Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:437

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.364.515/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van twee civiele procedures over olielekkage voor de Peruaanse kust toegewezen

In deze civiele procedure vordert Repsol Perú B.V. (Repsol NL) de voeging van haar hoger beroepszaak met een andere procedure tussen de Stichting Environment and Fundamental Rights en Repsol SA en La Pampilla. Beide zaken betreffen dezelfde olielekkage voor de kust van Peru en dezelfde incidentele vraagstukken over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de ontvankelijkheid van de Stichting.

De rechtbank Den Haag had zich bevoegd verklaard ten aanzien van Repsol NL, maar onbevoegd ten aanzien van La Pampilla en Repsol. De Stichting stelde hoger beroep in tegen dit onbevoegdheidsbesluit. Repsol NL kreeg tussentijds appel toegekend tegen het vonnis in het incident en startte deze procedure.

Het hof oordeelt dat beide zaken verknocht zijn omdat zij dezelfde feiten en rechtsvragen betreffen en voor hetzelfde hof aanhangig zijn. Om het procesverloop te stroomlijnen en tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, beveelt het hof de voeging van de zaken. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De zaak wordt op 9 juni 2026 op de rol geplaatst voor memorie van antwoord.

Uitkomst: Het hof beveelt de voeging van de twee civiele procedures over de olielekkage om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.364.515/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/667504 / HA ZA 24/481
Arrest van 31 maart 2026 in het incident (bij vervroeging)
in de zaak van
Repsol Perú B.V.,
gevestigd in Den Haag,
appellante,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Stichting Environment and Fundamental Rights,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M.N. van Dam, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna Repsol NL en de Stichting.

1.De zaak in het kort

1.1
Repsol NL vordert in dit incident voeging van de onderhavige zaak met de zaak met zaaknummer 200.358.601 tussen de Stichting enerzijds en Refinería La Pampilla S.A.A. (hierna: La Pampilla) en Repsol SA (hierna: Repsol) anderzijds. Het hof wijst deze vordering toe.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de ‘dagvaarding hoger beroep tevens incidentele vordering tot voeging’ van 20 januari 2026 (houdende drie grieven), waarmee Repsol NL in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 21 mei 2025;
  • de ‘antwoordakte incident tot voeging’ van 17 februari 2026 van de Stichting.

3.Aanleiding voor dit incident

3.1
De zaak gaat over de gevolgen van een olielekkage voor de kust van Peru. De getroffenen aldaar, verenigd in de Stichting, dagvaarden Repsol NL, La Pampilla en Repsol voor de Haagse rechtbank. In die procedure werpen Repsol NL, La Pampilla en Repsol bij incident de vraag op of de Nederlandse rechter bevoegd is en of de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen. De rechtbank verklaart zich bij vonnis in het incident van 21 mei 2025 bevoegd ten aanzien van Repsol NL en onbevoegd ten aanzien van La Pampilla en Repsol. De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting in haar vorderingen wijst de rechtbank af.
3.2
de Stichting heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, voor zover de rechtbank zich daarin onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de vorderingen tegen La Pampilla en Repsol. Deze procedure is bij het hof bekend onder nummer 200.358.601.
3.3
Bij rolbeslissing van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank besloten de zaak tegen Repsol NL aan te houden totdat op het hoger beroep van de Stichting is beslist.
3.4
Bij vonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank Repsol NL toegestaan tussentijds appel in te stellen tegen het vonnis in het incident van 21 mei 2025. Repsol NL heeft daarop de onderhavige appelprocedure aanhangig gemaakt.

4.De vordering in incident

4.1
Repsol NL vordert in dit incident voeging van de onderhavige appelzaak met de zaak met zaaknummer 200.358.601 tussen de Stichting enerzijds en La Pampilla en Repsol anderzijds. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat beide zaken verknocht zijn, omdat (i) zij aanhangig zijn voor dit hof en zien op hetzelfde incidentele vonnis van 21 mei 2025 in dezelfde zaak en (ii) in beide procedures grotendeels dezelfde vorderingen en rechtsvragen voorliggen.
4.2
De Stichting heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

5.Beoordeling van de vordering in incident

5.1
Beide zaken die bij het hof aanhangig zijn gaan over hetzelfde feitencomplex en zijn gericht tegen hetzelfde vonnis in een procedure waarbij de Stichting, Repsol NL, La Pampilla en Repsol betrokken zijn. In beide zaken speelt de (rechts)vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de vordering van de Stichting kennis te nemen en in beide beroepen is ook de vraag aan de orde of de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen. Om het procesverloop in beide zaken beter op elkaar te kunnen afstemmen en om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen zullen de zaken worden gevoegd.
5.2
De incidentele vordering van Repsol NL zal dus worden toegewezen.

6.Beslissing

Het hof:
in het incident
- beveelt de voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof onder zaaknummer 200.358.601 aanhangige zaak;
- houdt de beslissing over de kosten van het voegingsincident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

  • bepaalt dat de zaak op de rol van 9 juni 2026 wordt geplaatst voor memorie van antwoord;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, J.M. van der Klooster en K. Redeker, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.