De man vordert in hoger beroep betaling van een bedrag dat hij uit privévermogen heeft betaald ter aflossing van de rekening-courantschuld van de vrouw bij haar BV. De rechtbank had zijn vordering afgewezen, maar het hof vernietigt dit vonnis en oordeelt dat de man voldoende heeft aangetoond dat hij de schuld van de vrouw heeft afgelost.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de man een vordering op de vrouw heeft wegens deze aflossing en of deze vordering is verjaard. Het hof stelt vast dat de man tijdig zijn vordering heeft gestuit met een brief uit 2016 en dat de vordering niet verjaard is. De vrouw kon er redelijkerwijs van uitgaan dat de man zijn vordering niet had prijsgegeven.
Het hof overweegt dat de vrouw als bestuurder verantwoordelijk is voor de administratie van de BV en dat de man geen eigen rekening-courantverhouding met de BV had. De betalingen van de man kwalificeren als een vordering op de vrouw volgens de huwelijkse voorwaarden. De man krijgt gelijk en wordt veroordeeld tot betaling van €567.826 plus wettelijke rente vanaf 27 maart 2023.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.