De zaak betreft een hoger beroep over diverse geschilpunten na ontbinding van het huwelijk tussen partijen, waaronder de zorgregeling voor de minderjarige, kinderalimentatie, en de verdeling van de echtelijke woning.
Het hof bevestigt de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank, waarbij de minderjarige bij de vrouw verblijft en de man omgang heeft conform de regeling. De vrouw wilde een beperktere zorgregeling, maar het hof vond onvoldoende aanwijzingen dat dit in het belang van het kind was. Ook de verdeling van de zomervakantie wordt vastgesteld op drie weken per ouder, waarbij de vrouw niet elk jaar zes weken met het kind naar Brazilië mag.
De kinderalimentatie wordt aangepast vanwege een te hoge zorgkorting in de eerdere beschikking. Het hof stelt vast dat vanaf 23 december 2024 een zorgkorting van 5% redelijk is, oplopend naar 35% vanaf de datum van deze beschikking. Dit leidt tot een nabetaling door de man.
Ten aanzien van de echtelijke woning oordeelt het hof dat de vrouw een gebruiksvergoeding van 4% over de helft van de overwaarde aan de man moet betalen, omdat zij niet meewerkte aan de verkoop. De verkoop vond pas plaats op 1 oktober 2025, ondanks eerdere afspraken. De overige verzoeken van partijen worden afgewezen of bekrachtigd zoals eerder bepaald.