Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:459

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
200.329.398/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1065 RvArt. 1065a RvArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vernietiging arbitrale vonnissen bouwgeschil

Een aannemer bouwde zes woningen in een voormalig kerkgebouw, waarbij opdrachtgevers een procedure startten wegens bouwtijdoverschrijding. De Geschillencommissie veroordeelde de aannemer in zes arbitrale vonnissen tot betaling van boetes. De aannemer vorderde vernietiging van deze vonnissen.

In een tussenarrest oordeelde het hof dat vier vonnissen niet vernietigbaar waren, maar dat twee vonnissen terugverwezen moesten worden omdat de Geschillencommissie niet op een essentieel verweer was ingegaan. De Geschillencommissie stelde dit in herstelvonnissen bij.

Het hof oordeelt dat de Geschillencommissie in de herstelvonnissen alsnog gemotiveerd op de verweren is ingegaan, waardoor de vernietigingsgrond is komen te vervallen. De vordering tot vernietiging wordt afgewezen en de aannemer wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen wordt afgewezen en de aannemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.329.398/01
Arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
advocaat: mr. E. Hoekstra, kantoorhoudend in Alkmaar,
tegen

1.[verweerder 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[verweerder 2],
wonend in [woonplaats] ,
3.
[verweerder 3] ,
wonend in [woonplaats] ,
4.
[verweerder 4] ,wonend in [woonplaats] ,
5.
[verweerder 5] ,
wonend in [woonplaats] ,
6.
[verweerder 6] ,
wonend in [woonplaats] ,
7.
[verweerder 7] ,
wonend in [woonplaats] ,
8.
[verweerder 8] ,
wonend in [woonplaats] ,
9.
[verweerder 9] ,
wonend in [woonplaats] ,
10.
[verweerder 10] ,
wonend in [woonplaats] ,
11.
[verweerder 11] ,
wonend in [woonplaats] ,
12.
[verweerder 12] ,
wonend in [woonplaats] .
verweerders,
advocaat: mr. F. Dijkslag, kantoorhoudend in Amersfoort.
Het hof noemt eiseres hierna [eiseres] . Verweerders worden afzonderlijk aangeduid met hun achternaam en gezamenlijk met [verweerder 1] c.s.

1.De zaak in het kort

Een aannemer heeft zes woningen gebouwd in een voormalig kerkgebouw in [plaats] . De opdrachtgevers hebben bij de Geschillencommissie Verbouw & Nieuwbouw een procedure aanhangig gemaakt in verband met bouwtijdoverschrijding. De Geschillencommissie heeft de aannemer in zes arbitrale vonnissen veroordeeld tot betaling van boetes ten aanzien van ieder van de zes opdrachtgevers. De aannemer heeft vernietiging van de arbitrale vonnissen gevorderd. In het tussenarrest van 25 februari 2025 heeft het hof ten aanzien van vier arbitrale vonnissen geoordeeld dat die niet voor vernietiging in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige twee vonnissen heeft het hof geoordeeld dat er grond is voor terugverwijzing in de zin van artikel 1065a Rv (“remission”), omdat de Geschillencommissie in die zaken op een essentieel verweer niet is ingegaan. Op 7 oktober 2025 heeft de Geschillencommissie in die zaken twee herstelvonnissen gewezen. In dit eindarrest komt het hof tot het oordeel dat de Geschillencommissie in die twee vonnissen alsnog is ingegaan op de essentiële verweren van de aannemer. Daarmee bestaat de vernietigingsgrond niet meer. De vordering tot vernietiging wordt daarom afgewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Voor het procesverloop tot 22 april 2025 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dit tussenarrest heeft het hof met toepassing van artikel 1065 Rv Pro (de regeling van de zogenoemde remission) de procedure geschorst voor de duur van zes maanden en de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw (Geschillencommissie) in de gelegenheid gesteld om twee door de Geschillencommissie op 1 september 2022 gewezen arbitrale vonnissen te herstellen.
2.2
Op 7 oktober 2025 heeft de Geschillencommissie in beide zaken een arbitraal vonnis gewezen.
2.3
Op 28 oktober 2025 is de procedure bij dit hof hervat. [eiseres] en [verweerder 1] c.s. hebben ieder een akte genomen, waarbij [verweerder 1] c.s. twee producties heeft overgelegd, waaronder de arbitrale vonnissen van 7 oktober 2025.
2.4
Vervolgens is arrest bepaald op heden.

3.De verdere beoordeling

3.1
Bij tussenarrest van 22 april 2025 heeft het hof geoordeeld dat de Geschillencommissie in de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] en in de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 3] en [verweerder 4] op een essentieel verweer niet is ingegaan, en dat dit een grond voor vernietiging van de arbitrale vonnissen op de voet van artikel 1065 lid Pro 1, aanhef en onder d Rv oplevert.
3.2
In de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] gaat het om een gestelde vertraging in de bouw doordat eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] in de woning hebben gewerkt. De daardoor ontstane vertraging dient volgens [eiseres] voor rekening van [verweerder 5] en [verweerder 6] te komen. In de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 3] en [verweerder 4] gaat het om een gestelde vertraging in de bouwtijd die samenhangt met het door [verweerder 3] en [verweerder 4] aan [eiseres] opgedragen meerwerk, waar [eiseres] volgens haar wel van te voren bouwtijdverlenging voor heeft aangekondigd.
3.3
Bij het arbitraal (herstel)vonnis van 7 oktober 2025 in de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] heeft de Geschillencommissie ten aanzien van de bouwtijdverlenging in verband met de eigen aannemers het volgende overwogen:
3.4
In de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 3] en [verweerder 4] heeft de Geschillencommissie ten aanzien van het verweer van [eiseres] dat bouwtijdverlenging is overeengekomen als volgt overwogen:
3.5
Volgens [verweerder 3] en [verweerder 4] en [verweerder 5] en [verweerder 6] heeft de Geschillencommissie hiermee alsnog op de openstaande punten een motivering gegeven en is er geen aanleiding meer om de arbitrale vonnissen te vernietigen.
3.6
[eiseres] heeft zich in haar akte op het standpunt gesteld dat de Geschillencommissie een onjuiste maatstaf heeft toegepast door [eiseres] te houden aan bewijs van concrete vertraging door de eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] . Volgens haar heeft de Geschillencommissie verder miskend dat enkel het feit van exclusieve beschikking over het werk door [verweerder 5] en [verweerder 6] gedurende elf dagen met zich heeft gebracht dat [eiseres] niet vrijelijk kon doorwerken, zodat dit ten minste tijdsextensief is en in redelijkheid aan [verweerder 5] en [verweerder 6] moet worden toegerekend. De Geschillencommissie heeft volgens [eiseres] geen juridisch dragende verklaring gegeven waarom die exclusieve periode géén deelvertraging of verlenging zou rechtvaardigen en dat is een motiveringsgebrek, te meer nu de Geschillencommissie heeft erkend dat de planning door [eiseres] is aangepast om eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] toe te laten.
3.7
In de zaak van [verweerder 3] en [verweerder 4] heeft de Geschillencommissie volgens [eiseres] – kort gezegd – de uitzonderingsmaatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW Pro volledig miskend. De Geschillencommissie heeft nagelaten om de ondertekende overeenkomst, de erkenning door [verweerder 3] en [verweerder 4] en de concrete onderbouwing van [eiseres] te wegen. De beslissing is daarmee ten minste inconsistent, selectief en onvoldoende gemotiveerd.
3.8
Het hof overweegt dat, anders dan [eiseres] betoogt, de Geschillencommissie nu, in beide zaken, alsnog het verweer van [eiseres] ten aanzien van de redenen voor de bouwtijdverlenging gemotiveerd heeft verworpen. Zoals reeds in het tussenarrest van 25 februari 2025 is overwogen, is vernietiging slechts mogelijk wanneer de motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering (voor zover daar sprake van zou zijn): aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Het hof gaat daarom voorbij aan het betoog van [eiseres] dat de Geschillencommissie een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
3.9
Nu de Geschillencommissie met toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 1065a Rv partijen heeft gehoord, aanvullende arbitrale vonnissen heeft gewezen en daarin alsnog op de betreffende verweren is ingegaan, bestaat de in het tussenarrest van 25 februari 2025 vermelde vernietigingsgrond niet meer.
3.1
Gelet op het oordeel dat de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen moet worden afgewezen, bestaat geen aanleiding meer om in te gaan op het verzoek van [verweerder 1] c.s. om de punten 34 tot en met 38 van de akte van [eiseres] buiten beschouwing te laten of om [verweerder 1] c.s. nog de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten, een en ander zoals verzocht door [verweerder 1] c.s. in het h16-formulier van 4 november 2025.
3.11
Ten aanzien van de proceskosten overweegt het hof als volgt. De vernietigingsgrond is op zichzelf terecht voorgedragen, maar vanwege de toepassing van artikel 1065a Rv leidt die niet tot vernietiging. Op alle andere punten is [eiseres] in het ongelijk gesteld. In het licht van deze omstandigheden heeft [eiseres] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal het hof haar in de proceskosten veroordelen. Deze kosten worden met toepassing van het liquidatietarief begroot op
griffierecht € 2.277,-
salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II à € 1.290,-)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.336,-

4.Beslissing

Het hof:
  • stelt vast dat de in het tussenarrest van 25 februari 2025 geconstateerde vernietigingsgrond van de door de Geschillencommissie op 1 september 2022 onder dossiernummers 154096/163008 en 154098/163010 gewezen arbitrale vonnissen niet meer bestaat als gevolg van de door de Geschillencommissie op 7 oktober 2025 gewezen arbitrale (herstel)vonnissen;
  • wijst af de vordering tot vernietiging van alle arbitrale vonnissen van de Geschillencommissie gewezen tussen [eiseres] en [verweerder 1] c.s. van 1 september 2022;
  • veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerder 1] c.s. en begroot deze kosten tot op heden op € 6.336,-;
  • bepaalt dat als [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [eiseres] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • draagt de griffier van het hof op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw, Postbus 90600, 2509 LP Den Haag;
  • verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, J.S. Honée en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.