Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:586

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.340.310/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor schade door inruil gestolen en omgekatte auto niet bewezen

Appellante kocht een Mercedes en betaalde deels met een inruilauto, een Porsche die gestolen bleek en was omgekat. De verkoper van de Mercedes stelde appellante aansprakelijk, die haar schade vergoedde. Vervolgens vorderde appellante schadevergoeding van geïntimeerde op grond van wanprestatie, onrechtmatige daad, bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling.

De rechtbank wees de vorderingen af. Het hof bevestigde dit oordeel na een tussenarrest en mondelinge behandeling, waarbij bleek dat de Porsche al vóór invoer in Nederland was omgekat, vermoedelijk door een derde. Appellante kon niet concreet onderbouwen dat geïntimeerde de auto had omgekat of daarvan wist bij de inruil.

Getuigenverklaringen die appellante overlegde, waren gebaseerd op haar eigen stellingen en konden niet als bewijs dienen. Ook de gestelde overeenkomst over de inruil was onvoldoende onderbouwd. Het hof concludeerde dat appellante niet aan haar stelplicht had voldaan en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij zij in de kosten van het hoger beroep werd veroordeeld.

Uitkomst: Vordering tot schadevergoeding wegens omkatten en diefstal van de Porsche wordt afgewezen en vonnis rechtbank bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.310/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/651577 / HA ZA 23-682
Arrest van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. M. Smit, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. de Boorder, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde] noemen.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellante] heeft een Mercedes gekocht en een gedeelte van de koopprijs betaald door inruil van een Porsche waarvan het kenteken toen op naam van [geïntimeerde] stond. De verkoper van de Mercedes heeft [appellante] aansprakelijk gesteld omdat de Porsche afkomstig van diefstal en omgekat was. [appellante] heeft zijn schade vergoed. In deze procedure zoekt [appellante] verhaal op [geïntimeerde] en vordert op verschillende rechtsgronden – wanprestatie, onrechtmatige daad, bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling – schadevergoeding van hem.
1.2
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Het hof heeft bij tussenarrest overwogen dat uit de overgelegde stukken lijkt te volgen dat de Porsche al voor de invoer in Nederland (door [appellante] ) was omgekat. Het hof heeft een mondelinge behandeling gelast en partijen verzocht over verschillende onderwerpen nadere informatie te verschaffen. Bij dit eindarrest oordeelt het hof dat [appellante] haar stelling dat [geïntimeerde] de Porsche heeft omgekat niet deugdelijk heeft onderbouwd. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat [geïntimeerde] althans ten tijde van de inruil van de Porsche wist dat deze was omgekat. Haar vordering tot schadevergoeding stuit daarop af. Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank.

2.Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het tussenarrest van 29 april 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 juni 2025;
  • de door [appellante] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde producties (HB15-HB18);
  • de door [geïntimeerde] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde producties (verklaringen van [naam 1] en [naam 2] );
  • de akte van [appellante] , met producties (HB19-HB21);
  • de akte [geïntimeerde] .

3.Verdere beoordeling in hoger beroep

3.1
Het hof blijft bij wat in het tussenarrest is overwogen en beslist. In het tussenarrest heeft het hof een mondelinge behandeling gelast voor het verstrekken van inlichtingen over een aantal onderwerpen.
3.2
Eén van die onderwerpen is wanneer (en door wie) de Porsche is omgekat. Beide partijen zijn ervan uitgegaan dat het omkatten heeft plaatsgevonden na afgifte van het kenteken in oktober 2018 omdat de RDW toentertijd niet heeft geconstateerd dat de Porsche gestolen was. Gelet op de brief van de RDW van 10 juni 2023 en het deskundigenrapport van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit van 19 mei 2021 heeft het hof in rov. 5.17 van het tussenarrest geconcludeerd dat het oorspronkelijke voertuigidentificatienummer van de Porsche al vóór de keuring door de RDW is verwijderd en dat in plaats daarvan een vals voertuigidentificatienummer, te weten 911411489, is aangebracht. Dit is hetzelfde voertuigidentificatienummer dat op 15 april 2021 werd aangetroffen op de bodemplaat van de inbeslaggenomen Porsche. Dat betekent dat de Porsche al voor de invoer was omgekat, dus van het valse voertuigidentificatienummer is voorzien. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat dit door een derde, en niet door [geïntimeerde] , is gedaan. Het hof heeft verder overwogen dat in zoverre in het midden kan blijven of het van diefstal afkomstige motorblok toen ook al in de Porsche was geplaatst of dat dit na afgifte van het kentekenbewijs is gebeurd, en door wie. Het hof heeft partijen verzocht bij de mondelinge behandeling hun zienswijze te geven over de mogelijkheid dat de Porsche al vóór de invoer in Nederland was omgekat.
3.3
Bij de mondelinge behandeling heeft [appellante] haar standpunt over het tijdstip van het omkatten aangepast. Zij stelt nu dat het kan zijn dat bij de invoer in 2018 al sprake was van een vals VIN-nummer, dat zij daar niet met zekerheid iets over kan zeggen, maar dat zij wel weet dat de auto al enkele maanden voordat deze werd ingevoerd in september 2018 onder de woning van [geïntimeerde] was gestald en dat [geïntimeerde] in die maanden al werk aan de Porsche had verricht. Volgens [appellante] is de kans dus ook heel groot dat hij toen al een ander VIN-nummer in de auto had gezet. Wat zij wel met zekerheid kan stellen is dat [geïntimeerde] wist dat de auto was omgekat en gestolen toen deze aan VDG werd geleverd, omdat [geïntimeerde] dat aan haar heeft ‘opgebiecht’, aldus [appellante] (spreekaantekeningen [appellante] onder 17-19). Dit blijkt volgens haar uit vier schriftelijke verklaringen die zij heeft overgelegd (productie HB15).
3.4
[geïntimeerde] betwist dat hij het voertuigidentificatienummer heeft gewijzigd en stelt dat hij daar ook nooit anders over heeft verklaard (proces-verbaal van de mondelinge behandeling en antwoordakte na tussenarrest onder 21).
3.5
Het hof constateert dat [appellante] naar aanleiding van het tussenarrest haar standpunt in zoverre heeft gewijzigd dat ook zij ervan uitgaat dat al voor de invoer van de Porsche daarin een ander VIN-nummer was gezet. Wel blijft [appellante] bij haar standpunt dat [geïntimeerde] de auto heeft omgekat, dan wel een gestolen motorblok daarin heeft geplaatst. Zij stelt nu dat [geïntimeerde] al enkele maanden voor de invoer in september 2018 aan de Porsche werkzaamheden had verricht. Zij suggereert hiermee dat [geïntimeerde] de Porsche enkele maanden voor de invoer had gekocht, vervolgens heeft omgekat en daarna door [appellante] heeft laten invoeren. Het hof merkt op dat deze stellingen weinig concreet zijn en niet (met stukken) zijn onderbouwd. Verder handhaaft [appellante] haar standpunt dat [geïntimeerde] ook na de invoer van de Porsche werkzaamheden daaraan heeft verricht en het motorblok daaruit heeft verwijderd. Naar het oordeel van het hof volgt uit het gewijzigde standpunt van [appellante] in de eerste plaats (dat zij zich heeft gerealiseerd) dat zij zich wat betreft de gestelde gebeurtenissen aanvankelijk in de tijd heeft vergist. Maar daaruit blijkt ook dat [appellante] niet weet wanneer en door wie het omkatten heeft plaatsgevonden. De stellingen van [appellante] zien voornamelijk op de vraag wanneer – voor of na de invoer van de Porsche – en door wie een gestolen motorblok in de Porsche is geplaatst. Zoals in rov. 5.17 van het tussenarrest is overwogen en hiervoor in rov. 3.2 weergegeven, acht het hof voor de beoordeling van belang of [geïntimeerde] betrokken was bij het omkatten van de gestolen Porsche, dat wil zeggen het verwijderen van het oorspronkelijk voertuigidentificatienummer en het aanbrengen van een vals voertuigidentificatienummer, dan wel ten tijde van de inruil van de Porsche van het omkatten op de hoogte was.
3.6
Nu als vaststaand moet worden aangenomen dat de Porsche al voor de invoer was omgekat, is voor de beoordeling van het geschil niet van belang of (gelijktijdig of later) en door wie een gestolen motorblok in de Porsche is geplaatst.
3.7
De vier door [appellante] ter onderbouwing van haar stellingen overgelegde schriftelijke verklaringen – van [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] – gaan in de eerste plaats gaan over wat [appellante] aan deze getuigen heeft verteld over het omkatten van de Porsche. [naam 3] en [naam 4] hebben (schriftelijk) verklaard dat zij van [appellante] hebben gehoord dat [geïntimeerde] de Porsche heeft omgekat. [naam 4] heeft verder verklaard dat zij weet dat [geïntimeerde] wist dat de auto was omgekat en dat [appellante] vertelde dat [geïntimeerde] tegen haar had gezegd dat hij ‘een ander nummertje’ in de auto had gezet. [naam 5] heeft verklaard dat [appellante] vertelde dat [geïntimeerde] had toegegeven ‘dat hij een ander nummer erin had getikt’. [naam 6] heeft verklaard dat [appellante] vertelde dat [geïntimeerde] een ander motorblok heeft ingebouwd en daar zelf een identificatienummer op heeft gezet. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft [appellante] zelf geen (blijk gegeven van) wetenschap over wanneer en door wie de Porsche is omgekat. [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] hebben hun wetenschap ontleend aan wat [appellante] hun heeft verteld. Hetzelfde geldt voor zover zij hebben verklaard dat [geïntimeerde] wist dat de Porsche was omgekat. Hun verklaringen houden op dit punt dus niets anders in dan een weergave van de stellingen van [appellante] en kunnen daarom niet dienen ter onderbouwing van die stellingen.
3.8
[naam 4] heeft verder (schriftelijk) verklaard dat zij aanwezig was bij een telefoongesprek tussen [appellante] en [naam 7] , de zakenpartner van [geïntimeerde] , waarbij [naam 7] op de speaker stond, en dat [naam 7] aan [appellante] vertelde dat hij had gezien dat het motorblok van de Porsche in de garage waar [geïntimeerde] werkzaamheden aan de Porsche verrichtte, naast de auto lag. Deze schriftelijke verklaring heeft betrekking op de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] op enig moment het motorblok uit de Porsche heeft verwijderd en daarin een ander (gestolen) motorblok heeft teruggeplaatst. Zoals overwogen is dit voor de beoordeling van het geschil niet van belang. Ook als [geïntimeerde] – niet wetende dat de Porsche (gestolen en) omgekat was – na de invoer een gestolen motorblok in de Porsche heeft geplaatst, heeft dat niet aan de schade van [appellante] bijgedragen.
3.9
[appellante] heeft ook nog (subsidiair) gesteld dat [geïntimeerde] wist dat de Porsche was omgekat toen hij [appellante] voorstelde deze in te ruilen bij de koop van de Mercedes door [appellante] . Ook deze stelling heeft [appellante] niet concreet onderbouwd. De verklaring van [naam 4] dat [naam 7] in haar bijzijn heeft aangegeven dat [geïntimeerde] dit door hem veroorzaakte probleem, waarmee hij schade heeft toegebracht aan [appellante] , gewoon met [appellante] moest gaan regelen en haar schade moest vergoeden, kan daartoe niet dienen. Mede in aanmerking genomen dat voor de beoordeling niet van belang is of [geïntimeerde] een gestolen motorblok in de Porsche heeft geplaatst, is deze verklaring te weinig specifiek en in ieder geval onvoldoende om de stelling dat [geïntimeerde] wist dat de Porsche al voor de invoer door [appellante] was omgekat, te onderbouwen. Hetzelfde geldt voor de door [appellante] overgelegde WhatsApp-conversatie uit 2024 tussen haar en [naam 2] , de zoon van [geïntimeerde] .
3.1
Dit leidt het hof tot de conclusie dat [appellante] (kennelijk) haar (aangepaste) stellingen baseert op haar (sterke) vermoeden dat [geïntimeerde] de Porsche op enig moment voordat zij deze op zijn verzoek heeft ingevoerd heeft omgekat, maar dat zij dit – de tijdlijn en het omkatten – niet feitelijk kan onderbouwen. Voor bewijslevering – [appellante] heeft aangeboden [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] als getuigen te horen – is dan geen plaats. Hetzelfde geldt voor haar subsidiaire stelling: bij gebreke van enige onderbouwing waaruit de wetenschap van [geïntimeerde] blijkt, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
3.11
Nu het hof de stellingen van [appellante] dat [geïntimeerde] de Porsche heeft omgekat, dan wel dat [geïntimeerde] ten tijde van de inruil van de Porsche wist dat deze was omgekat, op de hiervoor genoemde gronden heeft verworpen, valt niet in te zien dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld en evenmin dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een door [appellante] gestelde overeenkomst tussen partijen.
3.12
Het hof merkt – ten overvloede – op dat [appellante] haar stelling dat partijen een overeenkomst over de inruil van de Porsche hebben gesloten evenmin (deugdelijk) heeft onderbouwd. Zij heeft enkel bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij in de periode van 29 november tot en met 27 december 2020 aan [geïntimeerde] vier betalingen van in totaal € 19.750 heeft gedaan. [geïntimeerde] betwist de gestelde overeenkomst. Volgens hem zijn deze betalingen gedaan in het kader van de relatie tussen partijen. Hij stelt dat hij wel eens contant geld had dat [appellante] dan stortte en aan hem betaalde en dat de vermeldingen bij de overboekingen allemaal anders en door [appellante] verzonnen zijn. Het hof merkt op dat bij slechts twee van de vier overboekingen in de omschrijving naar een auto wordt verwezen (‘terugbetaling inruil auto’ en ‘terugbetaling auto’). De omschrijving bij een derde overboeking vermeldt ‘terugbetaling lening’. Dit zou er ook op kunnen wijzen dat de betaling door [appellante] is gedaan ter aflossing van een lening van [geïntimeerde] aan haar. Gelet hierop acht het hof de overboeking door [appellante] van totaal € 19.750 aan [geïntimeerde] met de vermelde omschrijvingen onvoldoende om te onderbouwen dat partijen een overeenkomst met de door [appellante] gestelde inhoud hebben gesloten. De stelplicht en bewijslast van het bestaan van een overeenkomst, en bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast daarvan, rusten op de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van die overeenkomst, in dit geval [appellante] . Dat [appellante] niet aan haar stelplicht heeft kunnen voldoen, komt dan ook voor haar risico. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven wie eigenaar van de Porsche was. De schriftelijke verklaringen van [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] dat [geïntimeerde] eigenaar was van de Porsche, overigens zonder toe te lichten hoe zij dat (kunnen) weten, kunnen bij gebrek aan belang ook buiten beschouwing blijven.
3.13
Het voorgaande neemt niet weg dat deze zaak wel vragen oproept over de gang van zaken rond de invoer en inruil van de Porsche. Zo heeft [appellante] gesteld dat zij destijds in een Toyota Aygo reed en dat zij die auto had verzekerd en deze stelling deugdelijk met stukken onderbouwd. Verder heeft [appellante] gesteld, en met stukken onderbouwd, dat zij ten tijde van de invoer van de Porsche een Wajong-uitkering had en zich geen dure Porsche kon veroorloven. Gelet hierop kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] de Porsche heeft gekocht en ingevoerd, maar dat de Porsche vervolgens op naam van [geïntimeerde] is gezet omdat [appellante] geen verzekering kon krijgen dan wel dat een auto op haar naam meteen van de weg werd gehaald. Daar staat dan weer tegenover dat, zoals uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt, de Toyota Aygo (die dus eigendom was van [appellante] ) desondanks op naam van [geïntimeerde] stond. Verder gaat het hof ervan uit dat, gelet op het grote aantal auto’s dat op naam van [geïntimeerde] geregistreerd is geweest, [geïntimeerde] wel degelijk ook anders dan voor eigen gebruik auto’s kocht en verkocht. Wat daarvan zij, ook als deze stellingen van [appellante] juist zijn, kan dit niet tot een andere uitkomst leiden.
3.14
De conclusie is dan ook dat de grieven falen en dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 349,--
salaris advocaat € 5.880,-- (2,5 punten x tarief IV)totaal € 6.229,--

4.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2024;
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 6.229,-- en op € 189,-- voor nakosten;
  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling voldoet en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, M.J. van der Ven en A.F.J.A. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.