ECLI:NL:GHDHA:2026:410

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
22-002429-25.a
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel na aanrijding voetgangster

Op 3 juni 2024 reed de verdachte over de Hoofdstraat in Sassenheim toen hij een voetgangster op een duidelijk gemarkeerd zebrapad aanreed. Het slachtoffer liep zwaar lichamelijk letsel op, waaronder hoofdwonden, botbreuken en tandletsel, met tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg.

De verdachte zwaaide naar twee fietsers aan zijn linkerzijde en keek in zijn linker zijspiegel, waardoor hij onvoldoende aandacht had voor het overige verkeer en de voetgangersoversteekplaats. Hierdoor kon hij niet tijdig stoppen en veroorzaakte het ongeval. Het hof achtte bewezen dat het rijgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend was.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van aanmerkelijke schuld, maar het hof verwierp dit standpunt. De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Gelet op de ernst van het letsel en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde het hof een taakstraf van 80 uur op, met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde werd bevestigd en de verdachte strafbaar werd verklaard. De straf is lager dan het door de advocaat-generaal gevorderde, mede vanwege de spijtbetuiging en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002429-25
Parketnummer: 09-275459-24
Datum uitspraak: 18 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 juni 2024 te Sassenheim, gemeente Teylingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Hoofdstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- een voetgangersoversteekplaats te naderen, en/of
- vervolgens te zwaaien naar tegemoet komend verkeer, en/of
- het tegemoetkomende verkeer in zijn linker zijspiegel te volgen, en/of
- onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer, en/of
- onvoldoende aandacht te hebben voor voetgangers op de voetgangersoversteekplaats, en/of
- niet tijdig zijn voertuig tot stilstand heeft gebracht voor de voetgangersoversteekplaats,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een wond op het hoofd, en/of scheurwonden in het gelaat, en/of letsel aan het neustussenschot, en/of botbreuken in het neusbeen en de bovenkaak, en/of een forse breuk in het tandbeen tussen de bovenste hoektanden waarbij de rechterhoektand en alle snijtanden uit de mond zijn geslagen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden met en proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks3 juni 2024 te Sassenheim, gemeente Teylingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Hoofdstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
roekeloos, in elk geval zeer, althansaanmerkelijk
,onvoorzichtig en
/ofonoplettend,
- een voetgangersoversteekplaats te naderen, en
/of
- vervolgens te zwaaien naar tegemoet komend verkeer, en
/of
- het tegemoetkomende verkeer in zijn linker zijspiegel te volgen, en
/of
- onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer, en
/of
- onvoldoende aandacht te hebben voor voetgangers op de voetgangersoversteekplaats, en
/of
-
niet tijdigzijn voertuig
niet tijdigtot stilstand
heeft gebrachtte brengenvoor de voetgangersoversteekplaats,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een wond op het hoofd, en
/ofscheurwonden in het gelaat, en
/ofletsel aan het neustussenschot, en
/ofbotbreuken in het neusbeen en de bovenkaak, en
/ofeen forse breuk in het tandbeen tussen de bovenste hoektanden waarbij de rechterhoektand en alle snijtanden uit de mond zijn geslagen,
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht
, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging

De verdachte heeft als bestuurder van een motorvoertuig het slachtoffer aangereden, terwijl zij op dat moment op een voetgangersoversteekplaats (hierna ook: zebrapad) liep. De vraag is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet (hierna: WVW).
De verdediging meent van niet en heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, kort gezegd omdat geen sprake is geweest van aanmerkelijke schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro.
Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte reed op 3 juni 2024 omstreeks 07.47 uur over de Hoofdstraat in Sassenheim, komende uit de richting van Voorhout en rijdend in de richting van Lisse. De Hoofdstraat is een weg gelegen binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. Het is een tweerichtingsweg met twee rijstroken, gescheiden door een al dan niet onderbroken as markering. Aan beide kanten van de rijbaan liggen fietspaden, gescheiden van de rijbaan door een onderbroken markering. Naast het fietspad ligt aan beide kanten van de weg een trottoir. Kort voor de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte, kruist de Hoofdstraat met de Floris Schoutenstraat (aan de rechterkant), die overgaat in de Julianalaan (aan de linkerkant). De Hoofdstraat is een voorrangsweg. De Julianalaan is toegankelijk via een links naast de rijbaan waar de verdachte reed gelegen weggedeelte, bestemd om linksaf de Julianalaan in te slaan. Op enkele meters voorbij de kruising van de Hoofdstraat met de Julianalaan en de Floris Schoutenstraat, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte, is een voetgangers-oversteekplaats ingericht. Die is aangeduid met een zogenaamd zebrapad. Op het midden van de weg, ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats, zijn vluchtheuvels gesitueerd. Op de eerste vluchtheuvel, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte, staat een verkeersbord waarmee de voetgangersoversteekplaats wordt aangeduid. Het bord is voorzien van een felgele omlijsting. Ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats aan de rechterzijde van de Hoofdstraat, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte, staat op de stoep een lantaarnpaal. Aan de onderkant van deze paal is een markering aangebracht van felgele en zwarte strepen. De voetgangersoversteekplaats is dus duidelijk aangegeven. De verdachte heeft ook verklaard dat hij de verkeerssituatie ter plaatse kent; hij rijdt er vaker en weet dat er een voetgangersoversteekplaats is.
De bovenomschreven verkeerssituatie vraagt naar het oordeel van het hof om bijzondere voorzichtigheid en oplettendheid van weggebruikers. De inrichting van de weg is zodanig dat deze de ongestoorde aandacht vraagt van een bestuurder van een motorvoertuig die over de Hoofdweg rijdt, zoals de verdachte deed. Er kunnen zich immers fietsers bevinden op het direct naast de rijbaan gelegen fietspad, er kan verkeer rijdend op de Hoofdstraat genoemde zijstraten inslaan waardoor snelheid moet worden geminderd, vanuit genoemde zijstraten kan er verkeer de Hoofdstraat opdraaien en er kunnen voetgangers gebruik maken van de voetgangersoversteekplaats, zeker omstreeks 08.00 uur in de ochtend als mensen onderweg zijn naar hun school of werk.
De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer, dat vanuit de Floris Schoutenstraat kwam gelopen en vervolgens de Hoofstraat overstak via de voetgangersoversteekplaats, niet heeft gezien. Toen hij op de Hoofdstraat reed, zag hij links van hem twee bekende dames fietsen. Zij fietsten de verdachte tegemoet. De verdachte zwaaide. De dames zwaaiden niet terug. Vervolgens keek de verdachte in zijn linker zijspiegel om te kijken of er alsnog een reactie volgde van de dames. De verdachte was naar eigen zeggen gefocust op links. Toen hij daarna weer voor zich keek, zag hij het slachtoffer op de voetgangersoversteekplaats. Hij kon toen niet meer tijdig remmen en raakte haar.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, door te zwaaien naar de twee hem aan de linkerzijde van de Hoofdstraat tegemoet fietsende dames en vervolgens in zijn linker zijspiegel te kijken of zij een reactie gaven, niet de bijzondere voorzichtigheid en oplettendheid betracht die van hem werd gevraagd in deze verkeerssituatie, te meer nu hij deze situatie kende. De verdachte is door zijn wijze van handelen, in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid, zodanig tekortgeschoten in de aandacht die van hem werd gevergd, dat zijn rijgedrag naar het oordeel van het hof als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is met zijn bestelbus op een zebrapad tegen een daar overstekende voetgangster aangereden, doordat zijn blik en aandacht tijdens het naderen van het zebrapad niet op de weg voor hem was gericht. Het ongeval heeft zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer tot gevolg gehad.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2026 is de verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Bij de straftoemeting heeft het hof de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Strafrechters als vertrekpunt genomen. Voor een feit als het onderhavige geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden.
Met de rechtbank zal het hof een lagere straf opleggen. De verdachte heeft spijt van zijn handelen en heeft zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer. Het valt hem zwaar hoe ernstig de gevolgen van het ongeval voor het slachtoffer zijn. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn gezins- en werksituatie, zoals besproken ter terechtzitting in hoger beroep, weegt het hof ook in strafmatigende zin mee.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof onderschrijft het standpunt van de raadsman dat een zodanige taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging beide disproportioneel zouden zijn, niet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. E.A. Poppe-Gielesen, als voorzitter, en mr. W.J. van Boven en mr. J.A.M. Jansen, leden, in bijzijn van de griffier mr. N. Germeraad-van der Velden.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2026.