ECLI:NL:GHDHA:2026:449
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep strafzaak
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag op 13 februari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2023. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor het primair tenlastegelegde en vrijgesproken voor het onder 2 tenlastegelegde. Tegen dit vonnis was hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal vorderde dat de verdachte niet-ontvankelijk zou worden verklaard in het hoger beroep. De raadsvrouw van de verdachte gaf per e-mail aan dat de verdachte zijn eerder ingediende bezwaren tegen het vonnis niet wenste te handhaven. Het hof zag ook ambtshalve geen reden om de zaak inhoudelijk te behandelen.
Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de verdachte overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Hiermee is het hoger beroep van de verdachte afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, waardoor het hoger beroep is afgewezen.