ECLI:NL:GHDHA:2026:461

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.341.221/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:170 BWArt. 6:248 lid 2 BWALIB 2007NEN 3140
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnissen inzake kortsluiting en brandschade in bedrijfspand

In deze civiele zaak vorderen appellanten vergoeding van schade veroorzaakt door een brand als gevolg van kortsluiting in de elektrische installatie van een bedrijfspand. De kortsluiting ontstond tijdens werkzaamheden door de onderaannemer, waarbij ook ernstig letsel ontstond. De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde appellanten tot betaling van proceskosten.

In hoger beroep wijzigden appellanten hun grondslag en stelden dat de kortsluiting was veroorzaakt doordat de onderaannemer onder spanning aan de vermogensschakelaar werkte, in strijd met veiligheidsnormen en onrechtmatig volgens artikel 6:162 BW Pro. Tevens werd betoogd dat de hoofdaannemer aansprakelijk was op grond van artikel 6:170 BW Pro. Het hof oordeelde dat de wijziging toelaatbaar was, maar dat niet vaststaat dat de onderaannemer de kortsluiting heeft veroorzaakt of dat hem verwijt treft.

Het deskundigenrapport wees op mogelijke oorzaken van de kortsluiting, waaronder een isolatiefout in de installatie, en kon niet met zekerheid vaststellen welke handelingen de onderaannemer verrichtte. Werken onder spanning was in beginsel niet toegestaan, maar het verwijderen van de beschermkap was wel toegestaan mits met beschermingsmiddelen. Het hof concludeerde dat de aansprakelijkheid niet kon worden vastgesteld en dat de uitsluitings- en beperkingclausules van de toepasselijke algemene voorwaarden (ALIB 2007) van toepassing zijn.

Het hof bekrachtigde de vonnissen van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de proceskosten van het hoger beroep. De vorderingen tot schadevergoeding werden afgewezen omdat onvoldoende bewijs bestond voor toerekenbaarheid van de schade aan de onderaannemer of hoofdaannemer.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank en wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende bewijs voor aansprakelijkheid van de onderaannemer en hoofdaannemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.221/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/548306 / HA ZA 18-385
Arrest van 10 maart 2026
in de zaak van

1.[appellante 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
2.
[appellante 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
3.
[appellante 3] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
4.
Austria Deuren B.V.,
gevestigd in Lisse,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
Société Anonyme RSA Luxembourg S.A.,
gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
XL Insurance Company SE,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
appellanten,
advocaat: mr. F.M. van Hasselt, kantoorhoudend in Deventer,
tegen

1.[geïntimeerde 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert en mr. Keijzer-de Korver, kantoorhoudend in Rotterdam,
2.
[geïntimeerde 2] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.J. van der Kolk, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en [geïntimeerden] , dan wel partijen afzonderlijk achtereenvolgens [appellante 1] , [appellante 2] , [appellante 3] , Austria, de verzekeraars, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

1.De zaak in het kort

1.1
In de elektrische installatie in een bedrijfspand van [appellante 2] is kortsluiting ontstaan met brand als gevolg. Daarbij heeft [geïntimeerde 2] ernstig letsel opgelopen en zijn het bedrijfspand en goederen die daarin lagen opgeslagen, beschadigd geraakt. [appellanten] hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk gesteld voor deze schade. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
1.2
Het hof komt tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de kortsluiting door een niet-toegestane dan wel onzorgvuldige handeling van [geïntimeerde 2] is veroorzaakt, en bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 mei 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018, 23 juni 2021, 23 maart 2022 en 7 februari 2024;
  • de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] c.s., met bijlagen;
  • de bijlagen die [appellanten] op 19 december 2025, 9 januari 2026 en op 28 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlagen 4 tot en met 7 die [geïntimeerde 1] op 16 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlagen G3 tot en met G5 die [geïntimeerde 2] op 16 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de reactie van [geïntimeerde 1] per e-mail van 28 januari 2026, ingekomen op 28 januari 2026.
2.2
Op 30 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 23 juni 2021 onder 2.1 tot en met 2.14 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.2
[appellante 2] , voorheen genaamd [voormalige naam] B.V., richt zich op het beheer en de verhuur van onroerend goed. Enig aandeelhouder van [appellante 2] is de financiële holding [appellante 1] . [appellante 1] is tevens aandeelhouder van de [appellante 3] Groep B.V., die het beheer voert over [appellante 3] en Austria, groothandels in hout- en plaatmateriaal.
3.3
[appellante 2] is eigenaar van een pand aan het adres [adres] te [plaats] (hierna: het bedrijfspand). Dit pand dient als opslag- en distributiecentrum van (voornamelijk) hout. [appellante 2] verhuurde op 1 september 2017 dit pand aan [appellante 3] [plaats] B.V. [appellante 3] [plaats] B.V. is op 2 januari 2018 gefuseerd en onderdeel geworden van [appellante 3] .
3.4
In 2017 heeft [appellante 2] , althans haar rechtsvoorganger, aan [geïntimeerde 1] opdracht gegeven om de op het dak van het bedrijfspand geplaatste zonnepanelen aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk.
3.5
Voor de werkzaamheden heeft [geïntimeerde 1] op 12 januari 2017 aan (de rechtsvoorganger van) [appellante 2] een offerte afgegeven. In deze offerte staat (onder meer) dat de Algemene Leveringsvoorwaarden voor Installerende Bedrijven 2007 (hierna: ALIB 2007) van toepassing zijn.
3.6
In de ALIB 2007 is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald:
“(...)
Artikel 16 Aansprakelijkheid Pro en garantie
(...)
5. Voor vergoeding van andere schade dan in dit artikel genoemd, is de technisch aannemer slechts aansprakelijk indien en voor zover de klant bewijst, dat deze te wijten is aan opzet of schuld van de technisch aannemer.
(...)
7. Indien en voor zover de klant enig aan de Overeenkomst verbonden risico heeft verzekerd, is hij gehouden eventuele schade onder die verzekering te vorderen en de technisch aannemer te vrijwaren voor verhaalsaanspraken van de verzekeraar.
8. De omvang van de door de technisch aannemer te vergoeden schade
is beperkt tot het bedrag van de in de Overeenkomst vastgelegde prijs of
indien bij het sluiten van de Overeenkomst geen prijs is bepaald, zoals
bij regieovereenkomsten, tot het bedrag van de vermoedelijke prijs. (…)
9. In geen geval zal de schadevergoeding echter meer bedragen dan het
totaal van de bedragen van het eigen risico van de verzekering van de
technisch aannemer en de door de verzekeraar gedane uitkering tot ten
hoogste € 1.000.000,00.
(...)
16. Voor zover dat niet reeds voortvloeit uit de wet of Overeenkomst is
de technisch aannemer in ieder geval niet aansprakelijk indien een
tekortkoming van de technisch aannemer het gevolg is van:
• (…)
• tekortschieten van hulppersonen
(…)”
3.7
[geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 2] opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten in het kader van de uitvoering van deze opdracht.
3.8
Bij pogingen tot het maken van verbinding tussen de zonnepanelen en de vermogensschakelaar bleek de vermogensschakelaar defect te zijn. [appellante 2] heeft daarop [geïntimeerde 1] mondeling opdracht gegeven tot het vervangen van de vermogensschakelaar. [geïntimeerde 1] heeft vervolgens een nieuwe vermogensschakelaar besteld en heeft [geïntimeerde 2] de opdracht gegeven om de oude vermogensschakelaar te vervangen. De nieuwe vermogensschakelaar zou op 8 september 2017 worden geïnstalleerd, omdat Liander op die datum de elektriciteit zou afsluiten.
3.9
Op 1 september 2017 heeft [geïntimeerde 2] werkzaamheden uitgevoerd in de ruimte waar de vermogensschakelaar zich bevond. [geïntimeerde 2] wist dat de elektriciteit was ingeschakeld. Tijdens de werkzaamheden is kortsluiting ontstaan met brand als gevolg. [geïntimeerde 2] heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Daarnaast is er schade ontstaan aan het pand van [appellante 2] en aan de hierin opgeslagen goederen van [appellante 3] en Austria.
3.1
De verzekeraars hebben onder de brandverzekering van [appellante 1] de schade aan de goederen en inventaris van [appellante 3] en Austria, evenals de opstalschade van [appellante 2] , grotendeels vergoed.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellanten] hebben [geïntimeerden] gedagvaard en na wijziging van eis gevorderd om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, althans [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] , te veroordelen
tot betaling van een bedrag van € 5.295.522,20 aan de verzekeraars, een bedrag van € 3.773,94 aan [appellante 2] en een bedrag van € 7.500,00 aan [appellante 2] , [appellante 3] en Austria, alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente; met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , althans [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] , tot betaling van de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten.
4.2
[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen.
4.3
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, dat [appellante 1] geen belang heeft bij haar vorderingen, dat [geïntimeerde 1] in ieder geval niet aansprakelijk is voor de ontstane schade omdat zij met succes een beroep kan doen op artikel 16.16 ALIB 2007 en dat [geïntimeerde 2] niet aansprakelijk is voor de ontstane schade omdat niet is komen vast te staan dat hij de kortsluiting heeft veroorzaakt door onder spanning werkzaamheden uit te voeren met een schroevendraaier aan of bij de (oude) vermogensschakelaar.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellanten] vorderen hetzelfde als in de procedure bij de rechtbank. Zij hebben de gronden van hun eis gewijzigd en leggen in hoger beroep niet langer aan hun vorderingen ten grondslag dat de kortsluiting door [geïntimeerde 2] is veroorzaakt door te werken aan de vermogensschakelaar onder spanning met een schroevendraaier (hierna: het schroevendraaierscenario), maar dat [geïntimeerde 2] de kortsluiting heeft veroorzaakt door te werken aan de vermogensschakelaar onder spanning. Daarnaast hebben zij de grondslag van hun vorderingen jegens [geïntimeerde 1] uitgebreid met de stelling, kort samengevat, dat [geïntimeerde 1] op gelijke wijze als [geïntimeerde 2] aansprakelijk is indien [geïntimeerde 2] wordt aangemerkt als ondergeschikte van [geïntimeerde 1] in de zin van artikel 6:170 BW Pro, omdat artikel 6:170 BW Pro van dwingend recht is en [geïntimeerde 1] zich niet kan beroepen op artikel 16.16 ALIB 2007.
5.2
Kort samengevat zien de bezwaren van [appellanten] tegen de vonnissen van de rechtbank hoofdzakelijk op het volgende:
  • Volgens [appellanten] is in de procedure bij de rechtbank ten onrechte de nadruk gelegd op de vraag of de kortsluiting met de punt van de schroevendraaier is gemaakt. [geïntimeerde 2] heeft de kortsluiting volgens [appellanten] veroorzaakt doordat hij werkzaamheden heeft verricht aan de vermogensschakelaar terwijl de installatie onder spanning stond. Aldus heeft [geïntimeerde 2] in strijd gehandeld met het Werkplan PV-installatie [plaats] van [geïntimeerde 1] , de Arbowetgeving en de NEN 3140-norm. Bovendien heeft hij onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW Pro want in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [geïntimeerde 2] moet worden beschouwd als ondergeschikte van [geïntimeerde 1] in de zin van artikel 6:170 BW Pro. Om deze redenen is [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor de door de kortsluiting ontstane schade en kan hij zich niet beroepen op de ALIB 2007 en de aansprakelijkheidsuitsluitende dan wel -beperkende bepalingen daarvan. Een beroep op deze bepalingen moet worden getoetst aan de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW Pro aan de hand van alle relevante bepalingen (de grieven 3 tot en met 5, en 8 tot en met 15).
  • [geïntimeerde 1] is op gelijke wijze als [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 1] kan zich volgens [appellanten] evenmin beroepen op de ALIB 2007 en de aansprakelijkheidsuitsluitende dan wel -beperkende bepalingen daarvan, omdat de redelijkheid en billijkheid daaraan in de weg staan (de grieven 1 en 2).
  • De rechtbank heeft volgens [appellanten] ten onrechte een door hen voorgestelde vraag aan de deskundige ir. R.J. Ritsema van ERCD Advies B.V. niet overgenomen en een andere vraag niet volgens het voorstel van [appellanten] gesplitst (de grieven 6 en 7).
5.3
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bestrijden de grieven en concluderen tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen.

6.Beoordeling in hoger beroep

De eiswijziging

6.1
[geïntimeerden] hebben bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de grondslag van de vorderingen van [appellanten] , voor zover het gaat om het verlaten van het schroevendraaierscenario, omdat zij deze wijziging tardief (en inhoudelijk ongeloofwaardig) achten.
6.2
Het hof verwerpt dit bezwaar en acht de wijziging van de grondslag toelaatbaar. De wijziging is tijdig gedaan, want zij is opgenomen in de memorie van grieven waarop [geïntimeerden] inhoudelijk hebben kunnen reageren bij memorie van antwoord. Verder is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerden] door de wijziging in hun verdediging onredelijk zijn bemoeilijkt of dat de procedure daardoor onredelijk is vertraagd.
De oorzaak van de kortsluiting
6.3
In hoger beroep moet worden beoordeeld of [geïntimeerde 2] de kortsluiting heeft veroorzaakt doordat hij werkzaamheden heeft verricht aan de vermogensschakelaar terwijl de installatie onder spanning stond en zo ja, of hem daarvan een verwijt treft.
6.4
In de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep hebben partijen diverse rapporten overgelegd van (partij-)deskundigen die zich over de oorzaak van de kortsluiting hebben uitgelaten. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 maart 2022 ir. R.J. Ritsema van ERCD Advies B.V. (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd en hem de vragen voorgelegd zoals geformuleerd in r.o. 3.1 van dit vonnis. De deskundige heeft zijn bevindingen en conclusies opgenomen in het rapport van 5 april 2023 (hierna: het deskundigenrapport).
6.5
Partijen zijn het erover eens dat het deskundigenrapport ook in hoger beroep leidend moet zijn voor de beoordeling van de hiervoor in 6.3 geformuleerde vraag.
De vragen aan de deskundige
6.6
De grieven 6 en 7 houden in dat de rechtbank ten onrechte een door [appellanten] voorgestelde vraag aan de deskundige niet heeft overgenomen en een andere vraag niet volgens het voorstel van [appellanten] heeft gesplitst.
6.7
Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Die gronden moeten behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren (vgl. HR 12‑12‑2025, ECLI:NL:HR:2025:1899). De grieven 6 en 7 zijn in het geheel niet toegelicht en slagen alleen daarom al niet. Bovendien hebben [appellanten] aan deze grieven niet de conclusie verbonden dat deze moeten leiden tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank.
De bevindingen en conclusies van de deskundige
6.8
De deskundige heeft op basis van de rapporten van de partijdeskundigen (hierna: de partijrapporten) - zakelijk weergegeven - aangenomen dat de beschermkap van de installatie waarschijnlijk verwijderd was ten tijde van de kortsluiting. Zou de beschermkap ten tijde van de kortsluiting nog op de installatie hebben gezeten, dan zou deze door de drukgolf van de explosie zijn ‘weggeblazen’. Het ligt voor de hand dat de beschermkap dan niet volledig zou zijn verbrand en dat er minimaal fragmenten van de beschermkap teruggevonden zouden zijn. Gezien de versmelting van de punt van de schroevendraaier moet deze zich volgens de deskundige bovendien op een kleine afstand van (het ontstaan van) de vlamboog hebben bevonden. Dat kan alleen het geval zijn geweest als de beschermkap verwijderd was. De deskundige heeft verder - op basis van de partijrapporten - aangenomen dat [geïntimeerde 2] ‘iets’ aan het doen was met de schroevendraaier, maar wat dat is geweest, kan hij op basis van de feiten en de in die rapporten vermelde gegevens dan wel scenario’s niet vaststellen (blz. 56 deskundigenrapport).
6.9
De deskundige heeft in zijn rapport vastgesteld dat de mogelijke oorzaken, die genoemd zijn in de partijrapporten, niet mogelijk dan wel zeer onwaarschijnlijk zijn. De deskundige acht het mogelijk dat de kortsluiting is ontstaan in ‘de twee dunne draadjes’ waarmee een aftakking is gemaakt aan de voedende zijde van de vermogensschakelaar. De kortsluiting zou veroorzaakt kunnen zijn door het uitvoeren van werkzaamheden in dit deel maar ook door een falen van isolatie van de dunne draadjes. De kortsluiting kan door een isolatiefout of een door ouderdom gebrekkige isolatie van de dunne draadjes veroorzaakt zijn, wanneer de dunne draad vanaf de zogenaamde PEN rail tegen een koperstrip van de fase is komen te liggen, al dan niet door beweging of trillingen. Als de isolatie van de draad gebrekkig is, ontstaat in een dergelijk geval ook kortsluiting. Er is dan sprake van een gebrek van de installatie want de isolatie behoort adequaat en hiertegen bestand te zijn. De verdeler was circa 35 jaar oud ten tijde van de kortsluiting, en het staat niet vast dat de isolatie ‘goed’ was, aldus de deskundige (blz. 57 deskundigenrapport).
6.1
De deskundige concludeert dat [geïntimeerde 2] ten tijde van de kortsluiting de beschermkap had verwijderd en zich direct voor de kast bevond. De deskundige vervolgt: “
Onbekend is welke handelingen de heer [geïntimeerde 2] uitvoerde. Ondergetekende is van mening dat met alleen kijken er geen kortsluiting ontstaat, met andere woorden er moet iets gebeurd zijn waardoor de kortsluiting ontstaan is. En of dit nu werken met de schroevendraaier is geweest, het bewegen van of trekken aan bedrading, het losnemen van een draad, etc, er is dan sprake van ‘werken’. Ondergetekende komt hiermee tot de gevolgtrekking (…) dat er sprake is van werken onder spanning.” (blz. 67 deskundigenrapport).
Werken onder spanning is in beginsel niet toegestaan
6.11
Artikel 3.4.4. van de in dit geval toepasselijke NEN 3140-norm geeft de volgende definitie van ‘onder spanning werken’: “
alle werkzaamheden waarbij een persoon actieve delen kan aanraken of met delen van zijn lichaam, met gereedschappen, hulpmiddelen of (persoonlijke) beschermingsmiddelen terecht kan komen in de gevarenzone”.
6.12
Bij algemene werkzaamheden moet een afstand van de gevarenzone, dat wil zeggen de ongeïsoleerde actieve delen, bewaard worden van minimaal 0,5 meter. In geval van een bedieningshandeling of in geval van een meting is deze afstand 0,1 meter respectievelijk 0,05 meter. In geval van algemene werkzaamheden binnen een afstand van 0,5 meter gemeten vanaf de gevarenzone is sprake van onder spanning werken. De beschermkap van de vermogensschakelaar mocht volgens de deskundige wel verwijderd worden terwijl de installatie onder spanning stond, al had [geïntimeerde 2] daarbij volgens de NEN 3140-norm persoonlijke beschermingsmiddelen moeten gebruiken. (blz. 63 deskundigenrapport). Onder spanning werken vormt bovendien vrijwel altijd een overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (blz. 66 deskundigenrapport).
Er valt niet met zekerheid vast te stellen wat [geïntimeerde 2] heeft gedaan
6.13
Partijen zijn het erover eens dat in dit geval werken aan de installatie, terwijl die onder spanning stond, in beginsel niet was toegestaan omdat daarvoor geen noodzaak bestond. Het afnemen van de beschermkap was wel toegestaan. Mogelijk heeft [geïntimeerde 2] de beschermkap verwijderd voor (alleen) een visuele controle – wat toegestaan was – of voor het instellen van het relais, het doen trippen van de vermogensschakelaar dan wel voor het uitvoeren van andere werkzaamheden, wat niet toegestaan was. Het valt echter niet meer met zekerheid vast te stellen met welk doel [geïntimeerde 2] de beschermkap (mogelijk) heeft verwijderd en wat [geïntimeerde 2] daarna eventueel nog heeft gedaan.
6.14
Het hof acht in dit verband van belang dat de deskundige bij zijn conclusies over de toedracht van de kortsluiting geen afstand heeft genomen van de door hem geopperde mogelijkheid dat de kortsluiting is veroorzaakt door een defect in de installatie (de gebrekkige isolatie van ‘de twee dunne draadjes’) zoals hiervoor weergegeven in r.o. 6.9. Zoals namens [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is erkend, vormt dat ook een mogelijke verklaring voor de opgetreden kortsluiting.
6.15
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 2] de kortsluiting heeft veroorzaakt en daarmee is ook niet komen vast te staan dat de schade is te wijten aan zijn opzet of schuld als bedoeld in artikel 16.5 ALIB 2007.
6.16
Toepassing van de omkeringsregel zoals [appellanten] hebben bepleit, is niet aan de orde omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde 2] een specifieke veiligheidsnorm heeft geschonden, waarna het specifieke risico dat deze norm beoogt te voorkomen, zich heeft verwezenlijkt.
6.17
Op het voorgaande stuiten de grieven 1 tot en met 5, en 8 tot en met 15 af. Bij afzonderlijke bespreking daarvan bestaat onvoldoende belang. [appellanten] hebben evenmin belang bij behandeling van grief 16, die naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft.
Conclusie en proceskosten
6.18
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante 1] afgewezen bij gebrek aan belang. Aan deze beslissing is het hof gebonden aangezien tegen deze beslissing geen grief is gericht.
6.19
Nu geen van de grieven tot vernietiging kan leiden, dienen de bestreden vonnissen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.
6.2
[appellanten] hebben geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, tot een andere beoordeling kunnen leiden dan hiervoor gegeven. Aan hun bewijsaanbod in de memorie van grieven komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dat aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.
6.21
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt. Daarom zal het hof de vonnissen bekrachtigen. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.22
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] op:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 13.218,- (2 punten × tarief VIII)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 19.968,-
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 2] op:
griffierecht € 2.053,-
salaris advocaat € 13.218,- (2 punten × tarief VIII)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 15.460,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018, 23 juni 2021, 23 maart 2022 en 7 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] , tot op heden begroot op € 19.968,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening aan [geïntimeerde 1] moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 2] , tot op heden begroot op € 15.460,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening aan [geïntimeerde 2] moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordelingen betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. Verbeek, P. Volker en K. Engel en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.