Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:460

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.359.224/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:671b lid 9 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding zonder toekenning billijke vergoeding

De werknemer trad in december 2019 in dienst bij Erfgoedhavens als senior havenmeester, aanvankelijk voor bepaalde tijd en vanaf december 2021 voor onbepaalde tijd. Vanaf 2024 ontstonden spanningen en een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij de werknemer zich arrogant en respectloos gedroeg, wat door meerdere collega’s werd bevestigd. Mediation en gesprekken leidden niet tot herstel.

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2025 wegens de verstoorde arbeidsrelatie en kende een transitievergoeding toe, maar wees de billijke vergoeding, pensioenbijdrage en achterstallig loon af. De werknemer ging in hoger beroep en verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst, billijke vergoeding, pensioen- en loonbetaling.

Het hof oordeelde dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was door het gedrag van de werknemer, dat herplaatsing niet mogelijk was en dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. De vorderingen tot billijke vergoeding, pensioenbijdrage en achterstallig loon wegens studiekosten werden afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is ontbonden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding zonder toekenning van billijke vergoeding of nabetaling van pensioenbijdrage en achterstallig loon.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.359.224/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11664790 VZ VERZ 25-2947
Beschikking van 3 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. I.I. Feenstra, kantoorhoudende in Den Haag,
tegen
Stichting Erfgoedhavens Rotterdam,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
hierna te noemen: Erfgoedhavens,
advocaat: mr. M.A.W. Holdtgrefe, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
Beoordeeld moet worden of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen op goede gronden heeft ontbonden, en of Erfgoedhavens aan [verzoeker] een billijke vergoeding dient te betalen. Daarnaast is aan de orde of [verzoeker] jegens Erfgoedhavens aanspraak heeft op nabetaling van pensioenbijdrage en achterstallig loon wegens verrekende studiekosten.
1.2
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en wijst af wat [verzoeker] in hoger beroep heeft verzocht.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het beroepschrift, met bijlagen, ter griffie van het hof ingekomen op 15 september 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van 16 juni 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de bestreden beschikking);
  • het verweerschrift, met bijlage, van Erfgoedhavens, ter griffie van het hof ingekomen op 18 december 2025.
2.2
Op 8 januari 2026 heeft een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden en ter beschikking is gesteld aan (de overige leden van) de meervoudige kamer. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt bij de beoordeling. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.2
Erfgoedhavens houdt zich bezig met het in stand houden en bevorderen van het gebruik van de historische havens van Rotterdam en faciliteert ligplaatsen in deze havens.
3.3
[verzoeker] is per 1 december 2019 bij Erfgoedhavens in dienst getreden in de functie van senior havenmeester op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar, voor gemiddeld 20 uur per week. Het salaris bedroeg bij indiensttreding uitgaande van een 38-urige werkweek € 2.799,50 bruto per maand. Dit bedrag bestond uit € 2.545,- aan loon en € 254,50 aan bijdrage pensioenregeling. Tevens ontving [verzoeker] 6% eindejaarsuitkering. Vanaf 1 december 2021 is [verzoeker] in dienst geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3.4
Bij Erfgoedhavens zijn in totaal vijf medewerkers in dienst (geweest). Tot mei 2024 was [naam 1] (hierna: [naam 1] ) de bestuurder/directeur van Erfgoedhavens. [naam 1] is opgevolgd door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is werkzaam als (junior) havenmeester, [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is werkzaam als controller en [naam 5] (hierna: [naam 5] ) is werkzaam als officemanager. Het kantoor van Erfgoedhavens bestaat uit één open ruimte waarin de medewerkers gezamenlijk werkzaam zijn.
3.5
[verzoeker] heeft zich op 24 juni 2024 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft [verzoeker] arbeidsgeschikt geacht voor zijn eigen werk vanaf 2 december 2024 en heeft geadviseerd om het werk geleidelijk te hervatten volgens een opbouwschema. De bedrijfsarts heeft partijen daarnaast geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan om de spanningen in de werksituatie op te lossen.
3.6
Op initiatief van Erfgoedhavens hebben partijen - [naam 2] namens Erfgoedhavens - vervolgens onder begeleiding van een mediator met elkaar gesproken. De mediation heeft niet geleid tot een oplossing en [verzoeker] heeft het werk niet meer hervat.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Erfgoedhavens heeft de kantonrechter verzocht, kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro (de g-grond).
4.2
[verzoeker] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit verzoek en verzocht om hem toe te laten tot het verrichten van zijn werkzaamheden. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, heeft [verzoeker] verzocht om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Tevens heeft [verzoeker] verzocht om Erfgoedhavens te veroordelen tot betaling van achterstallige pensioenbijdragen en tot betaling van de kosten van de procedure.
4.3
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2025 ontbonden en Erfgoedhavens veroordeeld om aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 4.038,43 bruto te betalen. De kantonrechter heeft de overige verzoeken afgewezen en bepaald dat partijen de eigen proceskosten dragen.
4.4
De kantonrechter heeft daartoe overwogen, kort samengevat, dat Erfgoedhavens voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie en dat het gedrag en de houding van [verzoeker] daarvan de oorzaak zijn. Herplaatsing van [verzoeker] binnen Erfgoedhavens is geen reële mogelijkheid, gelet op de verstoorde arbeidsrelatie en de omstandigheid dat Erfgoedhavens een kleine organisatie is. Erfgoedhavens heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld zodat zij geen billijke vergoeding hoeft te betalen aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft gelet op de betwisting door Erfgoedhavens onvoldoende onderbouwd dat bij zijn indiensttreding indexatie van de pensioenbijdrage is overeengekomen, zodat hij geen aanspraak heeft op compensatie van pensioenschade.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking omdat hij het niet eens is met de beslissingen van de kantonrechter. Kort samengevat verzoekt [verzoeker] het hof primair om de arbeidsovereenkomst te herstellen en de daartoe nodige voorzieningen te treffen, en subsidiair om Erfgoedhavens te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding ter hoogte van € 34.900,01. [verzoeker] verzoekt het hof daarnaast om Erfgoedhavens te veroordelen tot betaling van (i) € 1.200,- netto aan achterstallige pensioenkosten, (ii) € 1.995,- netto aan achterstallig loon en (iii) de kosten van de procedure in beide instanties.
5.2
[verzoeker] richt vier grieven (bezwaren) tegen de bestreden beschikking. Samengevat komen de grieven op het volgende neer. De arbeidsovereenkomst is ten onrechte ontbonden omdat van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding geen sprake is (grief 1). Aan [verzoeker] had een billijke vergoeding toegekend moeten worden omdat Erfgoedhavens ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld (grief 2). Ten onrechte is de vergoeding van pensioenschade afgewezen, hoewel [naam 1] ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat Erfgoedhavens bereid is deze schade alsnog te vergoeden (grief 3). Erfgoedhavens is ten onrechte niet als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure bij de kantonrechter veroordeeld (grief 4).
5.3
[verzoeker] verzoekt bovendien in hoger beroep om Erfgoedhavens te veroordelen tot betaling van € 1.995,- aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van vijftig procent als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro. Daartoe stelt [verzoeker] dat Erfgoedhavens ten onrechte een bedrag van € 1.995,- wegens studiekosten heeft verrekend in de eindafrekening van augustus 2025.
5.4
Erfgoedhavens voert verweer. Erfgoedhavens concludeert tot bekrachtiging van de bestreden beschikking en afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] .

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd en wat [verzoeker] in hoger beroep heeft verzocht, zal worden afgewezen. Het hof licht dit hierna toe.
De arbeidsverhouding is ernstig en duurzaam verstoord
6.2
Een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:669 lid 1 jo Pro. lid 3 BW is aanwezig, indien sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met de desbetreffende medewerker laat voortduren. Deze verstoring moet in beginsel ernstig en duurzaam zijn. Daarnaast moet herplaatsing van de werknemer niet mogelijk zijn of in de rede liggen. De werkgever dient de aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer, te bewijzen.
6.3
Erfgoedhavens stelt dat de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] ernstig en duurzaam is verstoord door het gedrag en de houding van [verzoeker] . Hij beïnvloedt de werksfeer negatief, bijvoorbeeld door zijn arrogante en neerbuigende opstelling, traineren, negeren, te direct zijn, meten met twee maten, moedwillig choqueren, niet oppakken van taken en het achterhouden van informatie en wachtwoorden. [verzoeker] heeft in het bijzonder moeite om respectvol samen te werken met de vrouwelijke medewerkers en neemt weinig of niets van hen aan. Er zijn schriftelijke verklaringen overgelegd van [naam 1] , [naam 2] en alle andere medewerkers waaruit een en ander blijkt. De meeste voorbeelden die Erfgoedhavens naar voren heeft gebracht, zijn door [verzoeker] niet weersproken. Iedere keer is zijn reactie geweest dat hem niets te verwijten valt en dat het aan de ander ligt. [verzoeker] is diverse malen aangesproken op zijn gedrag door [naam 1] en zijn collega’s en hij wist dus dat hij zijn gedrag moest aanpassen. Zijn gedrag en houding zijn echter alleen maar verslechterd, met name in de periode nadat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had gekregen. De verslechtering in het gedrag en de houding van [verzoeker] is te wijten aan gebrek aan zelfreflectie, bereidheid om te verbeteren en verantwoordelijkheidsbesef. Mediation heeft de arbeidsverhouding niet verbeterd. Terugkeer van [verzoeker] is niet mogelijk want zijn terugkeer zou leiden tot onherstelbare schade aan het team en de organisatie. De andere medewerkers willen niet meer met [verzoeker] samenwerken en sommigen zullen vertrekken wanneer [verzoeker] terugkeert, aldus Erfgoedhavens.
6.4
[verzoeker] betwist dat van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen hem en Erfgoedhavens sprake is. Het gedrag van [verzoeker] waar Erfgoedhavens zich over beklaagt, is niet gewijzigd sinds het begin van de arbeidsovereenkomst en werd kennelijk door Erfgoedhavens getolereerd. Zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst werd immers omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoeker] is door [naam 1] of de overige medewerkers nooit duidelijk aangesproken op zijn gedrag. Pas tijdens het evaluatiegesprek op 24 december 2023 werd [verzoeker] duidelijk gemaakt dat hij zijn gedrag moest aanpassen. De aanvaringen die [verzoeker] heeft gehad met zijn collega’s, zijn onjuist in de bestreden beschikking weergegeven en moeten worden genuanceerd. [verzoeker] staat nog altijd open voor een gesprek met alle medewerkers van Erfgoedhavens en meent dat hij daarna kan terugkeren naar Erfgoedhavens.
6.5
Het hof is van oordeel dat Erfgoedhavens aan de hand van tal van voorbeelden van incidenten voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is door het gedrag en de houding van [verzoeker] . Het gaat daarbij zowel om de verhouding tussen [verzoeker] en zijn (toenmalige) leidinggevende als om de verhouding tussen [verzoeker] en de overige medewerkers. [verzoeker] heeft niet betwist dat de door Erfgoedhavens gestelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Hij heeft alleen de conclusie die Erfgoedhavens daaraan verbindt en het gelijkluidende oordeel van de kantonrechter – een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding – weersproken, en aangevoerd dat de incidenten zijn veroorzaakt door het gedrag van anderen of dat zijn gedrag en houding onnodig negatief zijn opgevat door anderen.
6.6
Uit de verslagen van functioneringsgesprekken komt het beeld naar voren dat de arbeidsrelatie mettertijd verslechterde en op een gegeven moment onhoudbaar werd. In het verslag van 2020 wordt opgemerkt over [verzoeker] : “
Komt soms wat arrogant over, maar is over het algemeen niet zo bedoeld.
Zal op dit punt letten” en “
Sociale communicatie is goed, maar soms directe reactie die verkeert uitgelegd kan worden. Is besproken, zal [verzoeker] op letten.” In het verslag van 2021 wordt opgemerkt: “
Goede sfeer, maar soms wat wrevel. Vraagt enige verbetering”, en “
Communicatief: goed, komt soms wat arrogant over. Wat aandacht aan geven.” Een veel negatiever beeld wordt geschetst in het verslag van het gesprek op 24 december 2023. Daarin staat onder meer
: “Taken die [verzoeker] minder leuk vindt blijven eerder liggen, of schuift deze voor zich uit. Afspraken maken om weer naar een normalere situatie te komen.” Over de samenwerking/collegialiteit
: “Tussen havenmeesters en [naam 1][bedoeld wordt: [naam 1] ; hof]
is voldoende tot goed, maar op kantoor is het zorgelijk en moet echt anders. [verzoeker] meet met twee maten. Het voelt alsof [verzoeker] moetwillig wil choqueren.” En: “
Aankomende tijd zullen afspraken plaats vinden om hieraam te werken. Daar moet verandering in komen”. Bij werkomstandigheden: “
[verzoeker] kan voor zijn omgeving te nadrukkelijk aanwezig zijn en dat heeft negatieve invloed op de werkomstandigheden van anderen. Dit wordt meegenomen in de gesprekken die gevoerd gaan worden.” Over de communicatie: “
Prima, maar komt soms, met name intern, drammerig over, wat een open gesprek bemoeilijkt. [verzoeker] kan zich voorstellen dat dit plaats vindt, maar vindt dat dit niet alleen aan hem ligt.” En bij sociaal: “
Is wispelturig. Ene moment prima en andere moment kan er een negatieve sfeer ontstaan en lijkt persoonsafhankelijk te zijn. [verzoeker] herkent zich hier maar gedeeltelijk in, maar zal onderwerp van gesprek moeten blijven om tot een oplossing te komen.” Als toelichting wordt nog opgemerkt: “
Bij [verzoeker] heb ik op dit moment een heel dubbel gevoel, inhoudelijk waardevol voor de organisatie maar gedrag is op sommige momenten storend, iets wat moet veranderen zeker naar de collega’s”.
6.7
Dat het gedrag en de houding van [verzoeker] in toenemende mate problematisch zijn geworden, vindt steun in de bij het inleidend verzoekschrift overgelegde (uitgebreide en gedetailleerde) verklaringen van [naam 1] , [naam 2] en de overige medewerkers. Daaruit blijkt dat zich vanaf 2022 tal van incidenten op de werkvloer bij Erfgoedhavens hebben voorgedaan waarbij [verzoeker] betrokken was. Zo maakte hij een ongepaste opmerking over de dochter van [naam 5] , sloot hij een computerbestand van [naam 3] af zonder dit op te slaan, gaf hij [naam 4] onvoldoende uitleg over een door hem in Excel geautomatiseerde administratieve taak van haar, nam hij zonder overleg met [naam 1] een ponton in bruikleen, wat tot hoge kosten voor Erfgoedhavens heeft geleid en gedroeg hij zich respectloos jegens [naam 4] en [naam 5] tijdens het vieren van hun verjaardagen. Partijen verschillen weliswaar van inzicht over de ernst en impact van deze en andere incidenten, maar aangenomen moet worden dat deze gebeurtenissen de arbeidsrelatie tussen [verzoeker] en Erfgoedhavens ernstig en in toenemende mate onder druk hebben gezet. Daarbij kunnen het gedrag en de houding van [verzoeker] niet los worden gezien van deze incidenten. [naam 1] , [naam 2] en de overige medewerkers van Erfgoedhavens hebben in hun verklaringen voorts te kennen gegeven, zakelijk weergegeven, dat [verzoeker] zich in het algemeen arrogant, onbeschoft en aanvallend opstelde en steeds meer zijn eigen weg ging zonder rekening te houden met zijn leidinggevende en collega’s.
6.8
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, en ook in aanmerking genomen dat Erfgoedhavens (zowel in aantal medewerkers als in werkruimte) een kleine organisatie is, brengen mee dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Erfgoedhavens in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] laat voortduren.
6.9
Erfgoedhavens heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 1] [verzoeker] in 2023 en daarna herhaaldelijk in niet mis te verstane bewoordingen tevergeefs op zijn gedrag en houding heeft aangesproken. [verzoeker] had daarom in ieder geval in 2023 moeten inzien dat hij zijn gedrag en houding diende te veranderen. Een dergelijke verandering is echter uitgebleven, en mediation heeft eind 2024 niet meer geleid tot herstel van de verstoorde arbeidsverhouding.
6.1
Gelet hierop acht het hof herstel van de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding door middel van een gesprek met de overige medewerkers, zoals [verzoeker] heeft bepleit, onmogelijk, waarbij komt dat het organiseren van een dergelijk gesprek van Erfgoedhavens niet te vergen valt omdat de overige medewerkers geen contact meer willen met [verzoeker] .
Herplaatsing is niet mogelijk
6.11
Erfgoedhavens is een kleine organisatie waar in één ruimte slechts vijf medewerkers werkzaam zijn die goed met elkaar moeten kunnen samenwerken. De onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding maakt dat herplaatsing van [verzoeker] binnen Erfgoedhavens geen reële mogelijkheid is.
Geen herstel van de arbeidsovereenkomst
6.12
Omdat de arbeidsverhouding tussen [verzoeker] en Erfgoedhavens ernstig en duurzaam is verstoord, bestaat voor herstel van de arbeidsovereenkomst geen grond. Grief 1 wordt verworpen.
Geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding
6.13
Indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, kan de rechter op basis van artikel 7:671b lid 9 aanhef en sub c BW aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. Toekenning van een dergelijke billijke vergoeding is slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. Daarvoor geldt een hoge drempel. Bij de beoordeling moeten de aangevoerde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden beschouwd en kan het ernstig verwijtbaar handelen ook erin gelegen zijn dat de werkgever zich bij herhaling schuldig maakt aan ongelukkig, onzorgvuldig en/of verwijtbaar gedrag, ook als die gedragingen ieder op zichzelf beschouwd niet ernstig verwijtbaar zijn. De parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid (Wwz) noemt onder andere de volgende voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de werkgever:
  • als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;
  • als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde verhouding ontstaat. Te denken is daarbij aan een situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;
  • de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;
  • de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. (Zie Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3 blz. 34).
6.14
Volgens [verzoeker] heeft Erfgoedhavens ernstig verwijtbaar gehandeld. [verzoeker] stelt hiervoor vijf omstandigheden:
Erfgoedhavens heeft [verzoeker] niet begeleid in mogelijk ander gewenst gedrag, terwijl [verzoeker] hetzelfde gedrag vertoonde als bij zijn sollicitatie;
Erfgoedhavens heeft de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] twee keer verlengd, terwijl [verzoeker] zijn gedrag niet veranderde, en heeft [verzoeker] niet duidelijk gemaakt dat zijn gedrag moest veranderen en hem hiervoor handreikingen aangeboden;
Erfgoedhavens heeft [verzoeker] op zeer genuanceerde wijze aangesproken op zijn gedrag;
Erfgoedhavens heeft een groepsgesprek tussen [verzoeker] en de overige medewerkers geweigerd; en
Erfgoedhavens heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht hoewel bekend is dat iemand van 59 jaar oud niet snel meer een nieuwe baan vindt.
6.15
De verwijten die [verzoeker] aan het adres van Erfgoedhavens maakt, halen niet de lat van de ernstige verwijtbaarheid. Zoals hiervoor in 6.5 tot en met 6.8 reeds is overwogen, heeft [verzoeker] in toenemende mate ongewenst gedrag vertoond en een ongewenste houding aangenomen, en heeft Erfgoedhavens hem daarop herhaaldelijk (tevergeefs) aangesproken. Met name in het gesprek op 24 december 2023 is [verzoeker] ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat zijn gedrag en houding niet langer getolereerd zouden worden, maar ook in de eerdere functioneringsgesprekken is al aandacht besteed aan zijn gedrag en houding. Verder is namens Erfgoedhavens onweersproken aangevoerd dat [verzoeker] ook buiten de functioneringsgesprekken om herhaaldelijk door [naam 1] is aangesproken op zijn gedrag en houding naar aanleiding van de vele incidenten die zich hebben voorgedaan gedurende het dienstverband. [verzoeker] heeft dus moeten inzien dat hij zijn gedrag en houding diende aan te passen. Mediation heeft evenmin een oplossing gebracht voor het problematische gedrag en de houding van [verzoeker] . Dat Erfgoedhavens weigert een gesprek met de overige medewerkers te organiseren, kan haar niet verweten worden, zoals hiervoor in 6.10 reeds is overwogen. Dat Erfgoedhavens in de ontstane onwerkbare situatie aanleiding heeft gezien om een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen, is uiteraard evenmin verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar, ook niet als daarbij de gevorderde leeftijd van [verzoeker] in ogenschouw wordt genomen. Er bestaat dus geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Erfgoedhavens. Grief 2 slaagt daarom evenmin.
Geen aanspraak op € 1.200,- achterstallige pensioenbijdrage
6.16
[verzoeker] stelt dat hij aanspraak heeft op achterstallige pensioenbijdrage omdat [naam 1] tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft verklaard dat Erfgoedhavens bereid was deze bijdrage alsnog te voldoen.
6.17
Erfgoedhavens betwist dit onder verwijzing naar het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling waaruit blijkt dat Erfgoedhavens in de procedure bij de kantonrechter het standpunt heeft ingenomen dat [verzoeker] geen recht heeft op achterstallige pensioenbijdrage. Erfgoedhavens heeft verder verklaard dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een bruto-salaris is afgesproken en een bijdrage pensioenregeling die destijds tien procent van het overeengekomen bruto-salaris bedroeg. Over indexering van de pensioenbijdrage zijn partijen destijds niets overeengekomen en Erfgoedhavens is pas jaren later voor alle medewerkers tot verhoging daarvan overgegaan, maar niet met terugwerkende kracht, aldus Erfgoedhavens.
6.18
Het hof overweegt dat in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg niet valt terug te lezen dat [naam 1] (Erfgoedhavens) aan [verzoeker] toen een dergelijke toezegging heeft gedaan. Uit (artikel 6 van Pro) de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst volgt niet dat partijen afspraken hebben gemaakt over indexering van de pensioenbijdrage. Het had in dit verband op de weg van [verzoeker] gelegen om tegenover de gemotiveerde betwisting van Erfgoedhavens te stellen en te onderbouwen waaruit zou blijken dat partijen een aanvullende afspraak over indexering met terugwerkende kracht van de pensioenbijdrage hebben gemaakt. Hierin is [verzoeker] niet geslaagd. Grief 3 faalt daarom.
Geen aanspraak op achterstallig loon wegens verrekende studiekosten
6.19
[verzoeker] verzoekt betaling van een bedrag van € 1.995,- netto aan achterstallig loon omdat Erfgoedhavens volgens hem ten onrechte dit bedrag wegens studiekosten heeft verrekend in de eindafrekening van augustus 2025.
6.2
Partijen zijn op 3 januari 2022 schriftelijk met elkaar overeengekomen dat Erfgoedhavens de kosten (€ 1.995,-) voorschiet van een door [verzoeker] te volgen opleiding voor het Groot Pleziervaarbewijs. In de overeenkomst staat het volgende vermeld:
“(…) Het voorschot hoeft niet terugbetaald te worden als u na het jaar waarin u de studie afrondt nog twee jaar in dienst blijft.
Indien u binnen 2 jaar na aanvang van de studie uit dienst treedt, dient u respectievelijk, binnen 1 jaar de volledige kosten en binnen 2 jaar 50% van de kosten terug te betalen. (…)”
6.21
Vaststaat dat [verzoeker] deze opleiding niet heeft afgerond. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de studiekosten ten onrechte zijn verrekend, omdat partijen geen afspraken hebben gemaakt over wat te doen indien [verzoeker] de studie niet met succes afrondt, dan wel wanneer [verzoeker] zou verzuimen deze studie te volgen. Erfgoedhavens betwist dit.
6.22
Het hof overweegt dat de hiervoor gedeeltelijk geciteerde overeenkomst redelijkerwijs niet anders kan worden uitgelegd en [verzoeker] niet anders had mogen verwachten dan dat [verzoeker] de studiekosten alleen dan niet (gedeeltelijk of volledig) hoefde terug te betalen indien hij
na afronding van de studienog twee jaar bij Erfgoedhavens in dienst zou zijn. Erfgoedhavens heeft het bedrag van € 1.995,- mogen verrekenen bij de eindafrekening, omdat vaststaat dat [verzoeker] de opleiding niet heeft afgerond. Hieruit volgt dat de vordering van [verzoeker] tot betaling van achterstallig loon zal worden afgewezen.
Conclusie en proceskosten
6.23
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] niet slaagt. Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat [verzoeker] geen bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de verzoeken van [verzoeker] in hoger beroep afwijzen. Grief 4 die [verzoeker] tegen de beslissing van de kantonrechter over de proceskosten heeft gericht, heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.24
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van 16 juni 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam;
  • veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van dit hoger beroep, aan de zijde van Erfgoedhavens tot op heden begroot op € 3.596,-;
  • bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, H.J. van Kooten en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.