De betrokkene, geboren in 1944, is onder bewind en mentorschap gesteld vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand. De neef en nicht, verzoekers in hoger beroep, wilden de huidige mentor ontslaan en zelf benoemd worden, met name vanwege een conflict over een voorgenomen verhuizing van de betrokkene van Rotterdam naar Amsterdam.
De kantonrechter had het verzoek in eerste aanleg reeds afgewezen. In hoger beroep handhaafde het hof deze beslissing. De verzoekers stelden dat de betrokkene graag wilde verhuizen en dat de mentor niet in haar belang handelde door dit te weigeren. De mentor stelde dat de betrokkene niet wilde verhuizen en dat een verhuizing nadelige gevolgen kon hebben voor haar gezondheid.
Het hof oordeelde dat de betrokkene wisselende uitspraken deed over de verhuizing en onvoldoende in staat was haar wil te bepalen. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het niet in het belang van de betrokkene was om uit haar vertrouwde omgeving te worden gehaald. Er waren geen andere gewichtige redenen voor ontslag van de mentor. Het verzoek werd daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.