat [appellant 3] niet in aanmerking komt voor schadevergoeding wegens tekortkomingen van Hogeschool Rotterdam. Het hof zal deze vordering daarom aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 5] (6)
6.15
In eerst aanleg heeft [appellant 5] in dit verband alleen aangevoerd dat zij in 2013 met de BMH-opleiding is begonnen en dat nog niet bekend is wanneer zij deze zal afronden.
6.16
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord, samengevat, gemotiveerd en gedocumenteerd betwist dat de studievertraging van [appellant 5] te maken heeft gehad met een tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht:
• [appellant 5] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 5] heeft zich per 31 augustus 2017 uitgeschreven bij de BMH-opleiding.
• Voor [appellant 5] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar.
• [appellant 5] voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage. Op dat moment waren er ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar.
• [appellant 5] heeft verschillende keren gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek bemachtigd.
• [appellant 5] heeft zich in augustus 2017 uitgeschreven. Zij had op het moment van uitschrijven nog een Theoretische Achterstand van 23 studiepunten (hetgeen overeenkomt met een studiebelasting van ruim vier maanden).
Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt volgens Hogeschool Rotterdam dat [appellant 5] op het moment van uitschrijven al studievertraging had opgelopen die samenhangt met Theoretische Achterstanden. Zij voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor de vierdejaarsstage. Zij is bij sollicitaties verschillende keren afgewezen, hetgeen aan [appellant 5] zelf valt toe te rekenen. Bovendien is [appellant 5] al in augustus 2017 (en dus drie maanden na het voldoen aan de stagedrempel) gestopt met de BMH-opleiding. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen enige door [appellant 5] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.
6.17
[appellant 5] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (met name in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Operatie assistent". [appellant 5] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie komen stil te liggen. In haar vierde jaar heeft [appellant 5] ruim zeven maanden gewacht op een stageplek. Doordat er geen (concreet) uitzicht was op een stageplek heeft [appellant 5] noodgedwongen haar studie in de zomer van 2017 moeten stopzetten.
6.18
Het hof oordeelt als volgt. [appellant 5] is, hoewel zij daartoe zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad, niet ingegaan op het verweer van Hogeschool Rotterdam (i) dat tijdig een derdejaarsstage beschikbaar was en (ii) dat zij in april 2017 voldeed aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage en er toen ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar waren. Evenmin heeft [appellant 5] gereageerd op het verweer van Hogeschool Rotterdam (iii) dat zij verschillende keren heeft gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek heeft bemachtigd. [appellant 5] heeft volstaan met de stelling dat de studie door gebrek aan stageplaatsen is komen stil te liggen. Dit is, gelet op het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam, onvoldoende. [appellant 5] heeft aldus haar stelling dat zij niet tijdig heeft kunnen afstuderen door gebrek aan stageplaatsen niet deugdelijk onderbouwd. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 5] reeds nu afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 6] (7)
6.19
In eerste aanleg heeft [appellant 6] in verband met studievertraging alleen de startdatum genoemd, namelijk september 2013, en de (verwachte) einddatum 10 oktober 2022.
6.2
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 6] dat haar studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te wijten is:
• Voor [appellant 6] was in haar derde studiejaar (2015-2016) tijdig een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, waarvoor zij een onvoldoende heeft behaald.
• [appellant 6] had aan het einde van haar vierde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 43 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,6 maanden).
• [appellant 6] heeft in haar vijfde studiejaar (2017-2018) zelf besloten om niet te solliciteren op beschikbare stages.
• [appellant 6] had aan het einde van haar vijfde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 33 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 6,6 maanden).
• [appellant 6] had aan het einde van haar zesde studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 11 studiepunten en aan het eind van haar zevende studiejaar een Theoretische Achterstand van 6 studiepunten.
• [appellant 6] is in studiejaar 2020-2021 niet op gesprekken komen opdagen en heeft niet gereageerd op beschikbare stages. Zij is in dat jaar een andere opleiding gestart, die zij weer heeft gestaakt.
• [appellant 6] is in studiejaar 2021-2022 afgewezen voor mogelijke stages op basis van haar curriculum vitae. Zij is vanwege persoonlijke omstandigheden niet naar een sollicitatiegesprek gegaan.
• [appellant 6] heeft haar vierdejaarsstage in haar tiende studiejaar (2021-2022) op 15 juni 2022 gedaan, maar heeft daarna een onvoldoende gehaald voor haar eindassessment.
6.21
[appellant 6] heeft dit verweer niet weersproken, hoewel ze daartoe zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad. Zij heeft in geen enkel opzicht gereageerd. Dit betekent dat vaststaat (i) dat er voor haar in haar derde studiejaar een stageplaats beschikbaar was, waarvoor ze een onvoldoende heeft gehaald, (ii) dat ze in de jaren daarna (forse) studieachterstanden heeft behouden, (iii) dat ze in haar vijfde studiejaar niet heeft gesolliciteerd op (kennelijk wel) beschikbare stages, (iv) dat ze in haar achtste studiejaar niet is komen opdagen op gesprekken en niet heeft gereageerd op beschikbare stages, (v) dat ze in haar negende studiejaar is afgewezen voor mogelijke stages wegens haar (ontoereikende) curriculum vitae, terwijl (vi) zij in haar tiende studiejaar haar vierdejaarsstage – die kennelijk wel beschikbaar was – heeft behaald.
6.22
Al met al gaat het hof ervan uit dat aan [appellant 6] in haar derde studiejaar wel degelijk een stageplaats beschikbaar is gesteld, terwijl daarna slechte studieresultaten en andere (persoonlijke) omstandigheden tot de studievertraging hebben geleid en niet het gebrek aan stageplaatsen. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 6] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 9 ] (10)
6.23
In eerste aanleg heeft [appellant 9 ] in het kader van studievertraging slechts zijn studiestartdatum genoemd, namelijk september 2013, en dat de einddatum (nog) niet bekend is.
6.24
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 9 ] dat zijn studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te wijten is:
• [appellant 9 ] is, anders dan gesteld, in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 9 ] heeft gedurende zijn studie 2,5 jaar (namelijk tussen 10 juli 2017 en oktober 2019) geen onderwijs gevolgd en niets van zich laten horen, en zich op 31 augustus 2020 uitgeschreven bij de BMH-opleiding.
• Voor [appellant 9 ] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar, die niet is doorgegaan vanwege privéomstandigheden als gevolg waarvan [appellant 9 ] een lange periode in het buitenland heeft doorgebracht.
• [appellant 9 ] heeft naast zijn BMH-opleiding een opleiding tot wijkverpleegkundige gevolgd, wat heeft geleid tot studievertraging die aan [appellant 9 ] zelf is toe te rekenen.
• [appellant 9 ] had in studiejaar 2015-2016 (het jaar waarin hij zou zijn afgestudeerd bij een nominaal studieverloop) een Theoretische Achterstand van 81 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en vier maanden).
• [appellant 9 ] had aan het eind van studiejaar 2016-2017 een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden).
• [appellant 9 ] heeft in de studiejaren 2017-2018, 2018-2019 én 2019-2020 geen enkel studiepunt gehaald en had op het moment dat hij zich uitschreef bij de BMH-opleiding een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden).
• Voor [appellant 9 ] heeft altijd een volledig studiejaar van 60 studiepunten aan onderwijs ter beschikking gestaan.
Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt dat de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke omstandigheden. Voor [appellant 9 ] heeft bovendien altijd een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking gestaan. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.
6.25
[appellant 9 ] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd.
Hij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Anesthesie". [appellant 9 ] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 9 ] heeft tijdens zijn studie slechts 9 weken stage kunnen lopen (te weten de snuffelstages in jaar 1 en 2). Voor [appellant 9 ] was nimmer een derde- of vierdejaarsstage beschikbaar. Uit wanhoop (en op advies van Hogeschool Rotterdam) is [appellant 9 ] in het studiejaar 2020-2021 overgestapt naar de in-service opleiding tot anesthesiemedewerker. Op het moment van overstap moest [appellant 9 ] nog anderhalf jaar stage lopen om zijn BMH-diploma te kunnen behalen. [appellant 9 ] zou dan ook (in de meest rooskleurige hypothetische situatie) eerst in februari 2022 zijn diploma hebben kunnen behalen. [appellant 9 ] ziet zich dan ook geconfronteerd met een (minimale) afstudeervertraging van 54 maanden die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen.
6.26
Tegenover de stelling van Hogeschool Rotterdam dat de derdejaarsstage wél beschikbaar was, maar niet is doorgegaan vanwege privé-omstandigheden, als gevolg waarvan [appellant 9 ] lange tijd in het buitenland verbleef, heeft hij slechts (ongemotiveerd) gesteld dat de stage niet beschikbaar was. Hij heeft niet bestreden dat hij langere tijd naar het buitenland is gegaan en drie studiejaren lang geen studiepunten haalde. Ook heeft hij niet bestreden dat hij naast zijn BMH-opleiding de opleiding wijkverpleegkundige heeft gevolgd en dat dat mede de studievertraging in de BMH-opleiding verklaart. Aldus heeft hij niet deugdelijk onderbouwd dat de studievertraging is veroorzaakt doordat er geen stageplek voor hem was. Dit betekent dat het hof zijn schadevordering zal afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 10] (11)
6.27
In eerste aanleg heeft [appellant 10] over haar studievertraging alleen haar startdatum, september 2013, genoemd en aangegeven dat de einddatum (nog) niet bekend is.
6.28
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd tegen de stelling van [appellant 10] dat haar studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te verwijten is:
* [appellant 10] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 10] heeft zich op 31 oktober 2016 uitgeschreven bij de BMH-opleiding.
• [appellant 10] heeft zélf besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en heeft specifiek voor die periode gesolliciteerd.
• [appellant 10] heeft een stageplaats geweigerd vanwege de reisafstand en is afgewezen na een andere sollicitatie. Daarnaast heeft [appellant 10] ervoor gekozen om niet te solliciteren naar beschikbare stages.
• [appellant 10] is halverwege studiejaar 2016-2017, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, gestopt met de BMH-opleiding.
• [appellant 10] had op het moment van stoppen een Theoretische Achterstand van 64 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim een jaar), en er
stond voor [appellant 10] op dat moment dus een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking.
Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt, aldus nog steeds Hogeschool Rotterdam, dat de door [appellant 10] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke keuzes en Theoretische Achterstanden die aan Karteler zelf zijn toe te rekenen. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat er enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 10] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.
6.29
[appellant 10] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd.
Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Chirurgie". Zij had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 10] kon in haar derde studiejaar geen stage lopen in verband met het stagetekort. [appellant 10] heeft haar volledige derde en vierde studiejaar tevergeefs gewacht op een derdejaarsstage. [appellant 10] is in haar vierde studiejaar gestopt met de BMH-opleiding omdat zij verdere vertraging en schade wilde voorkomen.
6.3
Het hof overweegt dat [appellant 10] slechts met ‘blote stellingen’ (algemeenheden) heeft gereageerd op het verweer van Hogeschool Rotterdam. Zij is niet ingegaan op de stellingen van Hogeschool Rotterdam dat zij zélf heeft besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en ook specifiek voor die periode heeft gesolliciteerd, dat zij een stageplaats, die dus kennelijk wèl beschikbaar was, heeft geweigerd vanwege de reisafstand, dat zij is afgewezen na een andere sollicitatie en dat zij ervoor heeft gekozen om niet te solliciteren voor (wèl) beschikbare stages. Ten minste had van [appellant 10] gevergd mogen worden gemotiveerd toe te lichten dat en waarom het verweer van Hogeschool Rotterdam (kort samengevat dat zij door eigen keuzes geen stage liep) niet klopte. Aldus heeft [appellant 10] niet voldoende onderbouwd dat zij schade heeft gelede die werd veroorzaakt door een tekort aan stageplaatsen. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 10] terstond afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 12] (13)
6.31
In eerste aanleg heeft [appellant 12] slechts haar studiestartdatum genoemd, namelijk september 2016, en de einddatum 28 september 2021.
6.32
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd tegen de stelling van [appellant 12] dat zij door stage-schaarste vertraging heeft opgelopen:
* [appellant 12] is in studiejaar 2016-2017 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2020 zijn afgestudeerd. [appellant 12] heeft haar vierdejaarsstage behaald op 25 augustus 2021 en is afgestudeerd in september 2021. [appellant 12] is dus afgestudeerd met een vertraging van 13 maanden.
• [appellant 12] had aan het eind van studiejaar 2019-2020, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,4 maanden).
• [appellant 12] is verschillende keren afgewezen voor haar derdejaarsstage na door haar gevoerde sollicitatiegesprekken.
• [appellant 12] heeft in de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021 vertraging in haar stages opgelopen vanwege de Covid-19 pandemie, die niet aan Hogeschool Rotterdam kan worden toegerekend en waarvoor [appellant 12] reeds een vergoeding van het profileringsfonds heeft ontvangen.
* [appellant 12] heeft het causaal verband tussen stage-schaarste en haar studievertragingen dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
6.33
[appellant 12] heeft hier in hoger beroep (in bijlage 41), samengevat, het volgende tegenovergesteld.
Zij is in september 2016 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Chirurgie". Zij zou in de zomer van 2020 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. Zij heeft haar gehele derde studiejaar moeten wachten op een stage. Aan haar is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Eerst in haar vierde studiejaar heeft zij een derdejaarsstage weten te bemachtigen. In februari 2021 heeft zij eindelijk kunnen starten met haar afstudeerstage. De afstudeerstage duurt zes maanden.
Zij heeft voor het overige nominaal gestudeerd en ziet zich (bij afstuderen per 30 september 2021) geconfronteerd met een afstudeervertraging die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van dertien maanden.
6.34
[appellant 12] heeft aldus niet bestreden dat zij (i) in haar vierde studiejaar een achterstand had van 42 studiepunten, dat zij (ii) verschillende keren is afgewezen voor stageplekken voor haar derdejaarsstage en dat zij (iii) in de studiejaren 2019-2021 vertraging in haar stages heeft opgelopen vanwege de Covid-situatie.
6.35
Aldus staat vast (a) dat [appellant 12] studievertraging heeft opgelopen tijdens de Covid-periode (deze liep van maart 2020 tot begin 2021 zoals van algemene bekendheid is) en dus niet vanwege een verwijtbare stage-schaarste. Daarnaast staat als niet weersproken vast (b) dat [appellant 12] verschillende keren is afgewezen voor derdejaars stageplekken, terwijl (c) [appellant 12] in haar (nominale) vierde studiejaar een Theoretische Achterstand had van 42 studiepunten. Dit zijn, bij gebreke van door [appellant 12] aan te voeren andersluidende concrete gegevens, allemaal omstandigheden die niet voor rekening van Hogeschool Rotterdam komen. De stelling van [appellant 12] dat zij haar hele derde studiejaar tevergeefs heeft gewacht op een stageplaats, is in het licht van het verweer van Hogeschool Rotterdam ontoereikend. Aldus heeft [appellant 12] , op wie de stelplicht rust, niet deugdelijk onderbouwd dat de gestelde schaarste aan stageplaatsen de oorzaak is geweest van haar studievertraging. Dit betekent dat het hof de schadevordering van [appellant 12] aanstonds zal afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 15] (15)
6.36
In eerste aanleg heeft [appellant 15] slechts haar studiestartdatum, september 2012, genoemd en de (verwachte) einddatum juli 2024.
6.37
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 15] dat haar studievertraging te wijten is aan Hogeschool Rotterdam:
• [appellant 15] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 15] verwacht blijkens de dagvaarding in juli 2024 af te studeren.
• Voor [appellant 15] was in haar derde studiejaar (2014-2015) een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, die voortijdig is afgebroken vanwege het ontstaan van onveilige situaties.
• [appellant 15] heeft in haar vierde studiejaar (2015-2016) tussen juli 2015 en januari 2016 een periode geen onderwijs kunnen volgen als gevolg van gezondheidsproblemen.
• [appellant 15] had aan het eind van haar vierde studiejaar (2015-2016), haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 28 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 5,5 maand).
• [appellant 15] had aan het eind van haar vijfde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 19 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna vier maanden).
• [appellant 15] had aan het eind van haar zesde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 15 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van drie maanden).
• [appellant 15] had aan het eind van haar zevende en achtste studiejaar (2018-2019 en 2019-2020) een Theoretische Achterstand van 9 studiepunten (wat neerkomt op een studiebelasting van bijna twee maanden).
• De derdejaarsstage van [appellant 15] is in studiejaar 2018-2019 voor een tweede keer vroegtijdig afgebroken om de veiligheid van de patiënten te waarborgen.
• [appellant 15] heeft in oktober 2018 zelf aangegeven geen intrinsieke motivatie te hebben voor het vak, maar slechts door te gaan vanwege een studieschuld.
• De derde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar achtste studiejaar (2019-2020) is voor een derde keer per direct gestopt vanwege een gebrek aan theoretische kennis.
• [appellant 15] heeft haar afstudeeropdracht in haar negende studiejaar (2020-2021) pas bij een zevende poging met succes afgerond.
• De vierde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar tiende studiejaar (2021-2022) is voor de vierde keer vroegtijdig gestaakt vanwege onvoldoende niveau in handelen en kennis en onveilig handelen in de praktijk.
• [appellant 15] heeft geen gebruik gemaakt van het aan haar aangeboden onderwijs om haar theoretische kennis op peil te krijgen.
Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 15] en met name het feit dat (i) [appellant 15] behoorlijke Theoretische Achtstanden had en (ii) haar derdejaarsstage tot vier keer toe vroegtijdig is beëindigd vanwege het ontstaan van onveilige situaties en onvoldoende theoretische basis, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 15] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.
6.38
[appellant 15] heeft hier in hoger beroep, samengevat, het volgende tegenovergesteld.
Zij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Anesthesie". Zij had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 15] heeft in totaal drie jaar moeten wachten op een (afstudeer)stage. Aan [appellant 15] is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Op dit moment heeft [appellant 15] wel al haar scriptie (en overige vakken) kunnen afronden maar wacht zij nog steeds op een stage. Indien [appellant 15] een stage aangeboden krijgt zal zij in de zomer van 2022 haar diploma kunnen behalen. [appellant 15] ziet zich thans geconfronteerd met een studievertraging van minimaal zes jaar.
6.39
[appellant 15] heeft niet betwist (zodat voor het hof vaststaat): (i) dat zij tijdens haar studie een half jaar ziek is geweest, (ii) dat haar derdejaarsstage viermaal voortijdig is afgebroken, dit wegens onveilige situaties (voor de patiënten, begrijpt het hof) en onvoldoende kennisniveau, (iii) dat zij bij herhaling onvoldoende studiepunten heeft behaald en (iv) dat zij haar afstudeeropdracht pas bij de zevende poging heeft gehaald. Aldus staat vast dat aan [appellant 15] wel degelijk stageplekken zijn aangeboden, maar dat zij de stages niet heeft voltooid om redenen die niet voor rekening van Hogeschool Rotterdam komen. Onder deze omstandigheden valt Hogeschool Rotterdam geen verwijt te maken van de opgelopen studievertraging. [appellant 15] heeft volstrekt onvoldoende onderbouwd dat in haar geval schaarste aan stageplekken de oorzaak van de studievertraging is geweest. Daarom zal het hof de vordering van [appellant 15] tot schadevergoeding wegens stageschaarste aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
[appellant 19] (19)
6.4
In eerste aanleg heeft [appellant 19] slechts zijn studiestartdatum genoemd, september 2012, en de (verwachte) einddatum als ‘nog niet bekend’ opgegeven. Daarnaast heeft hij een e-mail van 9 februari 2015 overgelegd over “Volgorde van indeling bij nieuwe stageplaatsen” waarin de Hogeschool Rotterdam aan hem en andere studenten schrijft dat er op dat moment een tekort aan stageplaatsen is waardoor bepaalde studenten de eerste voorkeur krijgen bij het vrijkomen van een stageplaats.
6.41
Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord (onderbouwd met producties) met name het volgende aangevoerd tegen de stelling van [appellant 19] dat hij studievertraging door stage-tekort heeft opgelopen:
* [appellant 19] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. De afstudeerdatum van [appellant 19] is blijkens de dagvaarding nog niet bekend.
• [appellant 19] had aan het einde van zijn vierde studiejaar (2015-2016), zijn beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 52 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim tien maanden).
• [appellant 19] heeft in zijn vierde/vijfde studiejaar (2015-2016 en 2016-2017) een derdejaarsstage gelopen in Suriname waarvoor hij een onvoldoende heeft behaald.
• [appellant 19] had aan het einde van zijn vijfde én zesde studiejaar (2016-2017en 2017-2018) een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim acht maanden).
• [appellant 19] heeft er in zijn zesde studiejaar voor gekozen niet te solliciteren op mogelijke stageplaatsen.
• [appellant 19] heeft in zijn achtste studiejaar (2019-2020) een onvoldoende behaald voor zijn derdejaarsstage in Duitsland (of in ieder geval heeft hij niet voldoende beoordelingsformulieren verzameld om een voldoende beoordeling te krijgen).
• De stage die [appellant 19] in het Erasmus MC heeft gevolgd in september 2020 is beëindigd omdat [appellant 19] "op eigen houtje handelingen heeft verricht buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus."
• [appellant 19] heeft in de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 studievertraging opgelopen vanwege persoonlijke omstandigheden.
• Een door [appellant 19] geregelde stage in studiejaar 2020-2021 kon niet doorgaan omdat [appellant 19] de afstudeeropdracht die voor deze stage een ingangseis vormde, niet op tijd had afgerond.
• [appellant 19] had aan het eind van zijn zevende studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 25 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van vijf maanden).
• [appellant 19] had aan het eind van zijn achtste, negende, tiende en elfde studiejaar een Theoretische Achterstand van 22 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna 4,5 maand).
• [appellant 19] is in zijn tiende studiejaar (2021-2022) meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken en bijeenkomsten voor langstudeerders, maar is op geen enkele bijeenkomst verschenen.
• [appellant 19] maakte in zijn elfde studiejaar (2022-2023) gebruik van simulatie-onderwijs om zijn niveau te bepalen en bevorderen.
• [appellant 19] is op dit moment nog niet klaar voor een stage vanwege onveilig handelen.
Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 19] , en met name het feit dat de studievertraging is te wijten aan Theoretische Achterstanden en persoonlijke omstandigheden die niet aan Hogeschool Rotterdam zijn toe te rekenen, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 19] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste. [appellant 19] heeft de mogelijkheid van door hem als gevolg van de stage-schaarste geleden schade, hetgeen vereist is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
6.42
[appellant 19] heeft hier in hoger beroep, samengevat, het volgende tegenovergesteld: Hij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Anesthesie". [appellant 19] had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. In zijn derde studiejaar was voor [appellant 19] geen stage beschikbaar. In zijn vierde studiejaar was enkel een stage beschikbaar in Suriname. [appellant 19] heeft deze stage geaccepteerd en is in april 2016 vertrokken naar Paramaribo. Bij afronding van zijn stage en terugkeer uit Suriname was voor [appellant 19] geen afstudeerstage beschikbaar. In zijn zevende studiejaar werd [appellant 19] geïnformeerd over het feit dat Hogeschool Rotterdam ging stoppen met de afstudeerrichting “Anesthesie”. Noodgedwongen en op nadrukkelijke instructie van Hogeschool Rotterdam is [appellant 19] eind 2018 geswitcht naar de afstudeerrichting "Acute zorg". Helaas bleek ook bij de afstudeerrichting “Acute zorg” het stagetekort groot. [appellant 19] heeft met een paar korte stages een aantal onderdelen kunnen aftekenen maar er resten nog 14 onderdelen. Aan [appellant 19] is toegezegd dat hij in de zomer van 2021 deze resterende 14 onderdelen mag gaan aftekenen. Dit zou betekenen dat [appellant 19] in februari 2022 kan afstuderen. Bij die stand van zaken ziet [appellant 19] zich geconfronteerd met een afstudeervertraging welke zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van 5,5 jaar.
6.43
[appellant 19] is blijkens het voorgaande op geen enkele manier ingegaan op de door Hogeschool Rotterdam genoemde ‘belabberde’ studie- en stageresultaten. Evenmin heeft hij de oorzaak van de vertraging in 2021 en 2022 wegens persoonlijke omstandigheden toegelicht. Vast staat dan ook (i) dat hij een onvoldoende heeft gehaald voor zijn stage in Suriname, (ii) dat hij een onvoldoende heeft gehaald voor zijn stage in Duitsland, (iii) dat zijn stage in het Erasmus MC is beëindigd wegens
"op eigen houtje handelingen verrichten buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus.", (iv) dat hij op dit moment nog niet klaar is voor een stage ‘wegens onveilig handelen’, terwijl (v) ook zijn theoretische vaardigheden onder de maat zijn gebleven. Zelfs al neemt het hof veronderstellenderwijs aan dat zijn stageplaatsen aanvankelijk niet beschikbaar waren, dan nog is er geen aanwijzing dat [appellant 19] , gelet op zijn zorgelijke, ontoereikende, stagehistorie op de momenten waarop hij wèl stage kon lopen en zijn gebrekkige theoretische studieresultaten, een succes had weten te maken van eventuele tijdig beschikbare stageplaatsen. [appellant 19] had als partij die voor meer dan vijf jaren vertraging een schadevergoeding van de Hogeschool Rotterdam eist, meer inzicht hierin moeten geven. Dit heeft hij niet gedaan. [appellant 19] heeft aldus tegenover het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam niet deugdelijk onderbouwd dat hij studievertraging heeft opgelopen door voor rekening van Hogeschool Rotterdam komende tekortkomingen. De oorzaak ervan ligt ‘op zijn eigen bordje’. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 19] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
Verwijzing naar de schadestaatprocedure van de zaken van de volgende elf Studenten, te weten [appellant] (1), [appellant 1] (2), [appellant 2] (3), [appellant 4] (5), [appellant 7] (8), [appellant 8] (9), [appellant 11] (12), [appellant 13] (14), [appellant 16] (16), [appellant 17] (17) en [appellant 18] (18).
6.44
Niet zonder meer duidelijk is of en zo ja in welke mate de overige elf Studenten aanspraak hebben op schadevergoeding wegens stage-schaarste. Dit vergt, gelet op de verweren van Hogeschool Rotterdam en de nadere stellingen van deze Studenten in hoger beroep, een grondige individuele beoordeling, met name van de vraag of en, zo ja, in welke mate zij schade hebben geleden vanwege studievertraging door stage-schaarste. Begroting van de door hen gevorderde schadevergoeding vanwege stage-schaarste is thans nog niet mogelijk. Anders dan Hogeschool Rotterdam heeft betoogd, hebben deze Studenten in hoger beroep (ter herstel van verzuimen) wel
aannemelijk gemaakt(volledig bewijs is in dit stadium nog niet nodig) dat bij ieder van hen sprake is van een
mogelijkheid van schadedie is veroorzaakt door stage-schaarste. Daarom zal het hof deze zaken verwijzen naar de schadestaatprocedure. Vordering II is in zoverre toewijsbaar.
6.45
Voor de goede orde wijst het hof in dit stadium nog op het volgende.
6.46
Voor zover de Studenten de omvang van hun schadevorderingen hebben gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Studievertraging, is het hof van oordeel dat deze richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is. De gestelde schade wegens studievertraging is immers niet door een ongeval veroorzaakt. Verder is, zoals hiervoor ook is overwogen, de opgelopen studievertraging die is veroorzaakt door maatregelen van overheidswege in de Covid-periode, niet aan Hogeschool Rotterdam toe te rekenen.
6.47
De overige verweren van Hogeschool Rotterdam kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde worden gesteld. Dat geldt zowel voor verweren die zien op de oorzaak van studievertragingen als op verweren over de aan ieder van de Studenten te vergoeden schade (zoals bijvoorbeeld het bij memorie van antwoord gevoerde verweer dat sommige Studenten al maximaal zijn gecompenseerd voor hun studievertraging). Dit geldt ook voor de buitenrechtelijke incassokosten (vordering III) waarop deze elf Studenten aanspraak maken.
6.48
Voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht (vordering I), inhoudende dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig heeft gehandeld, naast gevorderde schadevergoeding (vordering II) hebben deze Studenten geen belang. Het hof zal deze vordering afwijzen.
Conclusie en proceskosten
6.49
Het hof komt tot de volgende conclusie:
Het hof zal het vonnis vernietigen.
Het hof zal vordering I afwijzen, omdat deze ziet op een verklaring voor recht voor alle Studenten en mede gebaseerd is op geen passend werk (grief 3) en de Studenten naast schadevergoeding geen belang hebben bij zo’n verklaring.
Het hof zal Hogeschool Rotterdam jegens voormelde elf Studenten veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (inclusief de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten) (vorderingen II en III).
Het hof zal de schadevorderingen van de overige acht Studenten afwijzen.
Het hof zal de proceskosten compenseren, aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.
Beslissing
Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024;
  • veroordeelt Hogeschool Rotterdam tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de zaken van de Studenten (1) [appellant] , (2) [appellant 1] , (3) [appellant 2] , (5) [appellant 4] , (8) [appellant 7] , (9) [appellant 8] , (12) [appellant 11] , (14) [appellant 13] , (16) [appellant 16] , (17) [appellant 17] en (18) [appellant 18] ;
  • bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, T.G. Lautenbach en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.