In deze zaak verzoekt de man, de biologische vader van een 13-jarige minderjarige, om een omgangsregeling. Er is echter nooit contact geweest tussen de man en het kind. De relatie tussen de man en de moeder is voor de geboorte van de minderjarige verbroken, en er was geen gezamenlijke intentie om een kind te krijgen en op te voeden. Bovendien is de man strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de moeder. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van 'family life' in de zin van artikel 8 EVRM, waardoor de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang. De rechtbank had de man eerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, en het hof bekrachtigt deze beslissing. De man had onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden wijzen op een duurzame wens tot contact met de minderjarige. De vrouw heeft de intentie van de man betwist en heeft aangegeven dat zij door hem is mishandeld. Het hof concludeert dat de man niet voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een band die rechtvaardigt dat hij in zijn verzoek tot omgang wordt ontvangen. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, en het verzoek van de man wordt afgewezen.