Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:543

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.338.259/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:155 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor scheuren en verzakkingen in appartement door werkzaamheden winkelpand

In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid centraal voor scheuren en verzakkingen in een appartement die zijn ontstaan na werkzaamheden aan het onderliggende winkelpand. De eigenaresse van het appartement vordert schadevergoeding van de eenmanszaak die de werkzaamheden uitvoerde. De rechtbank heeft de eenmanszaak veroordeeld tot betaling van herstelkosten en gederfde huurinkomsten.

In hoger beroep betwist de eenmanszaak de aansprakelijkheid en stelt dat de verkeerde partij is gedagvaard, terwijl de eigenaresse juist Bascon Constructies B.V. aansprakelijk zou moeten stellen. Het hof oordeelt dat sprake is van een kennelijke vergissing en dat de eenmanszaak terecht partij is in de procedure. Tevens wijst het hof erop dat de schuldoverneming door Bascon Constructies B.V. zonder toestemming van de schuldeiser niet werkt jegens de eigenaresse.

Het hof beveelt de eigenaresse om verzekeringsrapporten over te leggen die mogelijk relevant zijn voor de schadevaststelling. Totdat deze stukken zijn ingediend en beoordeeld, wordt verdere beslissing aangehouden. De zaak wordt verwezen naar de rol van 28 april 2026 voor het nemen van een akte.

Uitkomst: Het hof beveelt overlegging van verzekeringsrapporten en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.338.259/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/579469 / HA ZA 19/918
Arrest van 31 maart 2026
in de zaak van
1.
[appellant 1] h.o.d.n. [Vof appellant 1] ,voorheen in de dagvaarding aangeduid als
[Vof appellant 1] B.V.,
wonend in [woonplaats 2] ,
2.
Bascon Holding B.V.,
gevestigd in Den Haag,
3.
Bascon Constructies B.V.,
gevestigd in Den Haag,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.A.D. Bol, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.A. Uilkema, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna gezamenlijk [appellant c.s.] (de eenmanszaak wordt afzonderlijk aangeduid als [appellant 1] ) en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant 1] heeft werkzaamheden verricht aan een winkelpand onder het appartement van [geïntimeerde] . In het appartement van [geïntimeerde] zijn scheuren en verzakkingen ontstaan. De vraag is onder meer wie daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden en hoe hoog de herstelkosten zijn.
1.2
De rechtbank heeft [appellant 1] veroordeeld tot betaling van € 65.169,91 en tot betaling van € 200,- per maand aan gederfde huurinkomsten totdat de schade is hersteld.
1.3
Het hof oordeelt in dit arrest dat [geïntimeerde] ontvankelijk is in haar vordering jegens [appellant 1] . Het hof beveelt [geïntimeerde] om schaderapporten van de verzekeraar over te leggen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 21 februari 2024, waarmee [appellant c.s.] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 11 december 2019, 23 september 2020, 13 juli 2022, 16 november 2022 en 22 november 2023;
  • de memorie van grieven van [appellant c.s.] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van [geïntimeerde] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant c.s.] met bijlagen;
  • de bijlagen 7 tot en met 10 die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 19 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Uilkema aan de hand van pleitaantekeningen die zij heeft overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[geïntimeerde] is eigenaresse van het appartement aan [adres 1] (hierna: het appartement).
3.2
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) is eigenaar van het winkelpand gelegen aan [adres 2] . Dit winkelpand bevindt zich onder het appartement van [geïntimeerde] .
3.3
In oktober 2015 heeft [naam 1] opdracht gegeven aan [Vof appellant 1] om diverse werkzaamheden te verrichten in het winkelpand. [Vof appellant 1] was de eenmanszaak van [appellant 1] (hierna ook: [appellant 1] ).
3.4
In de door [Vof appellant 1] aan [naam 1] uitgebrachte offerte van 27 oktober 2015 is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Betreft: Offerte staalconstructie werk [adres 1]
(…)
Uitvoeren van een muurdoorbraak volgens tekening [naam 2] met werkno. 16048 getekend op 23-01-2015.
Bovenligger HEB240 10460mm
Onderligger HEB240 10460mm
3 kolommen HEB 240
4x onderslag tbv palen
Onderstempelen
In de werkplaats fabriceren
Aanbrengen van staal
(…)
Totaal € 8.651,-”
3.5
Op 17 november 2015 zijn tijdens werkzaamheden in het winkelpand verzakkingen in het appartement geconstateerd en schade in/aan bouwmuren en tussenmuren (scheurvorming) van het appartement. Ook andere appartementen zijn hierbij beschadigd.
3.6
Voordat het incident plaatsvond, was als gevolg van door een andere aannemer in mei 2015 in het winkelpand uitgevoerde werkzaamheden een lichte zetting en scheurvorming van een stuclaag ontstaan naast de voordeur van het appartement.
3.7
Per brief van 18 december 2015 heeft [geïntimeerde] [Vof appellant 1] aansprakelijk gesteld voor de op 17 november 2015 ontstane schade aan het appartement en verzocht binnen veertien dagen schriftelijk te bevestigen dat het (of een namens [Vof appellant 1] ingeschakelde partij) binnen zes weken tot herstel van de schade zal overgaan.
3.8
In een e-mail van 29 januari 2016 heeft [appellant 1] aan (de gemachtigde van) [geïntimeerde] het volgende geschreven:
“Op 18 december heb ik een brief ontvangen van [geïntimeerde] met het verzoek om de schade af te handelen. Ik heb tevens met haar tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden gesproken en toegezegd dat indien er schade door mij is verricht, deze te zullen herstellen.
Op 24-11 heb ik een brief aan alle bewoners boven de winkel waar wij werkzaamheden hebben uitgevoerd een brief in de brievenbus gegooid met het verzoek mij te mailen of te bellen om de schade af te handelen. Alle drie de buren ben ik reeds in contact om de herstellingswerkzaamheden uit te voeren.
(…)
Graag zou ik een afspraak willen maken met [geïntimeerde] om de schade te inventariseren en af te handelen. Ik zou met [geïntimeerde] graag telefonisch of per mail willen corresponderen zodat we de schade sneller kunnen afhandelen. Want ik zit er zelf ook mee en ik wil graag dit probleem zo snel mogelijk oplossen.”
3.9
De gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) heeft toezicht gehouden op de verbouwing van het winkelpand. In het door de toezichthouder bijgehouden ‘BRIS toezicht rapport’(hierna: het BRIS-rapport) is – voor zover van belang – het volgende gerapporteerd:
“16-11-15 Ter plaatse geweest. Gezien dat een deel van de muur al verwijderd was en dat de helft van de staalconstructie al geplaatst was. Dit terwijl ik de stempeling nog niet gecontroleerd had. De aannemer voor het staal ( [appellant 1] ) gaf aan dat hij niet wist dat ik de stempeling moest controleren (…)”
“20-11-15 Nog te horen gekregen van dhr. [appellant 1] dat er scheurtjes zijn ontstaan in de bovenliggende woning en dat hij dit nog zou oplossen.”
“10-12-15 [naam 3] en [naam 4] zijn ter plaatse geweest naar aanleiding van een melding van de eigenaresse van de bovenliggende woning. Zij gaf aan dat scheurvorming heeft naar aanleiding van de verbouwing op de begane grond. [naam 3] en [naam 4] hebben geconstateerd dat er diverse scheuren zijn ontstaan in de bovenliggende woningen welke vermoedelijk afkomstig zijn van de verbouwing beneden. Het betreffen diverse scheuren waarvan de grootste ongeveer 1,5 a 2 cm bedraagt.”
“14-12-15 Ter plaatse geweest samen met [naam 3] . Geconstateerd dat de staalconstructie nog niet (goed) is onderkouwd met krimpvrije mortel.”
3.1
Op 4 februari 2016 heeft [geïntimeerde] opdracht gegeven aan [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) om een onderzoek in te stellen naar de schade die aan het appartement is ontstaan tijdens de renovatie van het onder het appartement gelegen winkelpand. Op 8 februari 2016 heeft [naam bedrijf 1] het appartement geïnspecteerd. Bij deze inspectie was [appellant 1] aanwezig. Naar aanleiding van de inspectie heeft [naam bedrijf 1] een rapport opgesteld waarin – voor zover hier van belang – het volgende is vermeld:
Constatering

Bij nader onderzoek van de betreffende woning [adres 1] , is gebleken dat er diverse bouwmuren- en tussenmuren meerdere recentelijk ontstane scheuren c.q. zettingen aanwezig zijn.

Tevens is geconstateerd dat er een lichte zichtbare verzakking in de woonkamer en gangvloer ontstaan is.

De entreedeur klemt en hangt duidelijk visueel te constateren uit lood.

Onderzoek wijst uit dat in de onder de woning aanwezige winkels een verbouwing gaande is, de betreffende bouwmuur tussen [adres 1] en [adres 2] op de begane grond is geheel verwijderd
Hiervoor is door constructiebureau [naam 2] een berekening gemaakt voor een metalen draagconstructie.
Ook is bij de gemeente een bouwtekening ingediend welke door de betreffend aannemer, die bij het onderzoek aanwezig was, goedgekeurd en de gehele verbouwing schijnt periodiek door de gemeente te zijn gecontroleerd.

Helaas is blijkbaar bij het verwijderen van de betreffende bouwmuur tijdelijk de bovengelegen muren niet goed ondersteund waardoor alle bovengelegen muren en scheidingswanden lichtelijk zijn verzakt.
Conclusie
1.
de reële verwachting is dat de bestaande zettingen zijn gestabiliseerd, zodat herstel van de schade in de bovenwoning uitgevoerd kan gaan worden.
Aangeraden verbeteringen

verwijderen vloerbedekking in woonkamer en gang/hal

verwijderen noodzakelijke vloerhout.

Onderwiggen tot waterpas van de vloerbalken.

Vloerhout monteren

Gezien de verzakte tegels in de badkamer zal ook deze vloer gedeeltelijk of geheel verwijderd dienen te worden en tevens enkele gescheurd tegels op de wanden vervangen.

In de nodige vertrekken waar zettingen in wanden en langs plafond zijn ontstaan verwijderen behang c.q. wandafwerking.

De grote scheuren in de woonkamer wapenen, en wel als volgt.
o
Vanaf plafond gerekend, de scheuren ca 50 cm overlappend naar links en rechts geheel 5 a 6 cm diep inslijpen( ca om de 30 cm hoogte)
o
In deze geslepen sleuven een rvs wapeningstaaf aanbrengen en de sleuven weer dichten met specie.
o
De scheuren wapenen met stuukgaas en stuken.
o
Alle kleine zettingen gehele huis uitkrappen, zo nodig wapenen met stuukgaas en stuken.
o
In overleg met eigenares opnieuw behangen.

Hierna alle vloerbedekking (laminaat e.d.) terug aanbrengen en zo nodig aanhelen als bestaand.

Inde badkamer ondervloer( beton?) terug aanbrengen, afdeklaag aanbrengen, zonodig kimband aanbrengen en vloer opnieuw betegelen en afdoend waar nodig kitten

Betegeling op wanden afdoend herstellen.

Entreedeur kozijn op bevestiging nazien en zo nodig herstellen

Entreedeur goed gang- en sluitbaar maken.
Kosten opgaaf
Alle kosten worden geheel ingeschat op ca € 11.225,--,-- excl. BTW”
3.11
Bij e-mail van 5 maart 2016 heeft [appellant 1] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:
“Naar aanleiding van onze bezoek aan uw cliënte zijn wij tot de conclusie gekomen dat de schade alleen aan de muur gelegen boven de staalconstructie waar wij werkzaamheden hebben verricht is veroorzaakt door ons. De schade aan de overige muren zijn niet door ons veroorzaakt of door derden die onder onze verantwoordelijkheid hebben gewerkt. Wij wijzen dan ook alle aansprakelijkheid af wat betreft de schades anders dan die door ons veroorzaakt. Zie uw eigen schade rapport bij foto 15 op pagina 12 daar staat: “Opmerking. Gedeelte winkel reeds afgebouwd, constructie achterplafond niet meer zichtbaar, ten tijde van deze verbouwing is de schade in de bovenwoning in de overige vertrekken ontstaan.” Kortom, de expertise bureau die u heeft ingeschakeld concludeert hetzelfde wat wij u al reeds kenbaar hebben gemaakt. Wij verzoeken u en uw cliente deze schade te verhalen op de aannemersbedrijf die voorheen werkzaamheden heeft verricht en de schade heeft veroorzaakt en niet op ons. Wij hebben mevrouw aangeboden om de schade welke door ons is veroorzaakt te herstellen kosteloos. Echter tot op heden heeft zij niet gereageerd op onze voorstel.”
3.12
Op 24 augustus 2016 heeft [naam bedrijf 1] een deformatiemeting in het appartement van [geïntimeerde] uitgevoerd en heeft naar aanleiding van die meting gerapporteerd dat de gebreken in hevigheid zijn toegenomen: onder meer zijn de scheuren groter en breder geworden en de vloeren verder verzakt. In het rapport staat onder meer het volgende:

Aangeraden verbeteringen

Waarschijnlijk mag nu worden aangenomen dat de zetting gestabiliseerd zijn en is reparatie van meerdere zettingen en scheuren een noodzaak.

Aangeraden wordt de grote scheuren in de woonkamer geheel te wapenen ( met corrosie vrije wapeningsstaven) over meerdere lagen metselwerk en minimaal 50 cm scheur overlappend, met een corrosie vrije wapening

De kleinere scheuren ter plaatse uithakken en wapenen met een glasvlies wapening voordat het pleisterwerk hersteld wordt,

De vloerbedekking (Laminaat), op de vloeren in de gang en woonvertrekken waar verzakking aanwezig is, geheel te verwijderen, de houten bestaande ondervloeren geheel op te vijzelen en waterpas opnieuw aanbrengen en daarna vloer afwerking als bestaand.

Herstel van plaatselijk gescheurde betegeling op diverse wanden.

En de verbeteringen als gevolgzijnde van bovengenoemde.
Een prijs opgaaf kan in deze niet meer worden genoemd, de inschatting is dat de eerdere expertise behoorlijk wordt overschreden door de verergering van alle reeds eerdere geconstateerde schouwing.
Aangeraden wordt dan ook om door een erkend Aannemer c.q. Stukadoorsbedrijf een prijsopgave aan te vragen voor:
o repareren van stuc- en pleisterwerk.
o het wapenen van de ontstane scheuren in de woonkamer,.
o het opnemen van de genoemde vloerplanken, het uit passen van de vloerplanken, alsmede daarna deze weer aanbrengen.
o Het aanbrengen van vloerbedekking (Laminaat) als bestaand
o Het vervangen van de gescheurd betegeling in divers vertrekken.
o Het herstellen van het metselwerk op balkon.
o Mogelijk weer opnieuw stellen diverse kozijnen, deze zijn niet fotografisch vastgelegd aangezien de vermoedelijke schade in deze een gevolg zijn van eerdere en recentere zetiingen.”
3.13
Op verzoek van [geïntimeerde] heeft DHQ Bouw B.V. op 1 juni 2018 een offerte uitgebracht voor de renovatie van het appartement. Daarin heeft DHQ Bouw B.V. de totale kosten begroot op € 30.683,71 inclusief BTW.
3.14
Bij brief van 18 december 2018 heeft [geïntimeerde] [appellant 1] gesommeerd de schade aan het appartement te vergoeden. Aan deze sommatie heeft [appellant 1] niet voldaan.
3.15
Op 20 januari 2020 heeft [naam schildersbedrijf] een offerte aan [geïntimeerde] uitgebracht voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden in het appartement. De totale kosten zijn door Vikash begroot op € 34.750,25 inclusief BTW.
3.16
Tot op heden is de schade aan het appartement niet (geheel) hersteld.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft [Vof appellant 1] B.V. (hierna ook: Bascon) gedagvaard en gevorderd (samengevat en na eiswijziging) Bascon te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de kosten van de herstelwerkzaamheden, primair vast te stellen door het gemiddelde van drie op te vragen offertes en subsidiair tot een bedrag van € 34.750,25. In de loop van de procedure heeft [geïntimeerde] wederom haar eis gewijzigd in die zin dat zij een bedrag vordert van € 85.397,86 (incl. BTW). Verder heeft zij een bedrag van € 1.869,60 aan kosten ter vaststelling van de hoogte van de schade gevorderd, gederfde huurinkomsten van € 450,- per maand en buitengerechtelijke kosten.
4.2
[geïntimeerde] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat Bascon verbouwingswerkzaamheden heeft uitgevoerd in het winkelpand onder haar appartement als gevolg waarvan ernstige schade aan haar appartement is ontstaan. Bascon heeft daarmee een onrechtmatige daad jegens haar gepleegd en moet daarom de schade vergoeden.
4.3
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 september 2020 Bascon in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de schade aan het appartement van [geïntimeerde] is veroorzaakt door de werkzaamheden van Bascon. Na getuigenverhoren heeft de rechtbank bij vonnis van 13 juli 2022 geoordeeld dat Bascon niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs en dat daarmee vaststaat dat de schade is veroorzaakt door de werkzaamheden van Bascon. Met betrekking tot de omvang van de schade heeft de rechtbank voorgesteld een deskundige te benoemen. Vervolgens is bij vonnis van 16 november 2022 als deskundige benoemd: F. de Haan (hierna: De Haan). Na het uitbrengen van het deskundigenrapport heeft de rechtbank bij eindvonnis van 22 november 2023 een rectificatie toegestaan in die zin dat als gedaagde partij geldt [appellant 1] , h.o.d.n. [Vof appellant 1] (de eenmanszaak). De rechtbank heeft [appellant 1] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 65.169,91, tot een bedrag van € 200,- per maand vanaf 1 februari 2016 tot het moment dat de schade aan het appartement zal zijn hersteld en tot betaling van de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant c.s.] wil dat het hof de bestreden vonnissen vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst. Ook wil hij dat het hof [geïntimeerde] veroordeelt om al hetgeen [appellant c.s.] ter uitvoering van de bestreden vonnissen mocht hebben betaald aan [appellant c.s.] terug te betalen, met rente. Tot slot wil [appellant c.s.] veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [appellant c.s.] op het volgende. [geïntimeerde] heeft de verkeerde partij gedagvaard en moet niet-ontvankelijk in haar vorderingen worden verklaard (grief 1). De feitenvaststelling is onjuist (grief 2). [appellant c.s.] is niet aansprakelijk voor de schade omdat de schade al eerder (door werkzaamheden van een ander) is ontstaan (grief 3). Het onderzoek ter plaatse door de deskundige is buiten aanwezigheid van [appellant 1] gedaan en het rapport moet daarom buiten beschouwing worden gelaten (grief 4). De omvang van de schade is niet juist (grief 5) en de gederfde huurinkomsten hadden afgewezen moeten worden (grief 6) evenals de kosten van vaststelling van de schade (grief 7).
5.3
[geïntimeerde] eist in incidenteel hoger beroep dat Bascon Constructies B.V. in de procedure betrokken wordt en op gelijke wijze is aan te spreken als de eenmanszaak (grief 1), dat het hof uitgaat van de kostenraming van Cocon Vastgoedonderhoud ter hoogte van € 85.397,86 (grief 2) en dat het hof de huurinkomsten vaststelt op € 450,- per maand vanaf 1 februari 2016 tot het moment dat de schade aan het appartement zal zijn hersteld (grief 3).
5.4
Kort gezegd meent [geïntimeerde] dat sprake is van verhaalsfrustratie omdat de eenmanszaak is ingebracht in Bascon Constructies B.V., dat de materiaalkosten en arbeidskosten flink zijn gestegen en dat in het rapport van De Haan niet de volledige schade is geraamd en dat het appartement onbewoonbaar is geworden zodat sprake is van huurderving van € 450,- per maand.

6.Beoordeling in hoger beroep

Verkeerde partij; ontvankelijkheid?

6.1
Volgens [appellant c.s.] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [appellant 1] in de plaats kan worden gesteld van [Vof appellant 1] B.V. Er is hier geen sprake van een kennelijke vergissing omdat in het deurwaardersexploot van de dagvaarding wordt verwezen naar het KvK-uittreksel met nummer 6707486; dit is het nummer waaronder [Vof appellant 1] B.V. stond geregistreerd. Deze BV bestaat echter niet meer. Daarnaast voert [appellant c.s.] aan dat [geïntimeerde] een rechtspersoon wilde dagvaarden en niet een natuurlijk persoon; dat is een andere partij. Tot slot is de rechtbank er volgens [appellant c.s.] aan voorbij gegaan dat [appellant 1] ernstig in zijn belangen wordt geschaad doordat de vonnissen zijn gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] in privé terwijl de eenmanszaak is gevrijwaard voor alle aanspraken van derden door Bascon Constructies B.V. [geïntimeerde] moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen.
6.2
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hier sprake is van een (kenbare) kennelijke vergissing. Vast staat dat [geïntimeerde] [Vof appellant 1] B.V. heeft gedagvaard en dat deze vennootschap op het moment van dagvaarden niet meer bestond. Niet [Vof appellant 1] B.V. heeft de werkzaamheden aan het winkelpand verricht maar de eenmanszaak. De eenmanszaak heeft de offerte aan [naam 1] verstrekt (zie hiervoor onder 3.4) en ook de facturen aan [naam 1] zijn op naam van de eenmanszaak gesteld. [geïntimeerde] heeft in december 2015 de eenmanszaak [Vof appellant 1] in gebreke gesteld (zie onder 3.7). Verder blijkt dat Joelemsing bij het dagvaardingsexploot als productie 1 het KvK-uittreksel van de eenmanszaak heeft overgelegd. Dit betreft een uittreksel van de eenmanszaak [Vof appellant 1] met als vestigingsnummer 000006704786. Dit nummer komt overeen met het nummer in de dagvaarding. [appellant c.s.] had dan ook moeten begrijpen dat [geïntimeerde] de eenmanszaak in de procedure wilde betrekken en niet de (niet meer bestaande) BV.
6.3
Verder kan niet worden gezegd dat [appellant 1] ernstig in zijn belangen is geschaad. [appellant 1] is immers van de gehele procedure op de hoogte geweest, heeft verweer gevoerd, is steeds aanwezig geweest bij de mondelinge behandelingen en de heer [appellant 1] is als getuige gehoord. Grief 1 van [appellant c.s.] faalt dus.
Schuldoverneming?
6.4
[appellant c.s.] heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat de beweerdelijke vordering van [geïntimeerde] niet bij [appellant 1] berust maar bij Bascon Constructies B.V. De eenmanszaak van [appellant 1] is inmiddels ingebracht in Bascon Holding B.V. welke op haar beurt de eenmanszaak heeft ingebracht in Bascon Constructies B.V. Uit de oprichtingsakten volgt dat [appellant 1] is gevrijwaard voor aanspraken van derden op de eenmanszaak door Bascon Constructies B.V.
6.5
Vast staat dat de (vermeende) schuld van de eenmanszaak in 2015 is ontstaan en dat de eenmanszaak in 2020 is ingebracht in Bascon Constructies B.V. Voor zover [appellant c.s.] zich beroept op schuldoverneming (art. 6:155 BW Pro) geldt dat deze pas werking heeft jegens de schuldeiser als de schuldeiser zijn toestemming geeft. Gesteld noch gebleken is echter dat [geïntimeerde] toestemming heeft gegeven voor de schuldoverneming door Bascon Constructies B.V. De eenmanszaak blijft dus degene die aangesproken kan worden.
6.6
[geïntimeerde] heeft op haar beurt (met grief 1 in incidenteel appel) betoogd dat Bascon Constructies B.V. op gelijke wijze (naast de eenmanszaak) aansprakelijk moet worden gehouden voor de herstelkosten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat met de inbreng van de eenmanszaak in Bascon Constructies B.V. de verhaalsmogelijkheden van [geïntimeerde] zijn gefrustreerd en dat deze handelwijze van [appellant c.s.] onrechtmatig is jegens haar. [geïntimeerde] heeft deze stelling echter niet onderbouwd hetgeen wel op haar weg had gelegen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant c.s.] Het hof ziet daarom geen aanleiding om Bascon Constructies B.V. – die niet was gedagvaard en (daarom) geen partij was in de eerste aanleg – naast de eenmanszaak te betrekken bij een (eventuele) veroordeling tot betaling.
Bevel overlegging stukken
6.7
[appellant c.s.] heeft erop gewezen dat de verzekeraar van [geïntimeerde] twee expertises (door CED) heeft laten uitvoeren, namelijk op 9 juni 2016 en 5 januari 2017. Op basis van het meest recente rapport uit 2017 zou de schade zijn begroot op € 21.000,- inclusief BTW. Deze rapporten zijn echter niet door [geïntimeerde] in het geding gebracht.
6.8
Nu de CED-rapporten niet zijn overgelegd, maar mogelijk wel van belang zijn voor een goede oordeelsvorming van het hof, zal het hof [geïntimeerde] op de voet van artikel 22 Rv Pro bevelen om de CED-rapporten (bij akte) over te leggen. [appellant c.s.] krijgt daarna de gelegenheid om bij antwoordakte op de rapporten te reageren.
6.9
In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
- beveelt [geïntimeerde] om de CED-rapporten van 9 juni 2016 en 5 januari 2017 over te leggen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 28 april 2026 voor het nemen van een akte;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, mr. M.Y. Bonneur en mr. M. Holthuis en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.