Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 19 december 2024, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 november 2024, hierna: het bestreden vonnis;
- de memorie van grieven tevens wijziging van eis van de vrouw met bijlagen;
- de memorie van antwoord van de man met bijlage;
- de brief gedateerd 8 augustus 2025 met bijlagen 18 tot en met 27 die de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de brief gedateerd 10 augustus 2025 met bijlage 28 die de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de brief gedateerd 11 augustus 2025 met bijlagen 1 tot en met 4 die de man ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de brief gedateerd 18 augustus 2025 met bijlagen 29 tot en met 32 die de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de brief gedateerd 2 september 2025 met bijlage 5 die de man ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- het e-mailbericht van 26 januari 2026 met bijlagen 33 en 34 dat de vrouw ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Het vonnis in de bodemprocedure
4.Beoordeling in hoger beroep
Ontvankelijkheid
.
5.Beslissing
- verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep;
- veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 2.968,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de vrouw deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als de vrouw niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de vrouw de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het in hoger beroep inzake de proceskosten meer of anders gevorderde af.