De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kinderen, die door de rechtbank was vastgesteld voor de duur van een jaar. De minderjarigen wonen bij de moeder en de (stief)vader, die gezamenlijk gezag uitoefenen over de jongste. De moeder betwistte de noodzaak van de ondertoezichtstelling en stelde dat de situatie verbeterd is, met positieve schoolverslagen en geen nieuwe incidenten.
De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling handhaafden dat de ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is, mede door het ontbreken van openheid over de thuissituatie en het uitblijven van een 1-op-1-gesprek met de moeder. De moeder kon vanwege haar werk niet tijdig afspraken maken, wat het zicht op de opvoedsituatie bemoeilijkte.
Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling terecht is opgelegd, maar dat gezien de positieve signalen en het ontbreken van zicht op de thuissituatie de volledige termijn van een jaar niet noodzakelijk is. Daarom werd de duur beperkt tot negen maanden, met de verwachting dat de moeder en de gecertificeerde instelling spoedig het gesprek zullen aangaan om de veiligheidssituatie te beoordelen.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd vernietigd voor zover het de duur van de ondertoezichtstelling betreft en opnieuw vastgesteld voor negen maanden.