ECLI:NL:GHDHA:2026:54

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
200.357.378/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling tussen biologische vader en minderjarige zonder eerder contact

In deze zaak verzoekt de man, de biologische vader van een 13-jarige minderjarige, om een omgangsregeling. Er is echter nooit contact geweest tussen de man en het kind. De relatie tussen de man en de moeder is voor de geboorte van de minderjarige verbroken, en er was geen gezamenlijke intentie om een kind te krijgen en op te voeden. Bovendien is de man strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de moeder. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van 'family life' in de zin van artikel 8 EVRM, waardoor de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang. De rechtbank had de man eerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, en het hof bekrachtigt deze beslissing. De man had onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden wijzen op een duurzame wens tot contact met de minderjarige. De vrouw heeft de intentie van de man betwist en heeft aangegeven dat zij door hem is mishandeld. Het hof concludeert dat de man niet voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een band die rechtvaardigt dat hij in zijn verzoek tot omgang wordt ontvangen. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, en het verzoek van de man wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.357.378/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-5903
zaaknummer rechtbank : C/10/683954
beschikking van de meervoudige kamer van 21 januari 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A. Fakiri te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.E. de Jong te Zoeterwoude.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio: Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 25 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 9 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man
  • op 22 augustus 2025 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;
  • op 7 november 2025 een journaalbericht van 6 november 2025 met bijlage;
  • op 28 november 2025 een journaalbericht van 27 november 2025 met bijlagen.
2.4
Het hof heeft de minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 12 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • mr. R.G. Jagesar, waarnemend voor mr. A. Fakiri;
  • de advocaat van de vrouw.
De man en de vrouw zijn allebei niet in persoon verschenen.
De raad is, zoals aangekondigd bij brief van 18 november 2025, niet verschenen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen hebben een affectieve relatie gehad die voor de geboorte van de minderjarige is verbroken.
3.3
Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] de minderjarige [minderjarige] geboren, hierna: de minderjarige.
3.4
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.2
De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
  • zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling alsnog ontvankelijk te verklaren;
  • indien mogelijk zelf voorzien, dan wel onder verwijzing naar mediation of een raadsonderzoek, een regeling van de omgang vast te stellen, inhoudende dat de man geleidelijk en op veilige wijze contact met de minderjarige kan opbouwen;
  • althans een zodanige beslissing als het hof in het belang van de minderjarige juist acht.
4.3
De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren dat het hoger beroep van de man wordt afgewezen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders, een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, een omgangsregeling vaststellen. Op grond van artikel 8 het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bestaat recht op omgang als sprake is van family life. Ook als het gaat om een biologische ouder dient volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) sprake te zijn van bijkomende feiten en omstandigheden, waaronder een duurzaam gebleken wens en intentie tot contact, die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven (EHRM december 2010, 20578/07 (Anayo/Duitsland) nr. 60).
5.2
Het hof stelt voorop dat ter zitting is gebleken dat geen geschil (meer) bestaat over het biologisch vaderschap van de man. Evenmin bestaat geschil over het feit dat de man er nog nooit contact is geweest tussen de man en de minderjarige. Van bestaand familieleven tussen de man en de minderjarige is daarmee geen sprake. Het hof beoordeelt daarom of sprake is van bijkomende feiten en omstandigheden, bestaande uit een duurzaam gebleken wens tot contact (intended family life), op grond waarvan het alsnog zou moeten onderzoeken of het belang van de minderjarige bij dat contact gebaat is. Het hof is van oordeel dat de man deze bijkomende feiten en omstandigheden onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat voor de geboorte sprake was van een vrijwillige gezamenlijke intentie een kind te krijgen en op te voeden. De vrouw stelt door de man te zijn gecontroleerd en mishandeld. Ook stelt zij door hem te zijn gedwongen te stoppen met anticonceptie. Uit het dossier blijkt dat de man is veroordeeld voor het meermaals mishandelen van de vrouw op 1 oktober 2011, dus relatief kort voor de conceptie van de minderjarige. Toen de vrouw ontdekte dat ze zwanger was van de minderjarige is ze naar een vriendin in het buitenland gevlucht, aldus de vrouw. Wat betreft de door de man overgelegde foto van de echo van de zwangerschap overweegt het hof dat niet duidelijk is geworden hoe de man in het bezit is gekomen van deze foto. Dat maakt dat de foto geen bewijs oplevert van de stelling van de man dat hij indertijd betrokken was bij de zwangerschap van de vrouw. Hoewel het hof is gebleken dat de man in de afgelopen dertien jaar twee pogingen heeft gedaan om met de minderjarige in contact te komen, heeft hij de poging die hij in 2013 deed op eigen initiatief afgebroken en heeft hij zijn bericht in 2024 niet aan de vrouw of haar advocaat geadresseerd. Het hof constateert dat deze laatste poging niet los kan worden gezien van deze omgangsprocedure, die de man een maand later aanhangig heeft gemaakt. Voor zover de man stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij tijdens de strafrechtelijke procedure geen contact met de vrouw heeft opgenomen aangaande de minderjarige, heeft het hof gezien dat deze procedure langere tijd heeft geduurd. De man had in die periode echter ook op alternatieve wijzen zijn betrokkenheid bij de minderjarige kunnen laten blijken, door bijvoorbeeld contact op te nemen met de advocaat van de vrouw of Veilig Thuis. In de gestelde beperkte financiële middelen van de man ziet het hof geen rechtvaardiging voor de jarenlange uitblijvende betrokkenheid van de man bij het leven van de minderjarige. Het geheel van de feiten en omstandigheden voor en na de geboorte van de minderjarige biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake was van ‘(intended) family life’ tussen de man en de minderjarige op grond waarvan de man ontvankelijk zou moeten zijn in zijn verzoek.
5.3
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, H.J.M. Smid-Verhage, en J. van der Hoeven, bijgestaan door mr. S.V.B. Bours als griffier en is op 21 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.