ECLI:NL:GHDHA:2026:466

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.363.707/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 4 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening afgewezen tegen tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis bij schuldsanering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen en tevens tegen de afwijzing van een voorlopige voorziening die Aegon zou verbieden het ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen.

Het hof overweegt dat een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro kan worden gegeven ter overbrugging van de periode tussen indiening en beslissing op het verzoek tot schuldsanering, bijvoorbeeld om ontruiming te voorkomen. De spoedeisendheid is aanwezig omdat het ontruimingsvonnis al is uitgesproken en ontruiming meerdere keren is aangezegd.

Echter heeft appellant niet voldaan aan de voorwaarden van eerdere voorlopige voorzieningen, met name het tijdig betalen van lopende huurtermijnen. De huurachterstand is verder opgelopen ondanks bewindvoering. Een e-mail van de accountant van appellant over salarisbetaling biedt onvoldoende zekerheid dat de huur zal worden voldaan.

Het belang van Aegon om de woning weer beschikbaar te stellen en verdere huurachterstand te voorkomen weegt zwaarder dan het belang van appellant. Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en bekrachtigt het ontruimingsvonnis.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.363.707/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/706669/ FT RK 25/1654
Beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. P.A. Loeff kantoorhoudend in Barendrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 23 oktober 2025, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen en de beschikking van die rechtbank van dezelfde datum waarbij zijn verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro is afgewezen. [appellant] verzoekt het hof de beslissingen waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling en bij voorlopige voorziening bij voorraad Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: Aegon) te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2024 tot ontruiming van zijn woning, ten uitvoer te leggen. Het hof heeft nog kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026, waarbij zijn verschenen:
- [appellant], bijgestaan door zijn advocaat;
- mr. M.C. Elshof, advocaat te Amsterdam, namens Aegon.
Ter zitting heeft [appellant] een e-mail van de accountant van Balenciaga van 12 januari 2025 overlegd.
1.3
Het hof beslist heden in beide zaken afzonderlijk. Deze beschikking heeft betrekking op het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
[appellant] heeft op 15 september 2025 bij de rechtbank een verzoek ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro (Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om bij voorlopige voorziening bij voorraad Aegon te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2024 tot ontruiming van zijn woning, ten uitvoer te leggen, totdat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist.
2.2
De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen omdat bij vonnis van dezelfde datum (15 oktober 2025) afwijzend op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist en [appellant] derhalve geen belang meer heeft bij de voorlopige voorziening.
2.3
De grief van [appellant] komt erop neer dat hij er belang bij heeft dat de verzochte voorlopige voorziening bij voorraad wordt gegeven totdat de beslissing van het hof op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, in kracht van gewijsde is gegaan, omdat hij anders het risico loopt zijn woonruimte te verliezen, terwijl er nog niet definitief is beslist op zijn schuldsaneringsverzoek.
2.4
Namens Aegon is bezwaar gemaakt tegen de verzochte voorlopige voorziening.
Kort samengevat komt het bezwaar van Aegon erop neer dat de huurachterstand al dateert vanaf 2024, het ontruimingsvonnis al geruime tijd geleden, op 2 augustus 2024, is uitgesproken en dat er sinds de datum waarop het beschermingsbewind is uitgesproken slechts één huurtermijn is voldaan, waardoor de achterstand nog steeds oploopt en inmiddels ongeveer € 29.000 bedraagt.
2.5
Het hof overweegt dat een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro kan worden uitgesproken ter overbrugging van de periode tussen de indiening van en de beslissing op het verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, bijvoorbeeld ter afwending van een dreigende uithuiszetting.
2.6
De spoedeisendheid bij de verzochte voorlopige voorziening is gegeven nu er een ontruimingsvonnis ligt en de ontruiming al diverse keren is aangezegd. Tot ontruiming is het nog niet gekomen, mede omdat bij vonnis van 10 februari 2025 en 24 juli 2025 een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw is gegeven en [appellant] de gelegenheid is geboden om een regeling te treffen voor zijn schulden, onder de voorwaarde dat hij de lopende huurtermijnen tijdig betaalt.
2.7
Het belang van [appellant] bestaat eruit dat hij, in geval van een afwijzende beslissing van dit hof op zijn verzoek tot toepassing tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, tot het in kracht van gewijsde gaan van die beslissing (en derhalve gedurende de cassatietermijn) in zijn huurwoning kan blijven wonen.
2.8
Het belang van Aegon bestaat eruit dat wanneer het ontruimingsvonnis van 2 augustus 2024 ten uitvoer kan worden gelegd, zij de huurwoning weer ter beschikking kan stellen aan andere woningzoekenden en de huurachterstand niet verder oploopt.
2.9
Het hof overweegt dat [appellant] niet heeft voldaan aan de voorwaarde bij de eerder gegeven voorlopige voorzieningen, om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen. De huurachterstand is juist verder opgelopen, omdat [appellant] voor een aanzienlijk bedrag goederen heeft aangeschaft en daardoor zijn vaste lasten, waaronder de huur, niet meer kon betalen. [appellant] heeft zich per 15 augustus 2025 onder bewind laten stellen, maar ook dat heeft niet geleid tot een tijdige betaling van de lopende huurtermijnen. Behoudens een enkele betaling wordt de verschuldigde huur niet structureel maandelijks voldaan.
[appellant] heeft nog wel een e-mail overgelegd van de accountant van Balenciaga, zijn werkgever, waarin is vermeld dat wegens een administratieve fout de wijziging van het bankrekeningnummer niet is doorgevoerd en het salaris in de periode september tot en met december 2025 alsnog uitbetaald zal worden, maar nog daargelaten dat dat bericht dateert van 12 januari 2025, blijkt daaruit niet dat de betaling van het salaris van de periode september-december 2025 alsnog zal worden overgemaakt naar de beheerrekening van bewindvoerder. Gegevens daarover ontbreken in de e-mail en ook de ‘notification’ van [appellant] waarnaar in het bericht wordt verwezen, ontbreekt.
Onder deze omstandigheden dient naar het oordeel van het hof het belang van Aegon zwaarder te wegen dan het belang van [appellant].
2.1
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden
bekrachtigd.

3.De beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.J.M. Verburg, mr. G.C. de Heer en mr. A.J.P. Schild, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.