Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
(na intrekking van het hoger beroep door vijf appellanten, genoemd in de appeldagvaarding onder nummers 1, 4, 5, 15 en 21):
1.[appellant] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 1] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 2] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 3] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 4] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 5] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 6] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 7] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 8] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 9 ] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 10] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 11] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 12] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 13] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 15] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 16] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 17] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 18] ,wonend in [woonplaats] ,
[appellant 19] ,wonend in [woonplaats] ,
Het hof noemt geïntimeerde hierna: Hogeschool Rotterdam.
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 31 mei 2024, waarmee de Studenten (en de vijf appellanten in de appeldagvaarding genummerd 1, 4, 5, 15 en 21) in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024;
- de memorie van grieven van de Studenten (en genoemde vijf appellanten), met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Hogeschool Rotterdam, met bijlagen;
- de akte van de oorspronkelijke appellanten 1, 4, 5, 15 en 21, waarbij deze hun hoger beroep hebben ingetrokken; en
- de antwoordakte, waarbij Hogeschool Rotterdam zich akkoord heeft verklaard met de intrekking.
3.Feitelijke achtergrond
Om voor de derdejaars stages in aanmerking te komen moeten de studenten voldoende (theoretische) kennis en vaardigheden in huis hebben (hierna ook: de drempel).
(i) de beperkt beschikbare opleidingsmogelijkheden binnen de ziekenhuizen voor de BMH-er, mede gelet op de ontoereikende financiering ervan,
(ii) de ontbrekende inbedding in de Wet BIG, waardoor na afstuderen (nog) geen voorbehouden handelingen zelfstandig mogen worden verricht (anders dan bij verpleegkundigen), zodat de meerwaarde van de betreffende BMH-ers door het ‘werkveld’ minder groot zou kunnen worden ingeschat,
(iii) de noodzaak van het creëren van voldoende draagvlak in het werkveld. De opleiding moet volgens de benaderde informanten veel investeren in afstemming met vertegenwoordigers van het werkveld om de opleiding qua opzet en inhoud te laten aansluiten bij de eisen die in de praktijk aan medische hulpverleners worden gesteld én om voldoende draagvlak voor de opleiding te verwerven.
4.Procedure bij de rechtbank
I. een verklaring voor recht dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld;
II. Hogeschool Rotterdam te veroordelen tot schadevergoeding wegens dit onzorgvuldig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. Hogeschool Rotterdam te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, eveneens nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
met veroordeling van Hogeschool Rotterdam in de proceskosten.
5.Procedure bij het hof
6.Beoordeling in hoger beroep
Grief 3 (BIG-registratie)
De Studenten hebben allen een vierjarige onderwijsovereenkomst gesloten met Hogeschool Rotterdam. Onderdeel daarvan is onder meer het volgen van verplichte stages in het derde en vierde studiejaar, waarvoor studiepunten worden toegekend. Op grond van artikel 7.4 lid 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) wordt een opleiding zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar is gebaseerd (in dit geval 60 studiepunten).
Causaal verband met de schade
nietis veroorzaakt doordat de Hogeschool Rotterdam geen (tijdige) stageplaats voor hen beschikbaar had (stage-schaarste), maar door andere omstandigheden. Dat betekent dat zij de schade door hun studievertraging niet op Hogeschool Rotterdam kunnen verhalen. Hun schadevergoedingsvordering zal het hof dus afwijzen.
[appellant 3] (4).
• [appellant 3] is in studiejaar 2015-2016 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2019 zijn afgestudeerd.
• [appellant 3] heeft in haar tweede studiejaar (2016-2017) studievertraging opgelopen als gevolg van persoonlijke omstandigheden [hof: blijkens de memorie van grieven wegens zwangerschap van [appellant 3] ].
• [appellant 3] heeft in haar derde studiejaar (2017-2018) studievertraging opgelopen als gevolg van ernstige mentale klachten en heeft in dat jaar niet voldaan aan de stagedrempel.
• [appellant 3] had aan het einde van haar derde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 45 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van negen maanden).
• [appellant 3] kampte aan het einde van studiejaar 2018-2019, waarin zij bij een nominaal studieverloop zou zijn afgestudeerd, met een Theoretische Achterstand van 89 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van ruim een jaar en vijf maanden).
• [appellant 3] heeft zich in september 2019 uitgeschreven bij de BMH-opleiding en is toen overgestapt naar de Verpleegkundeopleiding.
Zij is in september 2015 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Chirurgie". Zij had in de zomer van 2019 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd stil komen te liggen. In haar derde jaar was voor [appellant 3] geen stage beschikbaar in verband met het stagetekort. Op aandringen van Hogeschool Rotterdam is zij in juli 2019 overgestapt naar de verkorte variant hbo-Verpleegkunde van drie jaar, waardoor zij op zijn vroegst in de zomer van 2022 haar hbo-diploma kan behalen en dus drie jaar studievertraging heeft. Hiervan komt één jaar voor eigen rekening en risico van [appellant 3] ; zij is in haar tweede jaar zwanger geraakt en moest hierdoor haar tweede jaar opnieuw doorlopen. De studievertraging - welke zuiver samenhangt met het stagetekort en de problematiek rondom de BMH-opleiding - komt dus neer op twee jaar.
• [appellant 5] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 5] heeft zich per 31 augustus 2017 uitgeschreven bij de BMH-opleiding.
• Voor [appellant 5] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar.
• [appellant 5] voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage. Op dat moment waren er ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar.
• [appellant 5] heeft verschillende keren gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek bemachtigd.
• [appellant 5] heeft zich in augustus 2017 uitgeschreven. Zij had op het moment van uitschrijven nog een Theoretische Achterstand van 23 studiepunten (hetgeen overeenkomt met een studiebelasting van ruim vier maanden).
• Voor [appellant 6] was in haar derde studiejaar (2015-2016) tijdig een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, waarvoor zij een onvoldoende heeft behaald.
• [appellant 6] had aan het einde van haar vierde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 43 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,6 maanden).
• [appellant 6] heeft in haar vijfde studiejaar (2017-2018) zelf besloten om niet te solliciteren op beschikbare stages.
• [appellant 6] had aan het einde van haar vijfde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 33 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 6,6 maanden).
• [appellant 6] had aan het einde van haar zesde studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 11 studiepunten en aan het eind van haar zevende studiejaar een Theoretische Achterstand van 6 studiepunten.
• [appellant 6] is in studiejaar 2020-2021 niet op gesprekken komen opdagen en heeft niet gereageerd op beschikbare stages. Zij is in dat jaar een andere opleiding gestart, die zij weer heeft gestaakt.
• [appellant 6] is in studiejaar 2021-2022 afgewezen voor mogelijke stages op basis van haar curriculum vitae. Zij is vanwege persoonlijke omstandigheden niet naar een sollicitatiegesprek gegaan.
• [appellant 6] heeft haar vierdejaarsstage in haar tiende studiejaar (2021-2022) op 15 juni 2022 gedaan, maar heeft daarna een onvoldoende gehaald voor haar eindassessment.
• [appellant 9 ] is, anders dan gesteld, in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 9 ] heeft gedurende zijn studie 2,5 jaar (namelijk tussen 10 juli 2017 en oktober 2019) geen onderwijs gevolgd en niets van zich laten horen, en zich op 31 augustus 2020 uitgeschreven bij de BMH-opleiding.
• Voor [appellant 9 ] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar, die niet is doorgegaan vanwege privéomstandigheden als gevolg waarvan [appellant 9 ] een lange periode in het buitenland heeft doorgebracht.
• [appellant 9 ] heeft naast zijn BMH-opleiding een opleiding tot wijkverpleegkundige gevolgd, wat heeft geleid tot studievertraging die aan [appellant 9 ] zelf is toe te rekenen.
• [appellant 9 ] had in studiejaar 2015-2016 (het jaar waarin hij zou zijn afgestudeerd bij een nominaal studieverloop) een Theoretische Achterstand van 81 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en vier maanden).
• [appellant 9 ] had aan het eind van studiejaar 2016-2017 een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden).
• [appellant 9 ] heeft in de studiejaren 2017-2018, 2018-2019 én 2019-2020 geen enkel studiepunt gehaald en had op het moment dat hij zich uitschreef bij de BMH-opleiding een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden).
• Voor [appellant 9 ] heeft altijd een volledig studiejaar van 60 studiepunten aan onderwijs ter beschikking gestaan.
Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt dat de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke omstandigheden. Voor [appellant 9 ] heeft bovendien altijd een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking gestaan. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.
Hij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Anesthesie". [appellant 9 ] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 9 ] heeft tijdens zijn studie slechts 9 weken stage kunnen lopen (te weten de snuffelstages in jaar 1 en 2). Voor [appellant 9 ] was nimmer een derde- of vierdejaarsstage beschikbaar. Uit wanhoop (en op advies van Hogeschool Rotterdam) is [appellant 9 ] in het studiejaar 2020-2021 overgestapt naar de in-service opleiding tot anesthesiemedewerker. Op het moment van overstap moest [appellant 9 ] nog anderhalf jaar stage lopen om zijn BMH-diploma te kunnen behalen. [appellant 9 ] zou dan ook (in de meest rooskleurige hypothetische situatie) eerst in februari 2022 zijn diploma hebben kunnen behalen. [appellant 9 ] ziet zich dan ook geconfronteerd met een (minimale) afstudeervertraging van 54 maanden die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen.
* [appellant 10] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 10] heeft zich op 31 oktober 2016 uitgeschreven bij de BMH-opleiding.
• [appellant 10] heeft zélf besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en heeft specifiek voor die periode gesolliciteerd.
• [appellant 10] heeft een stageplaats geweigerd vanwege de reisafstand en is afgewezen na een andere sollicitatie. Daarnaast heeft [appellant 10] ervoor gekozen om niet te solliciteren naar beschikbare stages.
• [appellant 10] is halverwege studiejaar 2016-2017, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, gestopt met de BMH-opleiding.
• [appellant 10] had op het moment van stoppen een Theoretische Achterstand van 64 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim een jaar), en er
stond voor [appellant 10] op dat moment dus een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking.
Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt, aldus nog steeds Hogeschool Rotterdam, dat de door [appellant 10] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke keuzes en Theoretische Achterstanden die aan Karteler zelf zijn toe te rekenen. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat er enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 10] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.
Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Chirurgie". Zij had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 10] kon in haar derde studiejaar geen stage lopen in verband met het stagetekort. [appellant 10] heeft haar volledige derde en vierde studiejaar tevergeefs gewacht op een derdejaarsstage. [appellant 10] is in haar vierde studiejaar gestopt met de BMH-opleiding omdat zij verdere vertraging en schade wilde voorkomen.
* [appellant 12] is in studiejaar 2016-2017 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2020 zijn afgestudeerd. [appellant 12] heeft haar vierdejaarsstage behaald op 25 augustus 2021 en is afgestudeerd in september 2021. [appellant 12] is dus afgestudeerd met een vertraging van 13 maanden.
• [appellant 12] had aan het eind van studiejaar 2019-2020, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,4 maanden).
• [appellant 12] is verschillende keren afgewezen voor haar derdejaarsstage na door haar gevoerde sollicitatiegesprekken.
• [appellant 12] heeft in de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021 vertraging in haar stages opgelopen vanwege de Covid-19 pandemie, die niet aan Hogeschool Rotterdam kan worden toegerekend en waarvoor [appellant 12] reeds een vergoeding van het profileringsfonds heeft ontvangen.
* [appellant 12] heeft het causaal verband tussen stage-schaarste en haar studievertragingen dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
Zij is in september 2016 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Chirurgie". Zij zou in de zomer van 2020 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. Zij heeft haar gehele derde studiejaar moeten wachten op een stage. Aan haar is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Eerst in haar vierde studiejaar heeft zij een derdejaarsstage weten te bemachtigen. In februari 2021 heeft zij eindelijk kunnen starten met haar afstudeerstage. De afstudeerstage duurt zes maanden.
Zij heeft voor het overige nominaal gestudeerd en ziet zich (bij afstuderen per 30 september 2021) geconfronteerd met een afstudeervertraging die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van dertien maanden.
• [appellant 15] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 15] verwacht blijkens de dagvaarding in juli 2024 af te studeren.
• Voor [appellant 15] was in haar derde studiejaar (2014-2015) een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, die voortijdig is afgebroken vanwege het ontstaan van onveilige situaties.
• [appellant 15] heeft in haar vierde studiejaar (2015-2016) tussen juli 2015 en januari 2016 een periode geen onderwijs kunnen volgen als gevolg van gezondheidsproblemen.
• [appellant 15] had aan het eind van haar vierde studiejaar (2015-2016), haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 28 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 5,5 maand).
• [appellant 15] had aan het eind van haar vijfde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 19 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna vier maanden).
• [appellant 15] had aan het eind van haar zesde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 15 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van drie maanden).
• [appellant 15] had aan het eind van haar zevende en achtste studiejaar (2018-2019 en 2019-2020) een Theoretische Achterstand van 9 studiepunten (wat neerkomt op een studiebelasting van bijna twee maanden).
• De derdejaarsstage van [appellant 15] is in studiejaar 2018-2019 voor een tweede keer vroegtijdig afgebroken om de veiligheid van de patiënten te waarborgen.
• [appellant 15] heeft in oktober 2018 zelf aangegeven geen intrinsieke motivatie te hebben voor het vak, maar slechts door te gaan vanwege een studieschuld.
• De derde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar achtste studiejaar (2019-2020) is voor een derde keer per direct gestopt vanwege een gebrek aan theoretische kennis.
• [appellant 15] heeft haar afstudeeropdracht in haar negende studiejaar (2020-2021) pas bij een zevende poging met succes afgerond.
• De vierde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar tiende studiejaar (2021-2022) is voor de vierde keer vroegtijdig gestaakt vanwege onvoldoende niveau in handelen en kennis en onveilig handelen in de praktijk.
• [appellant 15] heeft geen gebruik gemaakt van het aan haar aangeboden onderwijs om haar theoretische kennis op peil te krijgen.
Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 15] en met name het feit dat (i) [appellant 15] behoorlijke Theoretische Achtstanden had en (ii) haar derdejaarsstage tot vier keer toe vroegtijdig is beëindigd vanwege het ontstaan van onveilige situaties en onvoldoende theoretische basis, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 15] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.
Zij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie "Anesthesie". Zij had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 15] heeft in totaal drie jaar moeten wachten op een (afstudeer)stage. Aan [appellant 15] is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Op dit moment heeft [appellant 15] wel al haar scriptie (en overige vakken) kunnen afronden maar wacht zij nog steeds op een stage. Indien [appellant 15] een stage aangeboden krijgt zal zij in de zomer van 2022 haar diploma kunnen behalen. [appellant 15] ziet zich thans geconfronteerd met een studievertraging van minimaal zes jaar.
* [appellant 19] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. De afstudeerdatum van [appellant 19] is blijkens de dagvaarding nog niet bekend.
• [appellant 19] had aan het einde van zijn vierde studiejaar (2015-2016), zijn beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 52 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim tien maanden).
• [appellant 19] heeft in zijn vierde/vijfde studiejaar (2015-2016 en 2016-2017) een derdejaarsstage gelopen in Suriname waarvoor hij een onvoldoende heeft behaald.
• [appellant 19] had aan het einde van zijn vijfde én zesde studiejaar (2016-2017en 2017-2018) een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim acht maanden).
• [appellant 19] heeft er in zijn zesde studiejaar voor gekozen niet te solliciteren op mogelijke stageplaatsen.
• [appellant 19] heeft in zijn achtste studiejaar (2019-2020) een onvoldoende behaald voor zijn derdejaarsstage in Duitsland (of in ieder geval heeft hij niet voldoende beoordelingsformulieren verzameld om een voldoende beoordeling te krijgen).
• De stage die [appellant 19] in het Erasmus MC heeft gevolgd in september 2020 is beëindigd omdat [appellant 19] "op eigen houtje handelingen heeft verricht buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus."
• [appellant 19] heeft in de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 studievertraging opgelopen vanwege persoonlijke omstandigheden.
• Een door [appellant 19] geregelde stage in studiejaar 2020-2021 kon niet doorgaan omdat [appellant 19] de afstudeeropdracht die voor deze stage een ingangseis vormde, niet op tijd had afgerond.
• [appellant 19] had aan het eind van zijn zevende studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 25 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van vijf maanden).
• [appellant 19] had aan het eind van zijn achtste, negende, tiende en elfde studiejaar een Theoretische Achterstand van 22 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna 4,5 maand).
• [appellant 19] is in zijn tiende studiejaar (2021-2022) meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken en bijeenkomsten voor langstudeerders, maar is op geen enkele bijeenkomst verschenen.
• [appellant 19] maakte in zijn elfde studiejaar (2022-2023) gebruik van simulatie-onderwijs om zijn niveau te bepalen en bevorderen.
• [appellant 19] is op dit moment nog niet klaar voor een stage vanwege onveilig handelen.
Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 19] , en met name het feit dat de studievertraging is te wijten aan Theoretische Achterstanden en persoonlijke omstandigheden die niet aan Hogeschool Rotterdam zijn toe te rekenen, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 19] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste. [appellant 19] heeft de mogelijkheid van door hem als gevolg van de stage-schaarste geleden schade, hetgeen vereist is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
"op eigen houtje handelingen verrichten buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus.", (iv) dat hij op dit moment nog niet klaar is voor een stage ‘wegens onveilig handelen’, terwijl (v) ook zijn theoretische vaardigheden onder de maat zijn gebleven. Zelfs al neemt het hof veronderstellenderwijs aan dat zijn stageplaatsen aanvankelijk niet beschikbaar waren, dan nog is er geen aanwijzing dat [appellant 19] , gelet op zijn zorgelijke, ontoereikende, stagehistorie op de momenten waarop hij wèl stage kon lopen en zijn gebrekkige theoretische studieresultaten, een succes had weten te maken van eventuele tijdig beschikbare stageplaatsen. [appellant 19] had als partij die voor meer dan vijf jaren vertraging een schadevergoeding van de Hogeschool Rotterdam eist, meer inzicht hierin moeten geven. Dit heeft hij niet gedaan. [appellant 19] heeft aldus tegenover het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam niet deugdelijk onderbouwd dat hij studievertraging heeft opgelopen door voor rekening van Hogeschool Rotterdam komende tekortkomingen. De oorzaak ervan ligt ‘op zijn eigen bordje’. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 19] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.
aannemelijk gemaakt(volledig bewijs is in dit stadium nog niet nodig) dat bij ieder van hen sprake is van een
mogelijkheid van schadedie is veroorzaakt door stage-schaarste. Daarom zal het hof deze zaken verwijzen naar de schadestaatprocedure. Vordering II is in zoverre toewijsbaar.
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024;
- veroordeelt Hogeschool Rotterdam tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de zaken van de Studenten (1) [appellant] , (2) [appellant 1] , (3) [appellant 2] , (5) [appellant 4] , (8) [appellant 7] , (9) [appellant 8] , (12) [appellant 11] , (14) [appellant 13] , (16) [appellant 16] , (17) [appellant 17] en (18) [appellant 18] ;
- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.