Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:549

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
22-000022-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 242 SrArt. 342 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verkrachting toenmalige vriendin met oplegging gevangenisstraf en schadevergoeding

Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte veroordeeld voor verkrachting van zijn toenmalige vriendin op 21 mei 2020. De verdachte drong onverhoeds met zijn vinger en penis de vagina van het slachtoffer binnen, ondanks haar duidelijke verbale en non-verbale verzet.

De verklaring van het slachtoffer werd als betrouwbaar beoordeeld en vond steun in de eigen verklaring van de verdachte en een heimelijke geluidsopname. Het hof oordeelde dat de verdachte door geweld en andere feitelijkheden het slachtoffer dwong tot het ondergaan van seksuele handelingen.

De straf is vastgesteld op 21 maanden gevangenisstraf, aanzienlijk hoger dan de eerdere straf van 12 maanden waarvan 11 voorwaardelijk. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend van €21.091, bestaande uit €15.091 materiële schade en €6.000 immateriële schade, gebaseerd op de Rotterdamse Schaal. De vordering tot overige schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf en toekenning schadevergoeding van €21.091 voor verkrachting van zijn toenmalige vriendin.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000022-24
Parketnummer: 09-021859-23
Datum uitspraak: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan elf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder bijzondere voorwaarden. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tot slot is een beslissing genomen omtrent de vordering benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 21 mei 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of en een andere feitelijkheid, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer] , te weten
- het (onverhoeds en/of met kracht) brengen en/of duwen en/of houden van zijn penis in de vagina van [het slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) het (heen en weer) bewegen van zijn penis in of uit de vagina van [het slachtoffer] en/of
- het (onverhoeds en/of met kracht) brengen en/of duwen en/of houden van zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van [het slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) het (heen en weer) bewegen van zijn vinger(s) in of uit de vagina van [het slachtoffer] en/of
- het (meermalen) betasten van de billen (in de richting van de vagina) van [het slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte:
- op de bovenbenen van [het slachtoffer] zat waardoor [het slachtoffer] geen, althans weinig bewegingsvrijheid had en/of
- de bovenbenen van [het slachtoffer] vastpakte en/of
- doorging met voornoemde handelingen, terwijl [het slachtoffer] (meerdere malen) had aangegeven dat zij dit niet wilde en/of
- ( meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van [het slachtoffer] .

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf door de duur van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de aangeefster, gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks21 mei 2020 te 's-Gravenhage,
althans in Nederland,door geweld
of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld ofeneen andere feitelijkheid, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van
een of meerhandelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer] , te weten
- het (onverhoeds
en/of met kracht) brengen en/of duwen en
/ofhouden van zijn penis in de vagina van [het slachtoffer] en
/of
- ( vervolgens) het (heen en weer) bewegen van zijn penis in of uit de vagina van [het slachtoffer] en
/of
- het (onverhoeds
en/of met kracht) brengen en/of duwen en
/ofhouden van zijn vinger
(s)in de vagina
en/of tussen de schaamlippenvan [het slachtoffer] en
/of
- ( vervolgens) het
(heen en weer)bewegen van zijn vinger
(s)in of uit de vagina van [het slachtoffer] en
/of
- het (meermalen) betasten van de billen (in de richting van de vagina) van [het slachtoffer] en bestaande dat geweld
of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld ofeneen andere feitelijkheid hierin dat verdachte:
- op de bovenbenen van [het slachtoffer] zat waardoor [het slachtoffer] geen, althans weinig bewegingsvrijheid had en
/of
- de bovenbenen van [het slachtoffer] vastpakte en
/of
- doorging met voornoemde handelingen, terwijl [het slachtoffer]
(meerdere malen
)had aangegeven dat zij dit niet wilde en
/of
-
(meermalen)voorbij is gegaan aan de verbale en
/ofnon-verbale signalen van verzet/weerstand van [het slachtoffer] .
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, en hiertoe aangevoerd dat er seks heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [het slachtoffer] , maar dat daarbij geen sprake is geweest van dwang.
Juridisch kader
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet zo’n verklaring voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Die steun hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging, maar de tenlastelegging in haar geheel moet die steun krijgen. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster
[het slachtoffer] heeft op 28 februari 2022 aangifte gedaan tegen de verdachte wegens verkrachting. Aan deze aangifte ging een informatief gesprek met de zedenpolitie vooraf. Zowel tijdens dit gesprek als in haar aangifte heeft de aangeefster gedetailleerd verklaard over wat er volgens haar is voorgevallen. Zij heeft beschreven hoe zij en de verdachte bij haar thuis kwamen na een dag aan het strand, dat de verdachte seksuele toenadering zocht en dat zij aangaf geen seks te willen omdat zij pijn had vanwege haar verbrande huid. Nadat de verdachte aanbood haar rug in te smeren met aftersun kwamen zij op haar bed terecht, waar zij op haar buik ging liggen terwijl de verdachte op haar bovenbenen zat. De verdachte begon haar in te smeren en kwam steeds dichter bij haar vagina. Hij gebruikte de aftersun als een soort glijmiddel. De aangeefster probeerde de verdachte weg te duwen, maar hij heeft haar desondanks met zijn vinger en penis gepenetreerd. Zij gaf nogmaals aan dat zij dat niet wilde en probeerde hem weg te duwen, maar dat lukte haar niet. Op enig moment wist zij zich om te draaien zodat zij op haar rug kwam te liggen. De verdachte pakte haar benen en penetreerde haar nogmaals. Hij kwam klaar en stopte, waarna zij moest huilen.
Aldus heeft de aangeefster gedetailleerd verklaard over de volgens haar door de verdachte verrichte seksuele handelingen en de concrete toedracht. Haar verklaringen, te weten de aangifte en het voorafgaande informatieve gesprek, zijn ook consistent. Daarnaast heeft zij kort na de betreffende dag in grote lijnen hetzelfde verklaard tegenover een vriendin en de moeder van die vriendin, de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Ook blijkt uit de informatie in het dossier dat de aangeefster psychologische hulp heeft gezocht en dat hetgeen zij aan haar behandelaar heeft verteld over het gebeurde, overeenkomt met wat zij tegenover de politie heeft verklaard en tegenover de genoemde [getuige 1] en [getuige 2] .
Gelet hierop ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Voor zover de verdachte heeft gesuggereerd dat de aangeefster een valse aangifte heeft gedaan uit wraak nadat hij was vreemdgegaan en hun relatie was geëindigd, acht het hof dit op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het hof neemt daartoe mede in aanmerking dat de aangeefster al kort na het gebeurde daarover heeft verklaard tegenover [getuige 1] en [getuige 2] , op een moment dat de verdachte nog niet was vreemdgegaan en hun relatie nog niet was geëindigd.
Steunbewijs
De verklaring van de aangeefster vindt in belangrijke mate steun in de verklaring van de verdachte zelf. Hoewel de verdachte heeft ontkend dat hij seks heeft gehad met de aangeefster tegen haar wil, komt zijn verklaring op relevante onderdelen overeen met de verklaringen van de aangeefster. Net als de aangeefster heeft de verdachte verklaard dat zij na een dag aan het strand samen naar het huis van de aangeefster gingen, dat de aangeefster door de zon verbrand was, dat hij heeft aangeboden haar rug in te smeren met aftersun, dat zij op haar buik op het bed ging liggen en dat hij op haar bovenbenen ging zitten om haar rug in te smeren. Eveneens net als de aangeefster heeft de verdachte verklaard dat het glibberig was door de aftersun, dat hij de aangeefster van achteren vaginaal heeft gepenetreerd met zijn vinger en daarna zijn penis en dat de aangeefster na afloop van de seks huilde. Daarmee geeft de verklaring van de verdachte naar het oordeel van het hof niet alleen steun aan de seksuele handelingen waarover de aangeefster heeft verklaard, maar ook aan de concrete omstandigheden waaronder die volgens haar hebben plaatsgevonden. Dat de aangeefster na afloop van de seks huilde vanwege de pijn van haar verbrande huid, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesuggereerd, acht het hof onaannemelijk. Eerder had zij daarom niet gehuild, terwijl de verdachte haar bovendien had ingesmeerd met aftersun, die een verkoelende werking heeft.
Steun voor de verklaring van de aangeefster biedt ook de (transcriptie van de) heimelijke geluidsopname die de aangeefster heeft gemaakt van een gesprek tussen haar en de verdachte. In dat gesprek antwoordt de verdachte op de vraag van de aangeefster waarom hij zonder toestemming zijn penis in haar vagina heeft gebracht: “ik neem aan dat ik niet dacht, ik dacht niet aan mijn actie”. Op de vraag van de aangeefster of hij wel weet dat hij haar heeft verkracht, reageert de verdachte met “ja”. Het hof ziet hierin een bevestiging dat de verdachte tegen de wil van de aangeefster seksuele handelingen heeft verricht bij haar. De later afgelegde verklaring van de verdachte dat hij op deze wijze heeft geantwoord omdat hij nog verliefd was op de aangeefster, het contact wilde voortzetten en daarom heeft gezegd wat hij dacht dat zij wilde horen, acht het hof niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat de verdachte in strijd met de waarheid een zodanig ernstig verwijt zou toegeven.
Voor de verklaring van de aangeefster kan tot slot steun worden gevonden in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , voor zover zij hebben verklaard over de emotionele toestand van de aangeefster toen deze aan hen, kort na de gebeurtenissen op 21 mei 2020, vertelde over de verkrachting. Zij hebben verklaard dat de aangeefster van streek dan wel in tranen was.
Het hof concludeert dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Dwang
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte, terwijl de aangeefster op haar buik lag en hij op haar bovenbenen zat, onverhoeds zijn vinger in haar vagina heeft gebracht. Hoewel de aangeefster aangaf dit niet te willen en zijn hand wegduwde, heeft de verdachte daarna onverhoeds zijn penis in haar vagina gebracht. De aangeefster probeerde de verdachte daarop weg te duwen, maar dit lukte haar niet. Toen de aangeefster zich wist om te draaien en probeerde weg te komen, heeft de verdachte haar benen vastgepakt en haar opnieuw gepenetreerd. Aldus heeft de verdachte de aangeefster in een door hem gecreëerde situatie gebracht waarin zij zich niet kon verzetten tegen de seksuele handelingen en zij deze dus – tegen haar wil – heeft moeten ondergaan. De verdachte is daarbij voorbijgegaan aan voor hem duidelijk kenbare verbale en non-verbale signalen van de aangeefster dat zij de seksuele handelingen niet wilde. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte de aangeefster door geweld en een andere feitelijkheid heeft gedwongen deze seksuele handelingen te dulden.
Conclusie
Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin verkracht. Na een dag op het strand zijn zij samen naar haar woning gegaan. Toen de verdachte in de badkamer toenadering zocht, heeft het slachtoffer kenbaar gemaakt geen seks te willen, omdat zij pijn had aan haar door de zon verbrande lichaam. De verdachte bood daarop aan haar rug in te smeren met aftersun. Nadat het slachtoffer op haar buik op het bed was gaan liggen, is de verdachte op haar bovenbenen gaan zitten. Tijdens het insmeren heeft hij zijn handen geleidelijk richting haar vagina bewogen en is hij eerst met zijn vinger en vervolgens met zijn penis haar vagina binnengedrongen, terwijl het slachtoffer meermalen aangaf dit niet te willen. Door aldus te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook heeft hij op grove wijze het vertrouwen beschaamd dat het slachtoffer in hem als haar partner stelde, nota bene in haar eigen woning. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en uitsluitend zijn eigen bevrediging voorop heeft gesteld.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven langdurige psychische schade (kunnen) ondervinden. Dat is in dit geval niet anders geweest, zo blijkt uit de slachtofferverklaring en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Daaruit komt naar voren dat het slachtoffer als gevolg van de verkrachting behandelingen heeft ondergaan en nog steeds ondergaat bij een psycholoog.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van die straf aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting met betrekking tot overtreding van artikel 242 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opgenomen. Het hof acht dat ook in deze zaak in beginsel een passende straf. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven het hof geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de verdachte na de verkrachting zelf heeft gehuild, acht het hof – anders dan de rechtbank – geen strafmatigende omstandigheid. Dat huilen doet immers op geen enkele wijze af aan de ernst van het feit en de impact die het feit heeft gehad op het slachtoffer. Evenmin kan uit dat huilen worden afgeleid dat de verdachte het laakbare van zijn handelen heeft ingezien; integendeel, hij heeft het feit ontkend en aldus geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Een kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit.
Als strafmatigend neemt het hof wel in aanmerking dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden in de fase van het hoger beroep. De verdachte is op 29 december 2023 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank, terwijl het dossier bij het hof is binnengekomen op 6 maart 2025 en dit arrest wordt gewezen op 10 april 2026. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van twee jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim drie maanden en de inzendtermijn is met ruim zes maanden overschreden.
Het hof zal daarom – in plaats van de hiervoor genoemde gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden opleggen als passend en geboden. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet het hof geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Inmiddels zijn bijna zes jaren verstreken sinds het bewezenverklaarde. Niet is gebleken dat recent nog sprake is geweest van enig contact of een poging daartoe tussen de verdachte en het slachtoffer.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 70.239,47.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
Dit bedrag bestaat uit € 60.239,47 aan materiële schade, opgebouwd uit de volgende schadeposten:
a. studievertraging: € 54.503,75;
b. wettelijk collegegeld: € 5.269,92;
c. reiskosten in verband met de psychologische zorg: € 374,80;
d. factuur voor het opvragen van de medische gegevens bij [psychiaterpraktijk] : € 91.
De rest van de vordering bestaat uit € 10.000,- aan immateriële schade.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft verzocht om ten aanzien van de materiële schade de schadepost c niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de schadeposten a, b, d en de immateriële schade heeft de advocaat-generaal verzocht om deze toe te wijzen vermeerderd met de rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht van de materiële schade de schadepost c af te wijzen bij gebreke van voldoende onderbouwing en schadeposten a en b niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat een causaal verband tussen de gebeurtenissen op 21 mei 2020 en de klachten die hebben geleid tot studievertraging niet eenvoudig kan worden vastgesteld, nu daarvoor ook andere mogelijke oorzaken zijn aan te wijzen. Voorts heeft de raadsman verzocht de immateriële schade te matigen tot € 5.000,-, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal.
Het oordeel van het hof
Materiële schade
Gelet op hetgeen door de raadsman ter betwisting tegen de vordering is aangevoerd, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de gestelde studievertraging waarvoor onder de posten a en b schadevergoeding is gevorderd in voldoende causaal verband staat tot het bewezenverklaarde feit. Het overweegt daartoe als volgt.
Uit de zich in het dossier bevindende stukken van een psycholoog verbonden aan [psychologenpraktijk] en van een psychiater en een psycholoog verbonden aan [psychiaterpraktijk] blijkt dat de benadeelde partij psychische klachten heeft, dat zij is gediagnostiseerd met PTSS en dat langdurige traumabehandeling is aangewezen. De verkrachting komt in deze stukken naar voren als een van de oorzaken van de psychische problemen. Ook blijkt dat de benadeelde partij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van haar psychische klachten. Het hof is dan ook van oordeel dat enig causaal verband tussen de verkrachting en de studievertraging kan worden vastgesteld. Echter, uit de informatie van de behandelaars blijkt ook dat de benadeelde partij te kampen heeft met meerdere andere traumatische gebeurtenissen, zowel in haar jeugd als in haar verdere leven, die het beloop van haar psychische klachten negatief hebben beïnvloed. Gelet daarop kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden vastgesteld dat de verkrachting de enige oorzaak van de studievertraging is. Ook de andere traumatische gebeurtenissen lijken een rol te hebben gespeeld. Omdat het hof van oordeel is dat de verkrachting wel degelijk een belangrijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de psychische klachten en dus een mede-oorzaak is geweest van de studievertraging, zal het hof de geleden materiële schade schattenderwijs vaststellen op € 15.000,-. In het overig gevorderde bedrag zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu nader onderzoek naar de gegrondheid daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Indien de aangeefster vergoeding van dit overige bedrag wil, dient zij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.
Het hof zal de benadeelde partij in schadepost c niet-ontvankelijk verklaren, nu door de verdediging is betwist dat deze kosten zijn gemaakt en deze niet zijn onderbouwd met stukken.
Tot slot wijst het hof schadepost d toe, nu deze niet is betwist door de verdediging.
Voorgaande betekent dat de gevorderde materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 15.091,-. Wat betreft de gevorderde wettelijke rente heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat deze pas zou moeten toegewezen vanaf het ontstaan van de schade. De benadeelde partij heeft geen datum genoemd. Aangezien de schadepost collegegeld gedurende een periode is ontstaan en de schadepost studievertraging bestaat uit toekomstige schade (als gevolg van het later actief worden op de arbeidsmarkt), is niet nauwkeurig een datum aan te wijzen waarop de schade is ontstaan. Het hof zal daarom de wettelijke rente over het bedrag van € 15.000,- toewijzen vanaf de datum van het indienen van de vordering in eerste aanleg, zijnde 22 november 2023. Over het bedrag van € 91,- zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 20 september 2023, zijnde 14 dagen na de factuurdatum.
Immateriële schade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. Zij heeft immers te kampen met psychische klachten, die in belangrijke mate het gevolg zijn van het bewezenverklaarde. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarbij gekeken naar het bedrag dat wordt genoemd onder ‘15.1.c Seksuele misdrijven’, te weten een bedrag tussen de € 2.500 en de € 7.500. In deze categorie gaat het doorgaans om een eenmalige verkrachting in de situatie dat de dader en de benadeelde een relatie hadden. Naar het oordeel van het hof leent de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Conclusie
Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 21.091,-, bestaande uit € 15.091,- aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 21.091,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de data en bedragen zoals hiervoor genoemd, ten behoeve van [het slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (éénentwintig) maanden.
Vordering van [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 21.091,00 (éénentwintigduizend éénennegentig euro) bestaande uit € 15.091,00 (vijftienduizend éénennegentig euro) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 21.091,00 (éénentwintigduizend éénennegentig euro) bestaande uit € 15.091,00 (vijftienduizend éénennegentig euro) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op
ten hoogste 128 (honderdachtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade over een bedrag van € 15.000,- op 22 november 2023 en over een bedrag van € 91,- op 20 september 2023.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffiers mr. T. Kherad en mr. I.L. Vollering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2026.