Rolnummer: 22-003687-22
Parketnummer: 09-248208-21
Datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],
thans gedetineerd in [naam PI] te [plaats].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder
1. impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 14 september 2021 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door (meermalen) met een mes in de hals en/of borst en/of buik en/of rug en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/of knie en/of schouder en/of het gezicht, althans in het lichaam, van die [het slachtoffer] te steken en/of te snijden;
2.
hij op of omstreeks 14 september 2021 te 's-Gravenhage een portemonnee met inhoud, te weten een legitimatiebewijs en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege wordt gelast.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Op 14 september 2021 werd de 45-jarig [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) liggend in een plas bloed aangetroffen op de galerij ter hoogte van zijn woning in Den Haag. Het slachtoffer bleek te zijn overleden. Pathologisch onderzoek wees uit dat het overlijden werd verklaard door de gevolgen van 11 steekletsels ter hoogte van de hals en de romp. De overige 16 steekletsels, 4 snijsteekletsels en 15 snijletsels kunnen middels bloedverlies een bijdrage hebben geleverd aan de snelheid van het overlijden.
De verdachte heeft bekend het slachtoffer op 14 september 2021 meermalen met een mes te hebben gestoken. Hij heeft verklaard daarna de woning van het slachtoffer te zijn binnengegaan en daar diens portemonnee met inhoud te hebben weggenomen.
In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte het slachtoffer met messteken om het leven heeft gebracht, en daarna zijn portemonnee met inhoud heeft gestolen. Wél ter discussie staat de vraag of de verdachte ter zake van feit 1 met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Juridisch kader voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
Voorts geldt dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van voorbedachte raad. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat de verdachte voorafgaand aan het onderhavige incident op meerdere momenten heeft uitgesproken dat hij het slachtoffer om het leven wilde brengen. Zo heeft hij op 18 augustus 2021 een gesproken bericht aan ‘[een vriendin]’ gestuurd waarin hij zegt “I kill him” en heeft hij op 15 september 2021 in een spontane verklaring gezegd: “Ik had hem al eerder in Zoetermeer zien lopen met zijn vrouw en zijn kinderen maar ik wilde niet dat zijn kinderen zouden zien dat ik hun vader vermoord.” Met het oog daarop heeft hij op 17 augustus 2021 een mes aangeschaft, waarna hij op 14 september 2021 het heft in eigen hand heeft genomen. Volgens de advocaat-generaal was de verdachte vanaf het moment dat hij bij de woning van het slachtoffer aankwam rustig, berekenend, gefocust en beheerst. Dit wordt ook nog eens bevestigd door de gedragingen van de verdachte ná het steekincident, te weten dat hij de woning van het slachtoffer is binnengegaan op zoek naar geld en dat hij toen hij zich enkele uren later meldde bij de politie volkomen rustig en ontspannen oogde. Bij dit alles komt dat de verdachte een motief had het slachtoffer om het leven te brengen, aldus de advocaat-generaal.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – kort gezegd - aangevoerd dat geen sprake is van voorbedachte raad. De verdachte heeft vanaf het begin af aan verklaard dat hij naar het slachtoffer toe is gegaan om hem een laatste kans te geven te betalen, waarna het is geëscaleerd. Er was dan ook sprake van handelen in een opwelling.
Oordeel van het hof
De verdachte heeft zich voor de confrontatie met het slachtoffer op 14 september 2021 geruime tijd opgehouden voor de woning van het slachtoffer. Hij zat daarbij op een muurtje met zicht op de woning, met naast zich een mes in een plastic tas. De verdachte heeft toen gezien dat twee vrouwen – prostituees - de woning van het slachtoffer binnengingen. Toen zij na ongeveer een uur weer naar buiten kwamen, heeft de verdachte via de aldus geopende centrale toegangsdeur kans gezien het gebouw binnen te komen, waarna hij zich naar de portiekwoning van het slachtoffer heeft gehaast. De verdachte heeft verklaard dat hij daar op de deur heeft geklopt, dat het slachtoffer de deur opendeed en deze gelijk weer dicht wilde doen, waarop de verdachte de deur heeft opengetrapt, het slachtoffer naar achter is gevallen en de verdachte naar binnen is gestapt. Hierop is een worsteling tussen beiden ontstaan, waarbij de verdachte het slachtoffer vele malen heeft gestoken en/of gesneden. De verdachte is hierbij vrij ernstig gewond geraakt aan zijn hand, doordat hij het mes dat hij in de plastic tas met zich droeg aan de verkeerde zijde vastgreep.
Het meenemen van een mes en de tijd die de verdachte heeft doorgebracht op het muurtje voor de woning, zijn op het eerste gezicht omstandigheden die erop kunnen wijzen dat hij voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op een te nemen of genomen besluit het slachtoffer van het leven te beroven. Het hof ziet echter contra-indicaties, waaraan in dit geval een zwaarder gewicht toegekend moet worden.
Er is allereerst geen reden te veronderstellen dat de verdachte wist dat het slachtoffer die avond bezoek zou krijgen van twee prostituees. Dat hun vertrek hem de mogelijkheid gaf de flat binnen te komen lijkt dan ook een toevalligheid te zijn geweest. Voorts geldt dat de verdachte op dat moment weliswaar een mes bij zich had, maar ook dat hij dit mes – zo blijkt wel uit zijn verwondingen – niet gebruiksklaar, maar in een plastic tas bij zich droeg. Dit geeft enige steun aan de (consistente) verklaring van de verdachte dat hij daar niet aan de deur kwam met het idee de ander van het leven te beroven.
Bovendien heeft de verdachte over de reden van zijn aanwezigheid voor de woning verklaard, dat hij al een aantal dagen aan het observeren was ten behoeve van het - door hem gewenste - politieonderzoek naar het slachtoffer. Het hof stelt aan de hand van het dossier vast dat de verdachte zich inderdaad eerder die dag heeft begeven naar het politiebureau [plaats politiebureau], waar zijn wens om een (TCI-)onderzoek tegen het slachtoffer in te stellen serieus met hem is besproken. Bovendien vindt de verklaring van de verdachte steun in de omstandigheid dat hij na het bezoek aan het politiebureau, en voordat hij zich positioneerde op het muurtje, nog heeft begeven naar de woningen van de zus, broer en ex-partner van het slachtoffer, zoals onderzoek heeft uitgewezen. Als de verdachte het politiebureau had verlaten met het idee daadwerkelijk “het heft in eigen hand te nemen”, dan valt niet in te zien waarom hij door is gegaan met deze – in zijn woorden - observaties.
De verdachte heeft voor het incident op verschillende momenten en in verschillende bewoordingen gezegd dat en waarom hij het slachtoffer dood wilde maken. Het hof acht deze in het kader van de voorbedachte raad echter onvoldoende redengevend, met name gelet op het impulsieve en explosieve karakter van de verdachte, waarvan hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting zonder meer blijk heeft gegeven. Hij heeft hierbij de indruk gewekt dat hij zichzelf voortdurend overschreeuwt. De door de advocaat-generaal aangehaalde uitlatingen dienen met andere woorden niet al te letterlijk te worden genomen.
De slotsom is dat de door de advocaat-generaal naar voren gebrachte feiten en omstandigheden – ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd - niet dwingen tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het moet er integendeel voor worden gehouden dat bij de verdachte in de worsteling met het slachtoffer sprake is geweest van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
De verdachte dient dan ook van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de verbalisanten [x] en [y] als getuige gedaan, indien het hof het proces-verbaal dat door verbalisant [y] is opgemaakt voor het bewijs gebruikt.
Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde, zal het hof het door verbalisant [y] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer] niet voor het bewijs gebruiken. Dit brengt mee dat de aan het verzoek tot het horen van genoemde verbalisanten verbonden voorwaarde niet is vervuld en het hof geen beslissing hoeft te nemen op dat verzoek.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks14 september 2021 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] opzettelijk
en al dan niet met voorbedachten radevan het leven heeft beroofd, door
(meermalen)met een mes in de hals en
/ofborst en
/ofbuik en
/ofrug en
/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/ofknie
en/of schouder en/of het gezicht, althans in het lichaam,van die [het slachtoffer] te steken
en/of te snijden;
2.
hij op
of omstreeks14 september 2021 te 's-Gravenhage een portemonnee met inhoud, te weten een legitimatiebewijs en
/ofeen bankpas
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan {het slachtoffer], in elk geval aan een ander
,toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om
hetdiezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde levert op: