ECLI:NL:GHDHA:2026:61

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
200.352.564/01 en 200.353.433/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake echtscheiding en alimentatie met betrekking tot minderjarige kinderen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de echtscheiding tussen de vrouw en de man, alsook de alimentatie en zorgregeling voor hun minderjarige kinderen. De vrouw had in hoger beroep de bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 december 2024 aangevochten, waarin de echtscheiding was uitgesproken en de zorgregeling was vastgesteld. De man had op zijn beurt een verweerschrift ingediend, waarin hij ook incidenteel hoger beroep aantekende. Het hof heeft vastgesteld dat de man en de vrouw op 20 maart 2025 in hoger beroep zijn gekomen van de beschikking van de rechtbank. De vrouw verzocht om wijziging van de zorgregeling en de kinderalimentatie, terwijl de man verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de verkoop van de echtelijke woning. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen, waaronder de zorgregeling, de alimentatie en de kosten van de huishouding. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en heeft de bestreden beschikking op enkele punten vernietigd en opnieuw beslist. De man is verplicht om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te betalen, en de vrouw moet een gebruiksvergoeding betalen voor de echtelijke woning. De kosten van het geding zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.352.564/01 (scheiding) en 200.353.433/01 (verdeling)
rekestnummer rechtbank : FA RK 23-3638 (scheiding) en FA RK 23-6781 (verdeling)
zaaknummer rechtbank : C/09/647914 (scheiding) en C/09/653908 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 14 januari 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P. Rodrigues de Carvalho te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.M. Menheere te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 20 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking
2.2
De man heeft op 1 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 15 oktober 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 juni 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 1 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 december 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 december 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk] , tolk in de Portugese taal;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
De raad is, zoals aangekondigd bij brief van 3 december 2025, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2004 in [plaats 1] , Brazilië. Het huwelijk van partijen is op 26 februari 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 december 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Partijen zijn de ouders van de nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
3.4
Partijen zijn ook de ouders van de inmiddels meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , Italië.
3.5
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.
3.6
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
3.7
Volgens de basisregistratie personen heeft de man in ieder geval de Italiaanse nationaliteit en de vrouw in ieder geval de Braziliaanse nationaliteit.
3.8
Bij beschikking van 24 oktober 2023 van de rechtbank Den Haag zijn de verzoeken van partijen voor het treffen van een voorlopige voorziening voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toevertrouwing van de kinderen en een voorlopige zorgregeling, afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang,:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
  • bepaald dat de minderjarige bij de man zal zijn:
o zodra de man passende woonruimte heeft, het ene weekend van vrijdag na school tot dinsdag naar school en het andere weekend van zondagavond tot dinsdag naar school;
o gedurende de helft van de feest- en bijzondere dagen en vakanties conform het aangehechte verzoek van de vrouw, met dien verstande dat de minderjarige in de zomervakantie drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw is, en in de oneven jaren de voorjaarsvakantie bij de vrouw is en de herfstvakantie bij de man en in de even jaren andersom, en met Pinksteren het ene jaar bij de ene ouder en het andere jaar bij de andere ouder;
  • bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 113,- per maand zal betalen;
  • de door de man en vrouw getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het echtscheidingsconvenant opgenomen;
  • de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
o met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening en spaarrekening eigen woning: de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week na heden aan makelaar-taxateur [makelaar-taxateur] aan de [adres] te [plaats 2] een gemeenschappelijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van eventueel aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
  • de beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
  • bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
  • het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te wijzigen althans te vernietigen voor zover deze ziet op de vastgestelde zorgregeling, de verdeling van de zomervakantie als de vrouw op vakantie gaat naar Brazilië, de vastgestelde kinderalimentatie en de beslissing omtrent de kosten van de huishouding en in plaats daarvan te bepalen dat:
een zorgregeling tussen de minderjarige en de man vast te stellen waarbij de minderjarige om de week vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijft, waarbij de man de minderjarige om de week op vrijdag uit school haalt en op maandag naar school brengt, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als het hof in de gegeven omstandigheden rechtvaardig en in het belang van de minderjarige acht;
een verdeling van de zomervakantie vast te stellen als volgt:
  • de minderjarige verblijft ieder jaar drie aaneengesloten weken bij de vrouw en drie aaneengesloten weken bij de man;
  • indien de vrouw met de minderjarige op vakantie naar Brazilië gaat, zal de minderjarige de gehele zomervakantie, zes aaneengesloten weken bij de vrouw verblijven. Een vakantie naar Brazilië zal maximaal één keer in de twee jaar plaatsvinden, tenzij ouders in gezamenlijk overleg anders beslissen;
te bepalen dat de man, zolang hij geen passende woonruimte heeft, zal bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met € 330,75 per maand, bij vooruit betaling per maand aan de vrouw te voldoen met ingang van de datum van de bestreden beschikking te weten 23 december 2024, althans een zodanig bedrag en ingangsdatum als het hof in de gegeven omstandigheden en met inachtneming van de in het lichaam van dit beroepschrift en de producties vervatte gegevens rechtvaardig acht;
te bepalen dat de man, op het moment dat hij passende woonruimte heeft gevonden en de minderjarige bij hem verblijft conform de bij beschikking vastgestelde zorgregeling, zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met € 258,25 per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van de datum van de bestreden beschikking te weten 23 december 2024, althans een zodanig bedrag en ingangsdatum als het hof in de gegeven omstandigheden en met inachtneming van de in het lichaam van dit beroepschrift en de producties vervatte gegevens rechtvaardig acht;
de man te veroordelen een bedrag van € 12.517,85 aan de vrouw te voldoen ter zake de door de vrouw te veel bijgedragen kosten in de huishouding, althans de man te veroordelen een zodanig in goede justitie te betalen bedrag aan de vrouw te voldoen ter zake de door haar te veel betaalde kosten van de huishouding, welke de man in het kader van de verdeling van de woning ter gelegenheid van de levering van de woning uit de overwaarde van de woning aan de vrouw dient te voldoen
kosten rechtens.
4.3
De man verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de verzoeken van de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen,
En in incidenteel hoger beroep verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
I. de vrouw haar medewerking blijft verlenen aan de verkoop van de woning door:
  • een opdracht tot verkoop te verstrekken en verstrekt te houden aan het makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [plaats 2] en de vrouw te verbieden haar opdracht daartoe in te trekken;
  • zich te voegen naar de adviezen en aanwijzingen van deze makelaar, waaronder het vaststellen en/of aanpassen van de te hanteren verkoopadviesprijs, laatprijs en leveringstermijn en waaronder het ter hand stellen van een sleutel van de woning aan de makelaar dan wel het makelaarskantoor en voor het maken van foto's en bezichtigingen gereed maken van de woning,
  • toe te staan dat met het oog op de verkoop van de woning de noodzakelijke onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden aan de woning worden verricht door de man of door hem ingeschakelde personen;
  • zich te onthouden van handelingen die de verkoop van de woning belemmeren of kunnen belemmeren, zulks onder het dragen van de helft van de daarmee gemoeide kosten;
II. dat indien de vrouw haar medewerking weigert aan het ondertekenen van een akte, althans een verkoopopdracht en/of een verkoopovereenkomst het ten deze te wijzen beschikking dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de vrouw van de verkoopopdracht en/of verkoopovereenkomst, althans dat het in deze te geven beschikking in plaats van de handtekening van de vrouw zal treden;
III. indien de vrouw haar medewerking weigert aan het passeren van de akte strekkende tot levering van voornoemde woning, de in deze te geven beschikking dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de vrouw van de akte, althans de het in deze te geven beschikking in plaats van een handtekening van de vrouw zal treden;
IV. de vrouw uiterlijk één week voor de dag dat de akte zal worden gepasseerd de woning met al haren zal dienen te verlaten en ontruimen, en ontruimd zal dienen te houden met machtigen van de man om – als de vrouw niet uiterlijk één week voor de overdracht van de woning ingevolge het tot stand gekomen koopcontract de woning zal hebben verlaten, de ontruiming te doen bewerkstellingen met behulp van politie en justitie, dan wel – subsidiair – op verbeurte van een dwangsom van € 2,500,- per dag voor iedere dat dat de vrouw haar medewerking zal onthouden aan het verlaten en ontruimen van de woning;
V. partijen de verkoopopbrengst van de woning, na aflossing van de hypothecaire geldlening, makelaarskosten, bij helfte zullen delen;
VI. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.792,-, althans een zodanig bedrag als het hof redelijk acht;
VII. de vrouw met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 26 februari 2025 tot aan de datum van levering van de echtelijke woning aan de kopers op grond van artikel 3:169 BW een gebruiksvergoeding aan de man is verschuldigd en aan hem dient te betalen € 460,- per maand althans een zodanig bedrag als het hof redelijk acht
VIII. deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren;
en met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige.
4.4
De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel beroep van de man ongegrond te verklaren, dan wel de verzoeken van de man af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de minderjarige, alsmede omtrent het verzoek tot vaststelling van de vakantieregeling.
Reguliere zorgregeling
5.2
Tussen partijen is de reguliere zorgregeling in geschil. De vrouw stelt dat een zorgregeling waarbij de minderjarige eens per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, meer passend is dan de huidige regeling. Hierdoor heeft de minderjarige meer stabiliteit in haar schoolroutine. De man verweert zich hiertegen.
5.3
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als deze in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. De rechter kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling omvatten aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
5.4
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt ze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling passend en het meest in het belang van de minderjarige. Door middel van deze zorgregeling wordt de man ook meegenomen in de schoolgang van de minderjarige. Daarnaast is niet gebleken van contra-indicaties voor de omgang tussen de man en de minderjarige waardoor een beperktere zorgregeling dient te worden vastgesteld. Door de vrouw zijn daarvoor naar het oordeel van het hof geen onderbouwde standpunten naar voren gebracht. Ook is niet gebleken dat de stabiliteit van de minderjarige bij de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in het geding zou komen. Het hof ziet derhalve onvoldoende aanwijzingen dat een beperktere zorgregeling, zoals door de vrouw verzocht, in het belang van de minderjarige zou zijn. De grief van de vrouw faalt derhalve.
Zomervakantie
5.5
In geschil tussen partijen is daarnaast de verdeling van de zomervakanties. De vrouw wenst om het jaar met de minderjarige voor een periode van zes weken naar Brazilië te gaan. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en acht een verdeling van drie weken bij de ene en drie weken bij de andere ouder in het belang van de minderjarige. Het hof volgt de man in dit standpunt. Naar het oordeel van het hof moet ook de man de gelegenheid hebben om jaarlijks in de zomervakantie met de minderjarige op vakantie te gaan. De door de vrouw gewenste regeling komt er immers op neer dat de man slechts om het jaar in de zomervakantie met de minderjarige op vakantie zou kunnen. De grief van de vrouw treft derhalve geen doel.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.6
Omdat beide partijen en de minderjarige in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van een kinderalimentatie voor de minderjarige. Nu niet is gegriefd tegen het toepasselijk recht, past het hof Nederlands recht toe.
Zorgkorting
5.7
Zoals ter zitting besproken, concludeert het hof dat alleen de zorgkorting tussen partijen in geschil is. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte vanaf de ingangsdatum, zijnde 23 december 2024, rekening heeft gehouden met een zorgkortingspercentage van 35%. Nu de zorgregeling tot op heden nog niet wordt uitgevoerd heeft de man de afgelopen periode geen zorgkosten gehad voor de minderjarige en de vrouw heeft ook niets bespaard. Volgens de vrouw dient derhalve vanaf 23 december 2024 rekening te worden gehouden met een zorgkorting van maximaal 5%. Vanaf het moment dat de zorgregeling van kracht zou gaan dient, conform verzoek van de vrouw ten aanzien van zorgregeling, rekening te worden gehouden met 15%. De man voert hiertegen verweer. Door obstructie van de vrouw heeft het lang geduurd voordat de echtelijke woning kon worden verkocht en de man een nieuwe woning kon kopen. Dit heeft invloed gehad op zijn mogelijkheid om de zorgregeling uit te voeren. De man acht het in dit licht redelijk om vanaf de ingangsdatum rekening te houden met een percentage van 35% aan zorgkorting.
5.8
Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de zorgregeling zoals bij bestreden beschikking bepaald, niet door partijen is uitgevoerd. Het hof meent dat uit de inhoud van het dossier en wat op zitting is behandeld is gebleken dat het niet uitvoeren van de zorgregeling conform de bestreden beschikking, niet in overwegende mate aan een van partijen kan worden verweten. De man had weliswaar wekelijks contact met de minderjarige maar van een regeling die een zorgkorting van 35% rechtvaardigt is vanaf de ingangsdatum van de kinderalimentatie, zijnde 23 december 2024, feitelijk geen sprake geweest en de man heeft aanzienlijk minder zorgkosten voor de minderjarige gehad. Het hof houdt derhalve vanaf die datum in redelijkheid rekening met een zorgkorting van 5%. Het hof gaat er wel vanuit dat de partijen na de datum van deze beschikking uitvoering zullen geven aan de zorgregeling zoals bij bestreden beschikking is bepaald. Nu de man sinds oktober 2025 een eigen woning heeft gaat het hof ervanuit dat de minderjarige daar ook kan overnachten. Nu de zorgregeling van de rechtbank wordt bekrachtigd houdt het hof, net als de rechtbank, vanaf de datum van deze beschikking rekening met een zorgkortingspercentage van 35%.
5.9
Dat deze wijziging van het zorgkortingspercentage tot een nabetaling van de man aan de vrouw leidt, acht het hof in dit geval redelijk. Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan de zorgregeling zoals deze bij bestreden beschikking was neergelegd. Bij de berekening van de alimentatie was ook voor de man kenbaar dat van een te hoog percentage voor de zorgkorting is uitgegaan en de man heeft dit ook niet betwist. De zorgkorting is vanaf het begin van de procedure onderwerp van geschil geweest. Dit brengt met zich dat het hof van oordeel is dat het redelijk is dat de man over de periode vanaf 23 december 2024 tot aan de datum van deze beschikking een bedrag aan kinderalimentatie moet nabetalen, vermindert met de reeds betaalde kinderalimentatie
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van de man ( € 698,- / € 1.378,- x € 725,- =) € 367,- per maand in 2024 bedroeg. Ook de behoefte van de minderjarige, zijnde in 2024 € 725,-, is tussen partijen niet in geschil. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte. Over de periode van 24 december 2024 tot 14 januari 2026 bedraagt de zorgkorting derhalve € 36,- (5% van € 725). De door de man te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige vanaf 23 december 2024 wordt dan ook vastgesteld op een bedrag van (€ 367 - € 36 =) € 331,- per maand.
5.11
Vanaf de datum van deze beschikking houdt het hof rekening met een zorgkortingspercentage van 35%. Zoals ter zitting met partijen besproken is alleen de zorgkorting tussen partijen in geschil. Blijkens de overgelegde financiële gegevens uit 2025 zijn partijen ook niet substantieel meer gaan verdienen ten opzichte van 2024. Het hof rekent derhalve met de gegevens uit 2024. Het hof is echter wel van oordeel dat de handmatige toepassing van de (wettelijke) indexering hier is geboden, nu de ingangsdatum is gelegen in 2026. Het hof zal de hoogte van de kinderalimentatie daarom indexeren met de vastgestelde indexeringspercentages naar 2026. Het hof berekent de zorgkorting op (35% van € 725) afgerond € 254 per maand. Dit brengt met zich dat de man een bedrag van € 113,- per maand dient te betalen, geïndexeerd naar 2026 € 126,- per maand. De door de man te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige vanaf de datum van deze beschikking wordt dan ook vastgesteld op een bedrag van € 126,- per maand.
Huwelijksvermogensstelsel
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.12
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken van partijen die betrekking hebben op het huwelijksvermogensstelsel van partijen. Nu niet is gegriefd tegen het toepasselijk recht, past het hof Nederlands recht toe.
Kosten van de huishouding
5.13
Het hof overweegt als volgt. Tot aan de datum waarop partijen de echtscheidingsbeschikking hebben ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand gelden tussen partijen de bepalingen van boek 1 titel 6 BW, meer in het bijzonder artikel 1:81 BW en artikel 1:84 BW. Ingevolge artikel 1:81 BW zijn partijen gedurende het huwelijk gehouden elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning dient te worden begrepen. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook ten aanzien van de door de man verzochte vergoeding voor de eigenaarslasten tot aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het hof wijst dit verzoek van de man dan ook af. Voor wat betreft de draagplicht van deze kosten dient uitgegaan te worden van artikel 1:84 BW. Op grond van dit artikel komen de kosten van de huishouding ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de vrouw haar vordering tot vergoeding van de kosten van de huishouding, onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel de vrouw een excelbestand (productie 22) heeft overgelegd met de vermeende kosten van de huishouding, heeft de man onweersproken gesteld dat hij meerdere kosten heeft gehad in de betreffende periode die niet in dit overzicht zijn opgenomen. Daarnaast zijn bepaalde posten uit het overzicht, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt het hof dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre de meerderjarige dochter van de vrouw, [dochter] , heeft (of had moeten) bij(ge)dragen aan de opgevoerde kosten. Ook is geen inzicht verschaft in de vermogenspositie van partijen. Het hof is dan ook van oordeel dat het over onvoldoende gegevens beschikt om vast te kunnen stellen dat de vrouw ter zake de kosten van de huishouding te veel heeft voldaan en of de man uit dien hoofde het door haar verzochte bedrag aan hem dient te vergoeden. Het hof wijst derhalve ook het verzoek van de vrouw af.
Gebruiksvergoeding
5.14
Op grond van artikel 1:165 BW kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten. Een gelijkluidende bepaling is opgenomen in artikel 3:169 BW. Op grond van laatstgenoemd artikel is, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw na het uiteengaan van partijen in de woning is gebleven en dat de man niet over het genot van de woning beschikte. Het feit dat de vrouw stelt dat de man de woning vrijwillig heeft verlaten en nog de sleutels van de woning had, maakt dit oordeel niet anders. Gebleken is immers dat de vrouw, met uitsluiting van de man, in de woning verbleef. Daarnaast overweegt het hof dat partijen op 29 november 2023 al waren overeengekomen dat de echtelijke woning verkocht diende te worden. De woning is echter, vanwege het ontbreken van medewerking van de zijde van de vrouw, pas op 1 oktober 2025 verkocht en geleverd. Door het handelen van de vrouw heeft zij, ook na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, geruime tijd in de echtelijke woning kunnen verblijven. Gezien voornoemde acht het hof het dan ook redelijk om aan de man ten laste van de vrouw een gebruiksvergoeding toe te kennen. De man stelt dat de gebruiksvergoeding moet worden vastgesteld op 4% van de helft van de overwaarde van de woning.. De vrouw stelt dat een dergelijk percentage niet redelijk is omdat dit percentage niet overeenstemt met het werkelijk rendement dat met dit bedrag kan worden behaald. . Het hof overweegt dat, ondanks dat de rente op spaartegoeden op dit moment lager is, de man ook de mogelijkheid had om zijn deel van de overwaarde te beleggen. Het rendement hierop had in dat geval hoger kunnen liggen. Gelet op de omstandigheden in deze casus – de vrouw heeft niet meegewerkt aan de verkoop van de woning- acht het hof een gebruiksvergoeding van 4% van de helft van de overwaarde van de echtelijke woning over de periode vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan de verkoop en levering van de woning, zijnde conform het verzoek van de man ter zitting € 3.175,27, redelijk. De vrouw heeft de hoogte van dit bedrag als zodanig niet betwist. Het hof wijst het verzoek van de man dan ook toe.
Ingetrokken grieven
5.15
De man heeft bij bericht van 1 december 2025 zijn grieven onder I tot en met V ingetrokken. Deze intrekking heeft tot gevolg dat de door de man aangevoerde grieven niet meer behandeld behoeven te worden, omdat er op deze punten geen beslissing van het hof (meer) wordt gevraagd.
Proceskosten
5.16
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure compenseert het hof de kosten van het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie en de gebruiksvergoeding, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 23 december 2024 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen € 331,- per maand;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen € 126,- per maand, waarvan de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling moeten worden voldaan;
bepaalt de door de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 26 februari 2025 tot aan de verkoop en levering van de echtelijke woning, zijnde 1 oktober 2025 aan de man een vergoeding voor het gebruik van deze woning dient te betalen van € 3.175,27;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof voorgelegd voor het overige;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-Van Hees en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier en is op 14 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.