ECLI:NL:GHDHA:2026:47

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
2200368722
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doodslag met contra-indicaties voor voorbedachte raad en tbs met dwangverpleging

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. De verdachte is veroordeeld voor doodslag en diefstal. Op 14 september 2021 heeft de verdachte het slachtoffer, een 45-jarige man, met meerdere messteken om het leven gebracht. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft beroofd van zijn leven door hem in de hals en borst te steken. De verdachte heeft ook de portemonnee van het slachtoffer gestolen. De advocaat-generaal had gevorderd dat de verdachte met voorbedachte raad had gehandeld, maar het hof oordeelde anders. Het hof kwam tot de conclusie dat er sprake was van verminderde toerekenbaarheid en dat de verdachte niet met voorbedachte raad had gehandeld. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar en 6 maanden, en daarnaast is tbs met dwangverpleging opgelegd. Het hof heeft ook vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waaronder immateriële en materiële schadevergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de impact op de samenleving, evenals de noodzaak van behandeling van de verdachte.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003687-22
Parketnummer: 09-248208-21
Datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],
thans gedetineerd in [naam PI] te [plaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder
1. impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 14 september 2021 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door (meermalen) met een mes in de hals en/of borst en/of buik en/of rug en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/of knie en/of schouder en/of het gezicht, althans in het lichaam, van die [het slachtoffer] te steken en/of te snijden;
2.
hij op of omstreeks 14 september 2021 te 's-Gravenhage een portemonnee met inhoud, te weten een legitimatiebewijs en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege wordt gelast.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Op 14 september 2021 werd de 45-jarig [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) liggend in een plas bloed aangetroffen op de galerij ter hoogte van zijn woning in Den Haag. Het slachtoffer bleek te zijn overleden. Pathologisch onderzoek wees uit dat het overlijden werd verklaard door de gevolgen van 11 steekletsels ter hoogte van de hals en de romp. De overige 16 steekletsels, 4 snijsteekletsels en 15 snijletsels kunnen middels bloedverlies een bijdrage hebben geleverd aan de snelheid van het overlijden.
De verdachte heeft bekend het slachtoffer op 14 september 2021 meermalen met een mes te hebben gestoken. Hij heeft verklaard daarna de woning van het slachtoffer te zijn binnengegaan en daar diens portemonnee met inhoud te hebben weggenomen.
In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte het slachtoffer met messteken om het leven heeft gebracht, en daarna zijn portemonnee met inhoud heeft gestolen. Wél ter discussie staat de vraag of de verdachte ter zake van feit 1 met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Juridisch kader voorbedachte raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
Voorts geldt dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van voorbedachte raad. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat de verdachte voorafgaand aan het onderhavige incident op meerdere momenten heeft uitgesproken dat hij het slachtoffer om het leven wilde brengen. Zo heeft hij op 18 augustus 2021 een gesproken bericht aan ‘[een vriendin]’ gestuurd waarin hij zegt “I kill him” en heeft hij op 15 september 2021 in een spontane verklaring gezegd: “Ik had hem al eerder in Zoetermeer zien lopen met zijn vrouw en zijn kinderen maar ik wilde niet dat zijn kinderen zouden zien dat ik hun vader vermoord.” Met het oog daarop heeft hij op 17 augustus 2021 een mes aangeschaft, waarna hij op 14 september 2021 het heft in eigen hand heeft genomen. Volgens de advocaat-generaal was de verdachte vanaf het moment dat hij bij de woning van het slachtoffer aankwam rustig, berekenend, gefocust en beheerst. Dit wordt ook nog eens bevestigd door de gedragingen van de verdachte ná het steekincident, te weten dat hij de woning van het slachtoffer is binnengegaan op zoek naar geld en dat hij toen hij zich enkele uren later meldde bij de politie volkomen rustig en ontspannen oogde. Bij dit alles komt dat de verdachte een motief had het slachtoffer om het leven te brengen, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – kort gezegd - aangevoerd dat geen sprake is van voorbedachte raad. De verdachte heeft vanaf het begin af aan verklaard dat hij naar het slachtoffer toe is gegaan om hem een laatste kans te geven te betalen, waarna het is geëscaleerd. Er was dan ook sprake van handelen in een opwelling.

Oordeel van het hof

De verdachte heeft zich voor de confrontatie met het slachtoffer op 14 september 2021 geruime tijd opgehouden voor de woning van het slachtoffer. Hij zat daarbij op een muurtje met zicht op de woning, met naast zich een mes in een plastic tas. De verdachte heeft toen gezien dat twee vrouwen – prostituees - de woning van het slachtoffer binnengingen. Toen zij na ongeveer een uur weer naar buiten kwamen, heeft de verdachte via de aldus geopende centrale toegangsdeur kans gezien het gebouw binnen te komen, waarna hij zich naar de portiekwoning van het slachtoffer heeft gehaast. De verdachte heeft verklaard dat hij daar op de deur heeft geklopt, dat het slachtoffer de deur opendeed en deze gelijk weer dicht wilde doen, waarop de verdachte de deur heeft opengetrapt, het slachtoffer naar achter is gevallen en de verdachte naar binnen is gestapt. Hierop is een worsteling tussen beiden ontstaan, waarbij de verdachte het slachtoffer vele malen heeft gestoken en/of gesneden. De verdachte is hierbij vrij ernstig gewond geraakt aan zijn hand, doordat hij het mes dat hij in de plastic tas met zich droeg aan de verkeerde zijde vastgreep.
Het meenemen van een mes en de tijd die de verdachte heeft doorgebracht op het muurtje voor de woning, zijn op het eerste gezicht omstandigheden die erop kunnen wijzen dat hij voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op een te nemen of genomen besluit het slachtoffer van het leven te beroven. Het hof ziet echter contra-indicaties, waaraan in dit geval een zwaarder gewicht toegekend moet worden.
Er is allereerst geen reden te veronderstellen dat de verdachte wist dat het slachtoffer die avond bezoek zou krijgen van twee prostituees. Dat hun vertrek hem de mogelijkheid gaf de flat binnen te komen lijkt dan ook een toevalligheid te zijn geweest. Voorts geldt dat de verdachte op dat moment weliswaar een mes bij zich had, maar ook dat hij dit mes – zo blijkt wel uit zijn verwondingen – niet gebruiksklaar, maar in een plastic tas bij zich droeg. Dit geeft enige steun aan de (consistente) verklaring van de verdachte dat hij daar niet aan de deur kwam met het idee de ander van het leven te beroven.
Bovendien heeft de verdachte over de reden van zijn aanwezigheid voor de woning verklaard, dat hij al een aantal dagen aan het observeren was ten behoeve van het - door hem gewenste - politieonderzoek naar het slachtoffer. Het hof stelt aan de hand van het dossier vast dat de verdachte zich inderdaad eerder die dag heeft begeven naar het politiebureau [plaats politiebureau], waar zijn wens om een (TCI-)onderzoek tegen het slachtoffer in te stellen serieus met hem is besproken. Bovendien vindt de verklaring van de verdachte steun in de omstandigheid dat hij na het bezoek aan het politiebureau, en voordat hij zich positioneerde op het muurtje, nog heeft begeven naar de woningen van de zus, broer en ex-partner van het slachtoffer, zoals onderzoek heeft uitgewezen. Als de verdachte het politiebureau had verlaten met het idee daadwerkelijk “het heft in eigen hand te nemen”, dan valt niet in te zien waarom hij door is gegaan met deze – in zijn woorden - observaties.
De verdachte heeft voor het incident op verschillende momenten en in verschillende bewoordingen gezegd dat en waarom hij het slachtoffer dood wilde maken. Het hof acht deze in het kader van de voorbedachte raad echter onvoldoende redengevend, met name gelet op het impulsieve en explosieve karakter van de verdachte, waarvan hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting zonder meer blijk heeft gegeven. Hij heeft hierbij de indruk gewekt dat hij zichzelf voortdurend overschreeuwt. De door de advocaat-generaal aangehaalde uitlatingen dienen met andere woorden niet al te letterlijk te worden genomen.
De slotsom is dat de door de advocaat-generaal naar voren gebrachte feiten en omstandigheden – ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd - niet dwingen tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het moet er integendeel voor worden gehouden dat bij de verdachte in de worsteling met het slachtoffer sprake is geweest van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
De verdachte dient dan ook van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de verbalisanten [x] en [y] als getuige gedaan, indien het hof het proces-verbaal dat door verbalisant [y] is opgemaakt voor het bewijs gebruikt.
Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde, zal het hof het door verbalisant [y] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer] niet voor het bewijs gebruiken. Dit brengt mee dat de aan het verzoek tot het horen van genoemde verbalisanten verbonden voorwaarde niet is vervuld en het hof geen beslissing hoeft te nemen op dat verzoek.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks14 september 2021 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] opzettelijk
en al dan niet met voorbedachten radevan het leven heeft beroofd, door
(meermalen)met een mes in de hals en
/ofborst en
/ofbuik en
/ofrug en
/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/ofknie
en/of schouder en/of het gezicht, althans in het lichaam,van die [het slachtoffer] te steken
en/of te snijden;
2.
hij op
of omstreeks14 september 2021 te 's-Gravenhage een portemonnee met inhoud, te weten een legitimatiebewijs en
/ofeen bankpas
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan {het slachtoffer], in elk geval aan een ander
,toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om
hetdiezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde levert op:

1.

doodslag;

2.

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Op de toerekenbaarheid van de verdachte zal hierna worden ingegaan onder het kopje ‘Oordeel van het hof naar aanleiding van de adviezen’.
Motivering van de op te leggen straf en maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het 45-jarige slachtoffer met messteken om het leven te brengen. De verdachte heeft het slachtoffer nabij de deur van zijn woning in onder meer zijn hals en borst gestoken. Het slachtoffer heeft in totaal 46 steek- en snijverwondingen opgelopen en is ter plekke aan zijn verwondingen overleden. Door zo te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft onherstelbaar leed toegebracht bij de nabestaanden, onder wie twee minderjarige kinderen, en de overige naasten van het slachtoffer. Zij zullen moeten leven met het onomkeerbare verlies van een dierbare. Het enorme leed dat de verdachte aan de nabestaanden heeft toegebracht komt duidelijk tot uiting in de in deze procedure afgelegde en overgelegde slachtoffer-verklaringen.
Daarbij komt dat een aantal omwonenden getuige is geweest van de steekpartij. Zij hebben het slachtoffer horen schreeuwen dat hij doodging en hem om hulp horen roepen. Een aantal van hen heeft het slachtoffer in een grote plas bloed op de galerij voor zijn woning zien liggen. Dit moet voor de betreffende omwonenden een zeer traumatische ervaring zijn geweest die zij zich vermoedelijk voor de rest van hun leven zullen blijven herinneren. Meer in het algemeen kan gezegd worden dat een dodelijke steekpartij gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal. Nadat hij het slachtoffer had neergestoken, is de verdachte de woning van het slachtoffer binnengegaan om op zoek te gaan naar geld. De verdachte heeft in de woning een portemonnee met inhoud gepakt en is vervolgens de woning uitgerend. Dit getuigt van een grote brutaliteit en respectloosheid ten aanzien van het eigendom van een ander.

Het strafblad van de verdachte

Het hof heeft bij de beraadslaging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor Opiumwetwetdelicten, wapenbezit en mishandeling.

Over de verdachte opgemaakte rapporten

In de onderhavige zaak is over de persoon van de verdachte een aantal (Pro Justitia-)rapporten uitgebracht. Het betreft de volgende rapporten:
- een Pro Justitia rapport van 24 maart 2022 opgemaakt door dr. S.J. Roza, psychiater, en drs.
J.F. Dijkstra (arts in opleiding tot psychiater);
  • een Pro Justitia rapport van 27 maart 2022 opgemaakt door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog;
  • een aanvullend Pro Justitia rapport van 14 juni 2024 opgemaakt door dr. S.J. Roza, psychiater;
  • een aanvullend Pro Justitia rapport van 17 juni 2024 opgemaakt door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog;
  • een rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 27 mei 2025 opgemaakt door drs. L. Zijp, GZ-psycholoog, en dr. M.B.F. van Berkel, psychiater.
De rapporteurs Roza en Yntema zijn bovendien op de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024 als deskundige gehoord. De rapporten houden – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Rapporteur Roza concludeert dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, met trekken van borderline- en narcistische persoonlijkheidsstoornis. Volgens haar is de verdachte zwakbegaafd en is bij hem sprake van kwetsbaarheid voor drugs- en gokverslaving.
Rapporteur Yntema komt tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een antisociale
persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, een gokstoornis, een stoornis in cocaïnegebruik en in een inhalantium. Intellectueel gezien functioneert de verdachte volgens haar op een zwakbegaafd niveau.
Rapporteurs Zijp en Van Berkel concluderen dat de verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.
Daarnaast is er sprake van zwakbegaafdheid. De rapporteurs zien bij de verdachte tevens aanwijzingen voor ADHD.
Volgens de rapporteurs waren de bij de verdachte vastgestelde stoornissen ook aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.
De rapporteurs zien een verband tussen de bij de verdachte vastgestelde stoornis en het tenlastegelegde. Volgens rapporteurs Zijp en Van Berkel is bij de verdachte sprake van beperkingen in de impulscontrole, de emotieregulatie en de agressieregulatie. Daarnaast is hij verhoogd krenkbaar, heeft hij een geringe frustratietolerantie en een sterke vergeldingsdrang.
Deze disfuncties worden verklaard in het kader van de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis, zeer waarschijnlijk versterkt door de zwakbegaafdheid, aldus Zijp en Van Berkel.
Toerekenbaarheid
Ondanks het verband tussen de psychische stoornis en het tenlastegelegde, zien de rapporteurs geen reden om de verdachte vanuit gedragskundig oogpunt het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. In dit verband hebben de rapporteurs overwogen dat de aanloop naar het tenlastegelegde een lange periode besloeg, waarbij de verdachte verschillende mogelijkheden heeft overwogen alvorens hij uiteindelijk op de dag van het tenlastegelegde naar het slachtoffer toe is gegaan. Met andere woorden: de stoornis heeft wel invloed op het handelen van de verdachte, maar belemmert hem niet in zijn keuzevrijheid. De verdachte was volgens de rapporteurs in staat om het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien.
De rapporteurs zien geen reden te adviseren om de verdachte de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen.
Kans op recidive
De rapporteurs schatten de kans op recidive van gewelddadig (delict)gedrag in als hoog. Zij stellen dat in algemene zin kan worden gesteld dat de verdachte een hoog recidiverisico heeft voor toepassen van (ernstig) geweld, waar de recente, verscheidene geweldsincidenten binnen de detentie en de noodzaak tot plaatsing op een individuele afdeling binnen het onderhavige onderzoek illustratief voor zijn. Op grond van algemeen criminogene factoren behoort de verdachte tot de groep gedetineerden met een hoger dan gemiddeld herhalingsrisico op algemeen geweld.
Interventieadvies
Volgens rapporteur Roza is de ernstige en uitgerijpte persoonlijkheidsstoornis van de verdachte zeer moeilijk te beïnvloeden en te behandelen. Om de kans op recidive te reduceren, is volgens haar het meest te verwachten van extern risicomanagement, dat wil zeggen een hoge mate van beveiliging, veel toezicht en monitoring, en een geleidelijk resocialisatietraject. Extern risicomanagement en geleidelijke resocialisatie zou kunnen worden vormgegeven binnen de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf (al dan niet in combinatie met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel) of binnen het kader van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege, aldus rapporteur Roza.
Omdat de persoonlijkheidsstoornis geen aanleiding geeft om te adviseren de verdachte het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen, doen rapporteurs Zijp en Van Berkel geen aanbevelingen voor interventies die een eventueel recidivegevaar kunnen beperken.
Evenmin geven zij advies over de juridische kaders.
Rapporteur Yntema komt tot een soortgelijke conclusie.

Oordeel van het hof naar aanleiding van de adviezen

Het hof verenigt zich deels met de bevindingen van de rapporteurs en neemt hun conclusies deels over, namelijk voor zover die betrekking hebben op de conclusies ten aanzien van de bij de verdachte bestaande antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, de genoemde dysfuncties en zwakbegaafdheid, het bestaan van de stoornis ten tijde van het tenlastegelegde en het verband tussen de stoornis en de ten laste gelegde gedragingen. Ook verenigt het hof zich met de inschatting van de grote kans op recidive van gewelddadig (delict)gedrag.
Het hof verenigt zich evenwel niet met het advies de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde niet als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het hof heeft bezien of de bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde heeft beïnvloed. Het hof is van oordeel dat zulks het geval is.
De beperkingen in de impulscontrole, de emotieregulatie en de agressieregulatie kunnen worden verklaard door die persoonlijkheidsstoornis, en lijken bij uitstek van invloed te zijn op (het niet kunnen maken van) zijn gedragskeuzes, waarin hij aldus werd beperkt. Hij was met andere woorden als gevolg van zijn stoornis in mindere mate in staat in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid.
Dat het hof hierbij voorbij gaat aan de adviezen van de deskundigen op dit punt, is verklaarbaar gelet op het volgende. Zoals is overwogen is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, en dus impulsief heeft gehandeld. Het hof gaat hierbij uit van een ander feitelijk scenario dan waarvan de rapporteurs in hun rapporten zijn uitgegaan, namelijk dat sprake zou zijn van een lange aanloopfase naar het feit waarin de verdachte verschillende mogelijkheden heeft gehad zijn gedragskeuzes te overwegen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024 heeft deskundige Yntema in antwoord op de vragen van het hof onder meer het volgende verklaard (blz. 5 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024):
“Ik vind het lastig om antwoord te geven op de vraag of mijn conclusie anders zou zijn geweest indien sprake van meer impulsief handelen zou zijn geweest. We hebben het dan over een andere situatie. Ik zou het gedrag van de verdachte dan opnieuw moeten bezien, vanuit de omstandigheden en de gedachten die, of het gevoel dat de verdachte had op dat moment”.
Uit dit antwoord van Yntema is af te leiden dat zij in haar onderzoek voornamelijk is uitgegaan van het scenario dat de verdachte planmatig heeft gehandeld en een weloverwogen besluit heeft genomen. Ook de bewoordingen in de overige rapporten met betrekking tot de aanloopfase, en keuzemomenten en –mogelijkheden wijzen in die richting.
Het hof hecht met andere woorden minder gewicht dan de deskundigen aan gedrag met al dan niet bijbehorende keuzemomenten voorafgaand aan het feit, en veel meer aan zijn keuzevrijheid op het moment van handelen zelf.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde heeft beïnvloed en wel zodanig dat de verdachte ten aanzien van beide bewezen verklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

De op te leggen gevangenisstraf

Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de onomkeerbaarheid daarvan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan, en de impact ervan op de samenleving. Ook heeft het hof gekeken naar de persoon van de verdachte, en de rapporten die over hem zijn uitgebracht. Het hof houdt omwille van de rechtsgelijkheid ook rekening met straffen die in het algemeen voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd.
Doodslag rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid heeft een matigende werking op de op te leggen straf. Alles bij elkaar vindt het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren in beginsel passend en geboden.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Namens de verdachte en door de officier van justitie is op 28 december 2022 hoger beroep tegen het op 19 december 2022 gewezen vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 mei 2023 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van zes maanden. Op 9 december 2025 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden. Op 6 januari 2026 is het onderzoek gesloten, waarna op 20 januari 2026 arrest wordt gewezen.
Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn van 16 maanden, maar dat er een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 21 maanden heeft plaatsgevonden. Het hof ziet in de mate van overschrijding aanleiding die te verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal aan de verdachte daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en zes maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De op te leggen maatregel

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
In artikel 37a, lid 1, aanhef en sub 1̊ en 2̊, Sr is bepaald dat een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
Ingevolge het bepaalde in artikel 37a, lid 3, Sr kan de rechter bovengenoemde last geven slechts nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht.
Het hof stelt vast dat aan deze in de wet gestelde voorwaarden is voldaan.
Ten aanzien van de algemene veiligheid van personen geldt in dit verband het volgende. De deskundigen schatten, zoals vermeld, de kans op recidive van gewelddadig (delict)gedrag in als hoog. Hoewel zij de kans op herhaling “in algemene zin” beschrijven, volgt uit het rapport van het PBC dat de verdachte in verschillende penitentiaire inrichtingen, waar hij na het plegen van de feiten heeft verbleven, regelmatig impulsief, agressief gedrag heeft vertoond. Een incident vond op 17 september 2022 plaats en wordt op bladzijde 24 van het PBC-rapport als volgt beschreven:
“Betrokkene was met een medegedetineerde aan het tafeltennissen. Een andere gedetineerde vroeg of hij ook mocht meespelen, waarna betrokkene zei dat het niet kon omdat diegene niet goed genoeg was. De gedetineerde
antwoordde op een rustige manier dat betrokkene niet bepaalde wie er wel of niet mocht tafeltennissen. Betrokkene riep meteen: "Houd je kankerbek!" Vervolgens trok hij zijn schouders naar achteren, bewoog zijn nek heen en weer en zuchtte diep. Betrokkene speelde verder maar nog geen minuut later gooide hij zijn tennisbatje hard tegen het plafond aan. Hij liep rechtstreeks naar de medegedetineerde toe, wierp hem op de grond en schopte
meerdere malen hard tegen zijn hoofd. Een personeelslid sloeg alarm en poogde betrokkene te stoppen, maar hij bleef doorslaan en voornamelijk schoppen tegen het hoofd. Zowel het personeelslid als een ander aangesneld personeelslid werd door betrokkene "geraakt" op de
kaak of weggeduwd. Omdat het alarm niet goed doorkwam in het systeem, kon betrokkene tot tweemaal toe opnieuw op de medegedetineerde "inspringen met trapbewegingen" en sloeg hem terwijl hij nog steeds op de grond lag met zijn armen voor zijn gezicht om zichzelf te beschermen. Eén van de twee personeelsleden deed een stap terug vanwege deze forse agressie. Pas toen het Interne Bijstandsteam (IBT) arriveerde, konden zij betrokkene stoppen”.
Op 2 juni 2024 heeft de verdachte een personeelslid onder toevoeging van de woorden: “kankerbek, jij dikzak”, tegen een muur geduwd waardoor het personeelslid met zijn hoofd en rug tegen de muur ten val kwam en kort buiten bewustzijn raakte. Op 26 januari 2025 heeft de verdachte een medegedetineerde mishandeld door hem met een vuist krachtig tegen zijn gezicht te slaan en hem te slaan en schoppen tegen zijn lichaam en hoofd. De medegedetineerde gebruikte geen geweld en beschermde zichzelf. De verdachte was duidelijk de agressor en bleef doorgaan met het slaan en schoppen van de medegedetineerde. De verdachte staakte zijn agressieve gedrag pas op het moment dat voldoende personeel kon ingrijpen.
Deze voorbeelden van gewelddadig gedrag in detentie illustreren naar oordeel van het hof het recidivegevaar bij uitblijven van een adequate behandeling. Behandeling middels extern risicomanagement met veel toezicht en monitoring, en geleidelijke resocialisatie binnen de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, zoals gesuggereerd door een van de deskundigen, biedt naar oordeel van het hof onvoldoende zekerheid en zicht op kans van slagen. Mede gelet op de problematiek van de verdachte is een steviger kader nodig.
De behandeling kan naar oordeel van het hof dan ook niet anders plaatsvinden dan in het kader van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Dit brengt mee dat de algemene veiligheid van personen niet alleen het opleggen van een tbs-maatregel eist, maar tevens de verpleging van overheidswege zoals bedoeld in artikel 37b, eerst lid, Sr. Dat die behandeling mogelijk complex en moeizaam zal zijn, is geen reden om ervan af te zien.
In dit verband overweegt het hof dat tbs met dwangverpleging in de eerste plaats een maatregel is die ertoe strekt de maatschappij te beschermen. Die bescherming vindt deels plaats door vrijheidsbeneming (een recidivegevaarlijk geacht persoon wordt van de maatschappij weggehouden) en deels door behandeling (de behandeling vermindert het recidiverisico).
Het hof zal daarom aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege opleggen.
Nu het onder 1 bewezen verklaarde feit een misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, lid 1, Sr, betekent dit dat de op te leggen maatregel de duur van vier jaar te boven kan gaan.
Vorderingen tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde feit tot bedragen van:
- [ [benadeelde partij 1], de (ex-)partner van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal
€ 26.812,96 of € 24.312,96, bestaande uit een bedrag van € 20.000,00 of € 17.500,00 aan immateriële (affectie)schade en een bedrag van € 6.812,96 aan materiële schade, deze bedragen telkens te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [benadeelde partij 2], de minderjarige dochter van het slachtoffer, tot een bedrag van € 20.000,00 aan immateriële (affectie)schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [benadeelde partij 3], de minderjarige zoon van het slachtoffer, tot een bedrag van € 20.000,00 aan immateriële (affectie)schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [ [benadeelde partij 4], de meerderjarige zoon van het slachtoffer, tot een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële (affectie)schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [ [benadeelde partij 5], de zus van het slachtoffer, tot een bedrag van in totaal € 11.679,09 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding overeenkomstig het vonnis waarvan beroep dient te worden beslist.

Algemene overwegingen ten aanzien van de vorderingen

Het hof overweegt ten aanzien van de volgende schadeposten in zijn algemeenheid als volgt.
Immateriële schade
Ten aanzien van de vorderingen die zien op ander nadeel dan vermogensschade (immateriële schade) heeft het hof telkens, ook wanneer deze niet betwist waren, beoordeeld of zich een geval heeft voorgedaan waardoor een aanspraak op een vergoeding van immateriële schade is ontstaan.
Affectieschade
Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. De wetgever heeft in artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat in geval van overlijden een beperkte kring gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade. Dit zijn de in het vierde lid van genoemde bepaling onder a tot en met g omschreven ‘naasten’. Het betreft (onder a tot en met f) kort gezegd partners, ouders en kinderen van de overledene, alsmede gevallen waarin er sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband. Daarnaast betreft het (onder g) een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van de betreffende bepaling als naaste wordt aangemerkt. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade per categorie naasten vaste normbedragen vastgesteld.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], (ex-)partner van het slachtoffer
Ten aanzien van de immateriële (affectie)schade
In het Besluit vergoeding affectieschade is bepaald dat in het geval van overlijden door misdrijf aan een levensgezel een bedrag van € 20.000,00 kan worden toegekend. Om een persoon als levensgezel van de overledene aan te merken, dient ingevolge het bepaalde in artikel 6:108, vierde lid, sub b, BW sprake te zijn van een – op het moment van de gebeurtenis – duurzame gemeenschappelijke huishouding. Naar het oordeel van het hof is van een dergelijke huishouding geen sprake, omdat uit de stukken blijkt dat het slachtoffer en de benadeelde partij al geruime tijd niet meer samenwoonden. Het is het hof ook overigens niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat tussen het slachtoffer en de benadeelde partij op het moment van de gebeurtenis sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Subsidiair heeft de benadeelde partij gesteld dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een (andere) nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 6:108, vierde lid, sub g, BW, zodat zij in aanmerking dient te komen voor toekenning van het forfaitaire bedrag van
€ 17.500,00 aan affectieschade. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een (andere) nauwe persoonlijke betrekking als in genoemd artikel bedoeld. Met de rechtbank heeft het hof hierbij mede acht geslagen op stukken in het dossier, zoals Blue Spot mutaties uit 2020 en 2021 en een rapport van Veilig Thuis van 15 april 2022. Uit deze stukken blijkt juist van een problematische verhouding tussen de benadeelde partij en het slachtoffer, waarbij angst en structurele onveiligheid een rol speelden. Het gegeven dat zij samen twee kinderen hadden, en de stukken die de benadeelde partij in hoger beroep in het geding heeft gebracht, te weten appverkeer tussen haar en het slachtoffer in september 2021 waarin – kort gezegd - wordt geschreven dat ze van elkaar houden, is voor de vaststelling van een nauwe persoonlijke betrekking op basis waarvan affectieschade kan worden toegekend, ontoereikend. De benadeelde partij de gelegenheid geven haar vordering op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen.
Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot vergoeding van affectieschade. Dit deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de materiële schade
Naast immateriële schade heeft de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 6.812,96 aan materiële schade gevorderd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
  • € 6.745,96 (kosten grafmonument);
  • € 67,00 (kosten begraafplaats).
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van in totaal
€ 6.812,96 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag tot schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 november 2021 tot aan de dag der algehele vergoeding.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], minderjarige dochter van het slachtoffer
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat het slachtoffer door de verdachte met meerdere messteken om het leven is gebracht. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij de minderjarige dochter van het slachtoffer is en dat het plotselinge overlijden van haar vader veel pijn en verdriet bij haar heeft veroorzaakt. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden, zodat het gevorderde (forfaitaire) bedrag kan worden toegewezen.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag tot schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 september 2021 tot aan de dag der algehele vergoeding.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], minderjarige zoon van het slachtoffer
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat het slachtoffer door de verdachte met meerdere messteken om het leven is gebracht. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij de minderjarige zoon van het slachtoffer is en dat het plotselinge overlijden van zijn vader veel pijn en verdriet bij hem heeft veroorzaakt. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden, zodat het gevorderde (forfaitaire) bedrag kan worden toegewezen.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag tot schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 september 2021 tot aan de dag der algehele vergoeding.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4], zoon van het slachtoffer
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat het slachtoffer door de verdachte met meerdere messteken om het leven is gebracht. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij de meerderjarige zoon van het slachtoffer is. Op zijn achttiende heeft de benadeelde partij contact gezocht met zijn vader, die hem bij zijn geboorte wegens omstandigheden niet heeft erkend. Vanaf dat moment heeft hij een goede band met zijn vader opgebouwd en hadden zij regelmatig contact. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij in het kader van het spreekrecht naar voren gebracht dat het verlies van zijn vader hem bijzonder zwaar valt. Naar eigen zeggen leeft hij in een nachtmerrie waaruit hij niet meer wakker wordt.
Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden, zodat het gevorderde (forfaitaire) bedrag kan worden toegewezen.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag tot schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 september 2021 tot aan de dag der algehele vergoeding.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5], zus van het slachtoffer
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
  • € 10.465,55 (uitvaartkosten);
  • € 145,00 (kosten vergunning begraafplaats);
  • € 1.068,54 (kosten vliegtickets).
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van in totaal
€ 11.679,09 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag. De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt per schadepost bepaald als volgt:
  • 13 oktober 2021 over een bedrag van € 10.465,55 (uitvaartkosten);
  • 10 november 2022 over een bedrag van € 145,00 (kosten vergunning begraafplaats);
  • 16 september 2021 over een bedrag van € 1.068,54 (kosten vliegtickets).

Kostenveroordeling

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen geheel dan wel gedeeltelijk worden toegewezen, dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, eveneens vooralsnog begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers
Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte telkens de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op de wijze als in het dictum vermeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.812,96 (zesduizend achthonderdtwaalf euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.812,96 (zesduizend achthonderdtwaalf euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 november 2021.
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 2], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 september 2021.
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 3], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 september 2021.
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 4], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
84 (vierentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 september 2021.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 11.679,09 (elfduizend zeshonderdnegenenzeventig euro en negen cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 5], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.679,09 (elfduizend zeshonderdnegenenzeventig euro en negen cent) als vergoeding voor materiële schade, steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
56 (zesenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 16 september 2021 over een bedrag van € 1.068,54
- 13 oktober 2021 over een bedrag van € 10.465,55
- 10 november 2022 over een bedrag van € 145,00.
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. C.H.M. Royakkers, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 januari 2026.
Mr. J.P.L.M. Remmerswaal is buiten staat dit arrest te ondertekenen.