ECLI:NL:GHDHA:2026:418

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
22-000067-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel na poging woninginbraak en afpersingen

De verdachte, destijds 17 jaar oud, werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging woninginbraak en meerdere afpersingen met geweld, waarbij een TBS-maatregel werd opgelegd. In hoger beroep bevestigt het hof het vonnis grotendeels, maar vernietigt het de opgelegde straf, motivering, maatregel en beslagbeslissing om deze onderdelen opnieuw te beoordelen.

Uit psychiatrische rapportages blijkt dat de verdachte lijdt aan schizofrenie, een stoornis in cannabis- en alcoholgebruik en een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Deze stoornissen beïnvloedden zijn gedragskeuzes en maakten hem verminderd toerekeningsvatbaar. De gedragsdeskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in een jeugdvoorziening, gezien zijn behoefte aan een pedagogische aanpak en het hoge recidiverisico.

Het hof volgt dit advies en legt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op, naast een jeugddetentie van 9 maanden met aftrek van voorarrest. Het hof acht toepassing van het jeugdstrafrecht passend, gezien de persoon van de verdachte en de adviezen. Het mes dat bij de feiten werd gebruikt wordt onttrokken aan het verkeer, terwijl handschoenen, tas en bivakmuts worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het belang van zijn verdere ontwikkeling. Het hof benadrukt dat de verdachte baat heeft bij een intensieve klinische behandeling en een gestructureerde omgeving om recidive te voorkomen en zijn persoonlijke groei te bevorderen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel met onttrekking van een mes aan het verkeer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000067-25
Parketnummers: 09-061976-24 en 09-186768-23
Datum uitspraak: 21 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 januari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen met parketnummers 09-186768-23 en 09-061976-24, waarvan de tekst hieronder is weergegeven en waarvan de feiten ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 oktober 2024 zijn gevoegd. Het hof heeft deze feiten van een doorlopende nummering voorzien en zal die nummering in dit arrest aanhouden.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. (09-186768-23)
hij op of omstreeks 26 juli 2023 te Katwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer nog onbekend gebleven goed(eren) en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op of omstreeks 26 juli 2023 te Katwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer goed(eren) van zijn/hun gading en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming zich naar de woning van die [slachtoffer 1] hebben/heeft begeven en/of de balkondeur hebben/heeft geforceerd en/of in die woning hebben/heeft gezocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. (09-061976-24)
hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Voorschoten, althans in Nederland, op de openbare weg te weten de [adres 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van zijn horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) -die [slachtoffer 2] op dreigende wijze heeft aangesproken en/of, -tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "geef op dat horloge" en/of, -die [slachtoffer 2] een mes heeft getoond, en/of -tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "geef op dan, geef op", althans woorden van gelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te Voorschoten althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas (merk Yard3) en muts, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n), door: -het stuur van de fiets van die [slachtoffer 3] vast te pakken, en/of -die [slachtoffer 3] dreigend / dwingend te zeggen dat hij mee moest lopen naar de fietsenstalling, en/of -die [slachtoffer 3] dreigend / dwingend te zeggen "je moet luisteren, ik heb iets bij mij', en/of -die [slachtoffer 3] dreigend / dwingend te zeggen "doe je jas uit", "ik wil alleen je jas hebben" en "geef ook je muts", althans woorden van gelijke aard of strekking;
4.
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Voorschoten althans in Nederland op de openbare weg te weten op de [adres 2] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van schoenen (merk Dior type B22), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 4] en/of een derde toebehoorde(n), door: -die [slachtoffer 4] aan te spreken terwijl hij een bivakmuts droeg, en/of -het stuur van de fiets van die [slachtoffer 4] vast te pakken, en/of -die [slachtoffer 4] te zeggen "wat heb je bij je, geef al je geld?", en/of -een mes uit zijn tas te pakken en deze aan die [slachtoffer 4] te tonen, en/of -die [slachtoffer 4] te vragen welke maat schoenen hij had, waardoor die [slachtoffer 4] zijn schoenen uit deed, en/of -de zakken van de jas en broek van die [slachtoffer 4] te doorzoeken, en/of -die [slachtoffer 4] te vragen waar zijn oortjes waren, althans woorden van gelijke aard of strekking;
5.
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Voorschoten alhans in Nederland op de openbare weg te weten aan het [adres 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van zijn horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 5] en/of een derde toebehoorde(n) -die [slachtoffer 5] heeft gevraagd hoe laat het was, waarbij hij naar het horloge van die [slachtoffer 5] bleef kijken, en/of -hierbij iets onverstaanbaars heeft gezegd, en/of -tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd "ik steek je neer, ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: de TBS-maatregel). Voorts is omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen beslist als nader in het vonnis omschreven. Tevens is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde inzake parketnummer 09-186768-23 opgeheven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep, behoudens de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf en TBS-maatregel zal worden bevestigd. Hij heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, en dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ( hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het inbeslaggenomen voorwerp, als genoemd onder 1 op de beslaglijst, te weten een mes zal worden onttrokken aan het verkeer en dat de teruggave aan de rechthebbende zal worden gelast van de inbeslaggenomen handschoenen, tas en bivakmuts.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf , de motivering daarvan en de maatregel en de beslissing omtrent het beslag. Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Motivering van de straf en maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Hierbij is de verdachte samen met één van zijn medeverdachten
via het balkon de woning van het slachtoffer binnengegaan, terwijl een andere
medeverdachte op de uitkijk bleef staan. Zij werden op heterdaad door de politie in de
woning aangehouden, waardoor er uiteindelijk niets uit de woning is weggenomen.
De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het eigendomsrecht van de bewoner. Bovendien zorgt een dergelijke feit voor gevoelens van angst en onveiligheid, juist op een plek waar iemand zich het meest veilig moet kunnen voelen, in de eigen woning. Dit soort feiten dragen ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder de omwonenden.
Verder heeft de verdachte zich in zeer korte tijd schuldig gemaakt aan een tweetal
afpersingen en twee pogingen daartoe. De verdachte heeft niet alleen verbaal
gedreigd met geweld, maar ook aan twee slachtoffers een mes getoond. Twee van zijn slachtoffers waren nog zeer jong. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en geen enkel respect getoond voor andermans persoonlijke eigendommen. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid, niet alleen bij de slachtoffers maar ook bij andere mensen in de samenleving. De verdachte heeft hier niet bij stilgestaan en heeft zich enkel door eigen financieel gewin laten leiden.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een vermogensdelict en een geweldsmisdrijf. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte pro Justitia rapportages, te weten het Klinisch Multidisciplinair onderzoek Pro Justitia opgemaakt en ondertekend door M. Bakkes, GZ-psychloog en M.D. van Ekeren, psychiater van 7 augustus 2024 en de Pro Justitia rapportage opgemaakt en ondertekend door M.H. Keppel (hierna: Keppel), GZ-en kinder- en jeugdpsychloog en Th. Bakkum (hierna: Bakkum), kinder- en jeugdpsychiater van 11 december 2025, alsmede de overige zich in het dossier bevindende rapportages ten aanzien van de verdachte.
Uit de meest recente Pro Justitia rapportage van 11 december 2025 volgt, dat Bakkum en Keppel (hierna gezamenlijk aangeduid als: de deskundigen) – samengevat - hebben geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie en een stoornis in gebruik van cannabis en van alcohol. Daarnaast is er sprake van een verstandelijke handicap in de vorm van een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Genoemde stoornissen en verstandelijke ontwikkelingsstoornis bestonden ook ten tijde van het ten laste gelegde en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloed. Zowel in de periode vóór het ten laste gelegde – de verdachte verbleef destijds gedurende een periode in De Hartelborgt - als in de periode na het ten laste gelegde zijn psychotische symptomen bij de verdachte waargenomen.
Daarnaast heeft de verdachte, gelet op de lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis de gevolgen van zijn handelen onvoldoende kunnen overzien, voor zover dit ook al niet al zo
was vanuit de schizofrenie. Voorts kan het middelengebruik van de verdachte psychotische
klachten hebben versterkt. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde, indien bewezen, ten minste in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De verdachte is beïnvloedbaar, kan zijn eigen grenzen richting anderen moeilijk aangeven en de grenzen van anderen niet altijd herkennen. Hij overziet daarnaast de consequenties van zijn handelen onvoldoende. Doordat er daarnaast sprake is van een stoornis in
cannabisgebruik bestaat het risico dat de verdachte opnieuw cannabis zal gaan
gebruiken en dat dit opnieuw zal leiden tot psychotische ontregeling en delictgedrag.
Op basis van het risicotaxatie-instrument als ook uit de klinische risicotaxatie
wordt het risico op recidive als hoog ingeschat. De beschermende factoren als de band met zijn familie en hun steun zijn positief, maar onvoldoende als beschermende factoren. De verdachte is aangewezen op structuur, begeleiding en professionele hulpverlening. Om het recidiverisico te verlagen en voor een zo gunstig mogelijke perspectief voor de verdachte, achten de gedragsdeskundigen een intensieve klinische/intramurale behandeling gericht op schizofrenie noodzakelijk. De verdachte heeft op dit moment weinig ziektebesef en -inzicht. Hier moet aan worden gewerkt. Ook dient het systeem – ouders en zus – hierbij te worden betrokken. De deskundigen menen dat de verdachte baat zal hebben bij een pedagogische opvoedomgeving, waarin hem duidelijkheid, structuur, ondersteuning en nabijheid wordt geboden. In een minder gestructureerde omgeving is er een grotere kans op ontregeling, omdat de verdachte zelf onvoldoende in staat is om zelf structuur aan te brengen. Hij heeft het nodig dat anderen hem helpen in het stellen van grenzen, want dit lukt hem zelf
onvoldoende. Ook heeft hij anderen nodig om hem te attenderen op de grenzen
van anderen en om hem te helpen voor gedragsalternatieven te kiezen. Er dient gewerkt te worden aan zijn morele ontwikkeling en het ontwikkelen van gezonde coping strategieën.
Gezien wordt dat de verdachte profiteert van een pedagogische aanpak en dit ook, gelet op zijn verstandelijke beperking, nodig heeft. Daarnaast is gebleken dat de verdachte ook in een jeugdsetting kan stabiliseren. Gedurende het behandeltraject kan er stapsgewijs toegewerkt worden naar een beschermde woonvorm, waarbij de voorkeur bestaat voor een 3-milieusvoorziening. De behandeling van de verdachte zal dan ambulant moeten worden voortgezet.
Als het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, achten de deskundigen het noodzakelijk, zowel ter voorkoming van recidive als voor een positieve persoonlijke ontwikkeling, dat de verdachte voornoemde behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal volgen. De verdachte heeft zich eerder niet aan voorwaarden gehouden en heeft zich meerdere malen hieraan onttrokken. Hij heeft daarnaast, zoals vermeld, geen ziektebesef en -inzicht. Mogelijkheden voor behandeling in een voorwaardelijk kader dienen volgens de deskundigen als een gepasseerd station te worden gezien. Naar verwachting zal de behandeling langere tijd in beslag nemen. De toenemende ernst van het delictgedrag van de verdachte, de ernst van zijn problematiek en de hoge kans op recidive rechtvaardigen de inzet van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, aldus de deskundigen.
De deskundigen hebben tevens de bevindingen en de conclusies van rapporteurs Bakkes en Van Ekeren, zoals neergelegd in het Klinisch Multidisciplinair onderzoek Pro Justitia van 7 augustus 2024 bezien. Onder meer werd door Bakkes en Van Ekeren geadviseerd om aan de verdachte, ondanks het feit dat hij ten tijde van het ten laste gelegde minderjarig was, met toepassing van art. 77b van het Wetboek van Strafrecht (mede) een TBS-maatregel op te leggen. De deskundigen hebben hierover het volgende overwogen.
Uit de psychiatrische diagnostiek komt naar voren dat de gedragsproblemen van de verdachte in het verleden konden worden geclassificeerd als een gedragsstoornis maar dat daar nu al enige tijd, weliswaar in een streng gereguleerde omgeving, geen sprake meer van is. Aangaande de persoonlijkheid van de verdachte valt de rapporteurs vooral zijn onrijpheid en kinderlijkheid op. Zelfoverschatting en snelle frustratie met onbegrip terugkerende fenomenen in zijn persoon. De verdachte laat momenteel wel een gestabiliseerd psychiatrisch beeld zien. Volgens de gedragsdeskundigen profiteert de verdachte van een pedagogische aanpak. Zij zijn van mening dat hij deze aanpak, gelet op zijn verstandelijke beperking, ook nodig heeft. Anders dan Bakkes en Van Ekeren menen de deskundigen dat de verdachte beter tot zijn recht komt in een jeugdvoorziening dan in een volwassenen setting.
Daarnaast heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep kennis genomen van het meest recente advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna genoemd: de Raad) van 15 januari 2026. De Raad adviseert, overeenkomstig haar advies in eerste aanleg, om recht te doen conform het jeugdstrafrecht. Zij sluit zich aan bij het advies van de voornoemde deskundigen en adviseert aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op de leggen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mevrouw [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] , raadsonderzoeker bij de Raad, desgevraagd aangegeven te persisteren bij voornoemd advies.
Ook heeft de terechtzitting in hoger beroep namens GGZ reclassering Fivoor aanwezige reclasseringsmedewerker, de heer [medewerker reclassering] , aangegeven zich te kunnen vinden in voormelde adviezen van de gedragsdeskundigen en de Raad.
Conclusies hof
Het hof is van oordeel dat genoemde Pro Justitia rapportage van 11 december 2025 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.
Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over voor wat betreft de bij de verdachte aanwezige stoornissen en de toerekenbaarheid aan de verdachte. Het hof acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten. Gelet op de reeds langdurig bestaande problematiek ten aanzien van de persoon van de verdachte acht de het hof de verdachte ook verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde feit.
Bij de strafoplegging zal daarmee tevens rekening worden gehouden.
Toepassing van het jeugdstrafrecht of het volwassenenstrafrecht?
De verdachte was ten tijde van de tenlastegelegde feiten 17 jaar oud.
Volgens artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, het jeugdstrafrecht buiten toepassing worden gelaten en recht worden gedaan overeenkomstig het volwassenenstrafrecht, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Met de advocaat-generaal en de verdediging, ziet het hof, gezien de adviezen van de deskundigen en de Raad, zoals hiervoor weergegeven, in de persoon van de verdachte, anders dan de rechtbank, geen aanleiding voor toepassing van artikel 77b Sr. De verdachte zal derhalve volgens het jeugdstrafrecht worden berecht.
PIJ-maatregel
Met inachtneming van voormelde overwegingen en conclusies van de Pro Justitia-rapporteurs en de Raad overweegt het hof als volgt.
Op grond van art. 77s Sr kan aan een verdachte, bij wie ten tijde van het begaan van een misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond, een PIJ-maatregel worden opgelegd. Het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, dient een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel die behoort tot een van de feiten zoals genoemd in artikel 77s, eerste lid, onder a, Sr. Aan die voorwaarden is in deze zaak voldaan. Ook dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en in aanmerking genomen wat de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidiverisico, oordeelt het hof dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Ten slotte dient de maatregel in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Dat de maatregel dit belang dient, is door de deskundigen in hun rapportage toegelicht en hiervoor weergegeven.
De verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat het beter met hem gaat dan vóór zijn detentie. Hij is aan het afbouwen met zijn medicatie en hij heeft een hecht contact met zijn familie. Hij heeft aangegeven dat hij graag al dan niet in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel of ambulant in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel begeleid zou willen wonen en bereid is om behandeling te ondergaan. Verder wil hij doelgericht met zijn toekomst aan de slag. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zou dit in de weg staan.
Het hof volgt het standpunt van de deskundigen dat er geen mogelijkheden zijn om de
risico’s met voorwaarden te beperken en dat de verdachte zonder de noodzakelijke
behandeling niet in staat zal zijn om zich aan de voorwaarden te houden. Voor het hof is
hierbij het gebrek aan ziektebesef en -inzicht bij de verdachte, alsook bij zijn systeem, van grote betekenis. De verdachte heeft weliswaar aangegeven behandeling te (zullen) accepteren, maar tegelijkertijd ziet hij de ernst en de implicaties van zijn problematiek niet in.
Ook heeft hij zich eerder niet aan voorwaarden gehouden en heeft zich meerdere malen hieraan onttrokken. Tevens worden de bevindingen van de deskundigen en de ter verlaging van de kans op recidive bepleite interventies niet door het systeem gedragen. Het hof wil uitdrukkelijk opmerken dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte grote stappen voorwaarts heeft gemaakt. Voorts heeft het hof goed kennis genomen van de door de verdachte uitgesproken intentie om zich in positieve zin te blijven ontwikkelen en een bestendige toekomst op te bouwen, het liefst als kapper. Het voorgaande sterkt het hof in de overtuiging dat de verdachte ook bereidwillig is om aan zichzelf te blijven werken, ondanks het gegeven dat de verdachte zich thans verzet tegen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Blijkens de conclusies van de deskundigen is het voor de verdachte in combinatie met zijn pathologie echter (te) moeilijk om deze ontwikkeling ook gedurende langere tijd vol te houden in een voorwaardelijk kader. Dit betreft geen onwil, maar onmacht. Het hof acht het van groot belang dat de verdachte de reeds ingezette positieve lijn in een steviger kader wel kan vast houden, en is derhalve van oordeel dat de verdachte gebaat is bij een onvoorwaardelijke setting. Het hof zal daarom een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan de verdachte opleggen.
Deze onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.
Jeugddetentie
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft (de duur van) een eventueel op te leggen jeugddetentie. Het hof acht - alles afwegende -, met de advocaat-generaal, naast de genoemde maatregel, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de verminderde mate van toerekenbaarheid, een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Beslag
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft het beslag. Gelijk het oordeel van de rechtbank zal het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten een mes, onttrekken aan het verkeer.
Het mes is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp een deel van de bewezenverklaarde feiten is begaan.
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de
teruggave gelasten van de handschoenen, tas en bivakmuts aan de rechthebbenden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 311 en 317
van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK mes.
Gelast de
teruggave aan de rechthebbendevan de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: handschoenen, een tas en een bivakmuts.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Bruining, als voorzitter, en mr. L.A. Pit en
mr. O.E.M. Leinarts, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 januari 2026.