Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:407

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
22-003074-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 420bis SrArt. 26 WWMArt. 55 WWMArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen witwassen, wapenbezit en witwassen contant geld

Het Gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2018. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van één tenlastelegging en veroordeeld voor andere feiten. Het hof vernietigde het vonnis voor de bewezenverklaringen van witwassen van een BMW X6, bezit van een vuurwapen en witwassen van een contant geldbedrag van ruim € 348.000.

De feiten betroffen medeplegen van witwassen door het verwerven en verbergen van de herkomst van een BMW X6 en een groot contant geldbedrag, alsmede het bezit van een Glock-pistool met munitie. Het hof oordeelde dat het vermoeden gerechtvaardigd was dat de BMW en het geld uit enig misdrijf afkomstig waren, en dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard hiervan op de hoogte te zijn.

De verdediging voerde onder meer aan dat het geld legaal was verkregen, onder meer via een schriftelijke verklaring van een medeverdachte, en dat het vuurwapen ter bescherming werd gehouden. Het hof verwierp deze verweren wegens gebrek aan concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke onderbouwing.

Gelet op de ernst van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn legde het hof een gevangenisstraf van 15 maanden op, met aftrek van voorarrest. Tevens werd de BMW X6 verbeurd verklaard. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor zover dit gericht was tegen de vrijspraak van één tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor medeplegen witwassen en wapenbezit, met verbeurdverklaring van BMW X6.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003074-18
Parketnummer: 10-750157-15
Datum uitspraak: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en ter zake van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen op het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de zojuist bedoelde vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
1.
(Witwassen bmw)
Zij, in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam en/of Dordrecht, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft zij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een BMW X6, althans enig goed verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten (een) BMW X6, was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze BMW X6 - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
(artikel 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van strafrecht)
2.
Zij in of omstreeks de periode van de periode 08 december 2014 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer [serienummer] , kaliber 9 x 19 SR en/of munitie in de zin van artikel 1, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten
- 2, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 met bodemstempel [stempel 1] en/of
- 14, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 SR, met bodemstempel [stempel 2] voorhanden heeft gehad; (artikel 26 jo Pro 55 Wet wapens en munitie jo artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht).
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
4.
(Witwassen geld)
Zij op of omstreeks 9 juni 2015, te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft zij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een geldbedrag van in totaal 348.125,00 EUR, althans enig(e) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en) was, althans enig(e) geldbedrag(en) voorhanden had, te weten: een (contant) geldbedrag van 348.125,00 EURO (ZD Witwassen geld) terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en), - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewijsoverwegingen

Algemeen kader witwassen

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist, dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Vervolgens zal de rechter moeten beoordelen of de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (BMW X6)

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Tussen [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ) en de verdachte [verdachte] (verder: de verdachte) is een koopovereenkomst gesloten ter zake een blauwe BMW X6 met als verkoopprijs € 107.995. Voorts is overeengekomen dat een BMW X5 (kenteken [kenteken 1] ) voor een bedrag van € 27.000 door de verdachte zou worden ingeruild, zodat als restant betaling een bedrag van € 80.995 diende te worden voldaan. Op 13 maart 2013 is een verkoopfactuur met factuurnummer [factuurnummer] opgemaakt op naam van [verdachte] voor een BMX X6 (kenteken [kenteken 2] ). De verdachte is gehuwd geweest met [persoon 1] en heeft ten tijde van de aankoop van de BMW X6 een relatie met [persoon 2] (verder: [persoon 2] ).
Medeverdachte [medeverdachte 1] maakte gebruik van een kantoorruimte aan de [adres 1] te Barendrecht. Tijdens de doorzoeking van deze kantoorruimte is in de e-mailbox van [medeverdachte 1] een e-mail van 12 april 2013 aangetroffen van medeverdachte [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] was in die periode gevolmachtigd om namens [bedrijf 2] (verder: [bedrijf 2] ), een rechtspersoon gevestigd in Panama, te handelen en was voorts als enige bevoegd voor de bankrekening van [bedrijf 2] bij de [naam bank] (verder: [naam bank] ), van welke rekening [medeverdachte 2] in die periode de
Ultimate Beneficial Ownerwas. [medeverdachte 2] stuurde als bijlage bij deze e-mail een Excel bestand met daarin bankmutaties. Hieruit kan worden opgemaakt dat vanaf de bankrekening van [bedrijf 2] bij [naam bank] op 28 maart 2013 een bedrag van € 81.004,10 is overgeboekt naar [bedrijf 1] onder vermelding van o.a. “ [betalingskenmerk] ”.
Voorts is in de mappenstructuur van user [medeverdachte 1] (naar het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) een map genaamd “ [naam] ” aangetroffen. In deze map is onder meer een document aangetroffen, gedateerd 13 maart 2013, waarin staat dat [medeverdachte 2] namens [bedrijf 2] is overeengekomen dat [bedrijf 3] 14 fenders zal leveren voor een bedrag van € 81.000. Betaling dient te geschieden aan [bedrijf 1] met vermelding van “ [betalingskenmerk] ”. In de periode van 26 maart 2013 tot en met 28 maart 2013 is op voornoemde rekening van [bedrijf 2] in totaal een bedrag van € 90.000 ontvangen van [bedrijf 3] , een Belgische rechtspersoon.
De vertaling van “fender” vanuit het Engels naar het Nederlands betreft: stootkussen, haardrand, spatbord en/of haardscherm, vuurscherm.
Desgevraagd heeft [persoon 3] (verder: [persoon 3] ), een van de twee bestuurders van [bedrijf 3] , verklaard dat op verzoek van [medeverdachte 1] [bedrijf 3] geld heeft overgemaakt naar [bedrijf 2] .
In de administratie van [bedrijf 1] is voornoemde betaling door [bedrijf 2] blijkens een handgeschreven notitie “ [factuurnummer] ” gekoppeld aan de koopovereenkomst met betrekking tot de BMW X6.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] heeft de verdachte op 17 juni 2015 tegen verbalisant [verbalisant 1] gezegd: “die X5 hebben we ingeruild tegen die X6 en daar heeft [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 2] ) een stuk van bijbetaald” en “hij heeft het geld aan een of andere Hindoestaan gegeven en die zorgde er dan weer voor dat het in Panama op een rekening kwam en vervolgens heeft [persoon 2] het geld vanaf daar overgemaakt. Ik geloof dat [persoon 2] 10 procent moest betalen toen”, of woorden van gelijke strekking.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft [persoon 2] op 13 augustus 2014 tegen verbalisanten gezegd: “dat hij later een X6 kocht en dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) toen al zo gek van turquoise was” en “toen heb ik haar op een gegeven moment beloofd dat als er ooit een turquoise X6 komt, ze hem van me zou krijgen. En wat denk je? Zit ik op de site te kijken staat er een turquoise X6 op. Dus ik heb tegen d’r gezegd, kom maar mee, we gaan hem gelijk halen, want ik kom mijn beloftes na" of woorden van gelijke strekking.”
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] heeft de verdachte op 16 oktober 2014 tegen verbalisant gezegd: “Weet je, [naam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) is zo’n type dat al hij gepakt wordt door de politie dat hij gelijk breekt en alles bekend”. Ik ben niet zo snel onder de indruk, als ze mij zouden pakken dan hou ik gewoon mijn mond dicht. Ik ben zelf in deze wereld gestapt, dus ja.”.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft de verdachte op 9 april 2015 tegen verbalisant [verbalisant 2] gezegd dat: “ [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 2] ) geen inkomen op papier heeft” en “dat [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 2] ) een taakstraf van 240 uur (had) voor witwassen en dat hij al een boete had betaald van 15.000 euro”.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] heeft de verdachte op 16 april 2015 tegen de verbalisant in antwoord op de vraag of de ex van [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 2] ) op de hoogte is van de werkzaamheden van [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 2] ) gezegd: “dat ze wel wat weet, maar lang niet zoveel als zij zelf”. Voorts heeft de verdachte gezegd: “dat wij samen twee gangstervrouwtjes zijn” en dat de verdachte zei dat haar overleden man een transportbedrijf had en dat daar ook van alles gebeurde, maar lang niet zoveel als nu bij [persoon 2] : “dat we er goed van leven, maar doordat we weten wat ze doen de angst dat er iets gebeurd ook reëel is”.

Witwasvermoeden gerechtvaardigd?

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat de BMW X6 van de verdachte is aangekocht door de inruil van een BMW X5 in combinatie met een bijdrage van [persoon 2] , haar partner, van € 81.000. Dit bedrag is op de rekening van [bedrijf 1] gestort via [bedrijf 3] en de Liechtensteinse bankrekening van de Panamese vennootschap [bedrijf 2] . Voorafgaand aan deze betaling heeft een derde persoon geld van [persoon 2] gekregen en ervoor gezorgd dat het in Panama kwam. Er is geen zakelijke verklaring waarom deze betaling via verschillende bankrekeningen liep en niet rechtstreeks door [persoon 2] aan [bedrijf 1] is overgemaakt.
Op grond van het voorgaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het bedrag van € 81.000, waarmee de BMW X6 deels is gefinancierd, uit enig misdrijf afkomstig is. Nu dit bedrag een substantieel deel van de aankoopsom van de BMW X6 betreft, is daarmee eveneens het vermoeden gerechtvaardigd dat de BMW X6 (middellijk) uit enig misdrijf afkomstig is.
Heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd?
Het hof overweegt dat de verdachte geen helderheid heeft kunnen of willen geven over de herkomst van het geld en/of de route waarlangs dat geld is betaald. Zij heeft volstaan met de verklaring dat zij hiervan niet op de hoogte was, zij heeft hier geen navraag naar gedaan en zij heeft de BMW X6 meegenomen zonder dat de volledige betaling was gedaan en in de veronderstelling dat [persoon 2] dit zou voldoen. Het vermoeden van een criminele herkomst van het geld wat is gebruikt voor de aanschaf van de BMW X6 is daarmee door de verdachte zelf niet weerlegd.
Door de verdediging is bij pleidooi (randnr. 17) voorts nog verwezen naar de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] van 31 mei 2018 (verder: de schriftelijke verklaring), en enkele stukken welke door de raadsvrouw van [medeverdachte 1] bij pleidooi voor de regiezitting in hoger beroep op 13 december 2022 zijn overgelegd en welke in hoger beroep op verzoek van de verdediging in het dossier zijn gevoegd. Volgens de verdediging volgt uit de schriftelijke verklaring dat ‘een constructie is opgezet waarbij het legale inkomen van [persoon 2] terechtkwam op de Liechtensteinse bankrekening en dat vanuit daar de BMW X6 is bekostigd’.
Het hof begrijpt het beroep op de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] aldus dat de verdediging met de verwijzing naar deze verklaring een verklaring omtrent de herkomst van het geld beoogt te geven.
[medeverdachte 1] stelt in de schriftelijke verklaring dat het geld waar de tenlasteleggingen in zijn zaak betrekking op hebben, waaronder de aanschaf van de BMW X6 zoals ook aan de verdachte tenlastegelegd, van [persoon 2] afkomstig is. Deze stelling is door de verdediging van de verdachte overgenomen en het hof gaat daar eveneens van uit.
Volgens de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] had [persoon 2] veel geld verdiend met zijn bedrijven [bedrijf 4] (verder ook: [bedrijf 4] ) en [bedrijf 5] (verder ook: [bedrijf 5] ). Voorts zou er een geldlening zijn van € 1,5 miljoen aan [bedrijf 6] waarin [persoon 2] schuldeiser was.
In 2010 is [persoon 2] vervolgd voor een BTW-carrousel. [persoon 2] heeft daarvoor een taakstraf opgelegd gekregen.
In 2011, toen [persoon 2] weer contact opnam met [medeverdachte 1] , vertelde [persoon 2] aan [medeverdachte 1] dat hij de lening aan [bedrijf 6] aan het incasseren was, dat hij in het buitenland, te weten Dubai, gelden hiervan had gestald, dat hij achtervolgd werd door de Belastingdienst vanwege een openstaande naheffingsaanslag omzetbelasting van € 11.706.359 en dat hij inmiddels in de zonnepanelen zat en daarmee in met name België en Frankrijk geld verdiende. [persoon 2] kreeg deels in contanten uitbetaald, deels op zijn bankrekeningen in Dubai en deels in aandelen. Volgens [medeverdachte 1] bleek uit de jaarstukken van [bedrijf 4] geen omzetbelastingschuld.
Verder wist [medeverdachte 1] dat [persoon 2] twee onroerende zaken uit de [bedrijf 4] en [bedrijf 5] had onttrokken met een totale waarde van € 250.000.
[persoon 2] had een BKR-registratie.
Voorts had [persoon 2] [medeverdachte 1] meegedeeld dat hij een conflict had met zijn ex-zakenpartner [persoon 4] die geld van hem claimde. Vanwege deze claim en die van de Belastingdienst heeft [persoon 2] [medeverdachte 1] verzocht hem te helpen met het creëren van een inkomensstroom in Nederland zodat [persoon 2] een basis had om alimentatie te betalen ten behoeve van zijn ex-vrouw en hun dochter en om een pensioenvoorziening op te bouwen, dit alles zonder zijn vermogen kwijt te raken aan zijn schuldeisers, waaronder de Belastingdienst.
Het hof overweegt als volgt.
Er is onderzoek gedaan naar het inkomen en het vermogen van [persoon 2] . Over het jaar 2009 heeft [persoon 2] een bedrag van € 79.495 bij de Belastingdienst opgegeven als winst uit onderneming. Uit het onderzoek van gegevens van de Belastingdienst over de jaren 2011 tot en met 2014 blijken de volgende door [persoon 2] aangegeven inkomsten:
Jaar
Winst uit onderneming in €
Loon uit arbeid in €
Totaal in €
2011
51.475
-
51.475
2012
67.4
30.085
97.485
2013
-
122.997
122.997
2014
Onbekend
35.604
35.604
Totaal
118.875
188.686
307.561
Er is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van [persoon 2] . De eindsaldi zijn in totaal per jaar in euro’s:
2009
2010
2011
2012
2013
3.498
-
1.096
4.996
6.046
Er is ook onderzoek gedaan naar de geldstromen op de bankrekeningen van [persoon 2] . Uit de analyse daarvan blijkt dat de bankrekeningen over de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 oktober 2014 zijn gevoed met kasstortingen tot een totaal van € 410.930. Daarnaast zijn er over deze periode inkomsten uit loon uit arbeid/ uitkering genoteerd van € 101.799,88. De uitgaven vanaf de bankrekeningen zijn bijna gelijk aan de inkomsten zodat op die bankrekeningen niet is gespaard.
Uit onderzoek naar [bedrijf 4] en [bedrijf 5] volgt dat wat betreft [bedrijf 4] op de bekende bankrekeningen in 2010 bedragen stonden van € 15 en USD 15. Vanaf 2011 staan de bankrekeningen op 0. Er zijn oninbare omzetbelastingaanslagen en vennootschaps-belastingaanslagen geregistreerd tot een totaal bedrag van € 11.414.585 exclusief rente en kosten.
Blijkens de door [medeverdachte 1] overgelegde schriftelijke bescheiden maakt daarvan deel uit een naheffingsaanslag omzetbelasting voor [bedrijf 4] van € 11.706.359 over de periode april 2004 tot en met november 2005.
Wat betreft [bedrijf 5] blijkt uit het onderzoek dat de bekend geworden bankrekening per 2010 een negatief saldo van -/- € 139 toonde. De ambtshalve opgelegde definitieve aanslagen vennootschapsbelasting bedroegen in de jaren 2010 tot en met 2012 respectievelijk € 35.875, € 2.460 en € 6.954.
Dat [persoon 2] geen bij de fiscus opgegeven inkomen en vermogen had, wordt bevestigd door de hierboven beschreven resultaten van het strafrechtelijk onderzoek.
Hoewel ook geld in het buitenland waarvan niet direct en onmiskenbaar de legale herkomst blijkt, een legale herkomst kan hebben, mag van de verdachte die als reactie op een beschuldiging van witwassen een beroep doet op de legale herkomst van dergelijk geld, verwacht worden dat zij concrete en/of verifieerbare gegevens aanlevert. Dergelijke concrete gegevens ontbreken in de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] .
Voor wat betreft de jaren vóór 2010 verklaart [medeverdachte 1] dat [persoon 2] veel geld op legale wijze zou hebben verdiend met [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Op dat punt acht het hof de verklaring van [medeverdachte 1] hoogst onwaarschijnlijk en niet concreet gelet op de oninbare belastingaanslagen die betrekking hadden op delen van de jaren 2004 en 2005 en het feit dat [persoon 2] is veroordeeld voor een BTW-carrousel.
Wat betreft de door [medeverdachte 1] overige genoemde vermogensbestanddelen die evenmin bij de Belastingdienst bekend waren, zoals de geldlening aan [bedrijf 6] en de eventuele aflossing hiervan, oordeelt het hof dat de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] niet concreet en/of verifieerbaar is, temeer nu daarin staat dat dit geld in het buitenland (Dubai) was gestald.
Het hof concludeert dat de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] mede in het licht van de overige gegevens in het dossier niet voldoet aan het criterium concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Anders dan de verdediging heeft gesteld had het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek behoeven te doen naar de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] .
Het hof verwerpt derhalve het verweer.
Nu de feiten en omstandigheden in deze zaak het vermoeden rechtvaardigen dat het geld waarmee de BMW X6 is gefinancierd, afkomstig is uit enig misdrijf, en de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van dat geld, is het hof van oordeel dat deze BMW X6 (middellijk) uit enig misdrijf afkomstig is.

Weet of redelijkerwijs moet vermoeden?

Het hof zal vervolgens de vraag beantwoorden of ten aanzien van de verdachte een van de bestanddelen ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ uit de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit de hiervoor aangehaalde processen-verbaal van bevindingen van de politieel informanten blijkt dat de verdachte – anders dan door de verdediging betoogd - wel degelijk op de hoogte is geweest van de wijze waarop de financiering van de BMW X6 tot stand is gekomen. Zo heeft de verdachte tegenover (al dan niet een van) hen verklaard – samengevat weergegeven – dat de BMW X6 van haar is, dat zij deze heeft verkregen door de BMW X5 in te ruilen, dat [persoon 2] een deel heeft bijbetaald en dat een derde, onbekend gebleven, persoon ervoor heeft gezorgd dat dit bedrag in Panama kwam. In aanmerking genomen het gegeven dat de verdachte voorts heeft aangegeven dat [persoon 2] geen inkomen op papier had, was veroordeeld wegens witwassen en haar eigen duiding “gangstervrouwtje” in een gesprek over de werkzaamheden van [persoon 2] , en de overige hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de BMW X6 (middellijk) uit enig misdrijf afkomstig was.
Het hof verwerpt het verweer.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om – mocht het hof tot bewezenverklaring van dit feit komen – [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als getuige te horen. De reden om [medeverdachte 1] te horen is gelegen in het feit dat de verdediging eerst kort voor de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak de beschikking heeft gekregen over de schriftelijke verklaring en [medeverdachte 1] aldus niet heeft kunnen bevragen omtrent de inhoud hiervan.
Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af, nu het hof, gelet op de eisen van een eerlijke procesvoering, de noodzaak daartoe - bezien tegen de achtergrond van het criterium van het verdedigingsbelang – bij gebreke van enige (nadere) onderbouwing niet is gebleken. Hierbij betrekt het hof bij de afwijzing van het verzoek om [medeverdachte 1] als getuige te horen mede het gegeven dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep na voeging van de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] desgevraagd door het hof heeft aangegeven op dat moment geen verzoek te zullen doen tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige. Het belang om [medeverdachte 2] te horen is niet onderbouwd.

Slotsom

Resumerend acht het hof op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (ZD Glock)

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 juli 2015 is in een appartement, gelegen op de 4e etage van de [adres 3] te Rotterdam achter de wasmachine een vuurwapen met een patroonhouder met patronen aangetroffen en in beslag genomen.
Uit onderzoek is gebleken dat het een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer [serienummer] , kaliber 9x19 (= gelijk aan 9x19SR) betreft en een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (WWM). In de patroonhouder waren 16 kogelpatronen, waarvan 2 patronen 9x19 met bodemstempel [stempel 1] en 14 patronen 9x19SR (gelijk aan 9x19) met bodemstempel [stempel 2] . Deze 16 patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, Categorie III van de WWM.
Op 8 december 2014 is er heimelijk een gesprek opgenomen tussen de verdachte, [persoon 2] en [medeverdachte 1] in de woning aan de [adres 2] te Rotterdam. Tijdens dit gesprek heeft [persoon 2] onder meer gezegd dat “ze gingen dreigen met een huiszoeking”. Het hof maakt uit het gesprek op dat er vervolgens tussen de verdachte en [persoon 2] wordt gesproken over de locatie waar het naar toe moet: “aan de buitenzijde achter een luik” of de optie waaraan verdachte de voorkeur geeft, te weten “op de vierde ergens binnen”. De verdachte zegt: “doe ik gelijk wel effe”.
De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat zij en [persoon 2] thuis in hun woning aan de [adres 2] te Rotterdam een vuurwapen hadden. Zij wilde(n) het vuurwapen niet (meer) thuis hebben en de verdachte heeft het toen weggebracht naar het pand aan de [adres 3] op de vierde etage. Alleen de verdachte en [persoon 2] hadden een sleutel van dit pand en zij waren de enige die daar gebruik van maakten.
Verdediging
De verdediging heeft zich wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat zij als reden voor het in bezit hebben van dit vuurwapen heeft aangevoerd dat de verdachte en [persoon 2] zich bedreigd voelden en ondanks een verzoek daartoe geen bescherming van de politie kregen.
Het hof
Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte in hoger beroep, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte genoemd vuurwapen en de daarbij behorende munitie gedurende de ten laste gelegde periode in Rotterdam samen met [persoon 2] voorhanden heeft gehad. De door de verdediging hierbij geschetste achtergrond doet aan het feitelijk handelen door de verdachte en de strafbaarheid daarvan niet af.
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde (Witwassen geld)

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de woning van de verdachte en [persoon 2] aan de [adres 2] te Rotterdam is op 9 juni 2015 op meerdere plekken contant geld aangetroffen. In totaal betreft het een bedrag van € 348.125. Het grootste deel van dit geldbedrag, te weten € 305.580 is aangetroffen in een hoek op de grond naast een wasmachine en was verdeeld over 3 zakken: € 560 in een vuilniszak, € 60 in een rode zak en € 304.060 in een plastic tas met daarop het opschrift ‘Marlies Dekkers’. Het bedrag is samengesteld uit verschillende coupures, waaronder € 200(100 stuks) en € 500 (86 stuks).

Witwasvermoeden gerechtvaardigd?

Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden, waaronder de grote hoeveelheid contant geld in diverse, deels ongebruikelijk grote coupures en de wijze waarop dat geld verspreid in de woning lag, van dien aard dat het vermoeden is gerechtvaardigd dat het in de woning aangetroffen geldbedrag van € 348.125 uit enig misdrijf afkomstig is.
Heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd?
De verdediging
De verdachte heeft verklaard dat zij ongeveer een maand na het overlijden van haar toenmalige partner [persoon 1] op 24 mei 2010 bij het opruimen in de woning een houten kistje heeft ontdekt, met daarin geld en een handgeschreven brief van 2 januari 2010 van die [persoon 1] , met daarin de mededeling dat hij “hierbij achterlaat (382.000) (afgelopen) jaren apart gelegd”. De verdachte heeft over de wijze van verkrijging van dit geldbedrag ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [persoon 1] dit bedrag aan haar heeft nagelaten: “hij wilde mij en mijn zoon veilig stellen. Chauffeurs gingen met contant geld naar het buitenland en wat zij overhielden, hield hij achter voor mij en mijn zoon”. Voorts heeft zij verklaard: “ik wist niet dat het geld er was voordat mijn man overleden is”, “ik heb mijn boekhouder (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) niet gezegd dat ik 3,5 ton in huis had”, “ [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 2] ) wist niet van het geld” en “ik heb het geld niet aangegeven bij de Belasting”.
Desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij vermoedt dat [persoon 1] dit geld heeft vergaard door het afromen van contanten uit het transportbedrijf. “Vroeger werd er aan de chauffeurs altijd contant geld meegegeven voor onderweg, voor het tanken en eten. Het restbedrag hiervan heeft hij apart gehouden. Zo zou het gegaan kunnen zijn”, aldus de verdachte.
Ter verdere onderbouwing van het standpunt dat [persoon 1] na zijn overlijden een geldbedrag heeft nagelaten aan de verdachte, heeft de verdediging een Schriftkundig onderzoek gedateerd 21 november 2025 in het geding gebracht, opgesteld door S. Veldthuis en gericht op eerdergenoemde brief van 2 januari 2010 (verder: het Schriftkundig onderzoek).
Voorts heeft de verdediging verwezen naar randnummer 9 van de verklaring van [medeverdachte 1] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 19 januari 2023 in de strafzaak van onder meer [persoon 2] . [medeverdachte 1] heeft daar verklaard dat de verdachte “wel eens heeft verteld dat haar man contant geld voor haar had achtergelaten” en “het was enkele tonnen”. Voorts heeft de verdediging verwezen naar een overweging uit het(niet onherroepelijke) arrest van 24 december 2025 van het hof Den Haag in de ontnemingszaak van [persoon 2] ter zake van de in de gezamenlijke woning aangetroffen geldbedragen.
Het hof
Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het geld kan worden aangemerkt. Haar verklaring en de stukken waarnaar zij heeft verwezen, hebben betrekking op de vraag op welke wijze zij het geld zou hebben verkregen van [persoon 1] , maar over de herkomst van dat geld heeft zij volstaan met de mededeling dat zij vermoedt dat het geld door [persoon 1] is afgeroomd van het handgeld van transporten. Zij heeft nooit met [persoon 1] over (het bestaan van) dit geldbedrag danwel over de herkomst daarvan gesproken; volgens haar verklaring heeft zij eerst een maand na zijn overlijden dit geldbedrag per toeval ontdekt. Wat daar ook van zij, het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft derhalve onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
Het hof concludeert dat bewezen is dat het ten laste gelegde geldbedrag van € 348.125 uit enig misdrijf afkomstig is.

Weet of redelijkerwijs moet vermoeden?

Door het bezit van een dergelijk groot bedrag in contanten, deels in grote coupures, alsmede de omstandigheid dat de verdachte geen aangifte heeft gedaan bij de Belastingdienst op het moment dat zij het geld verkreeg en zij geen concrete wetenschap over de herkomst heeft, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig was.

Slotsom

Resumerend acht het hof op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
Witwassen bmwZij
,in
of omstreeksde periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam en/of Dordrecht, althans
(elders)in Nederland, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althanszich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft zij, verdachte en/of (één of meer van)
zijnhaarmededader(s), een BMW X6
, althans enig goedverworven en
/ofvoorhanden gehad
en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten (een) BMW X6, was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had,terwijl zij, verdachte, wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat deze BMW X6 - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was
/warenuit enig misdrijf;
2.
Zij in
of omstreeksde periode van
de periode08 december 2014 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam,
althans in Nederlandtezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen, (telkens)een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer [serienummer] , kaliber 9 x 19 SR en
/ofmunitie in de zin van artikel 1, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten
- 2
, althans één of meerdere, kogelpatro
(o)n
(en
)9 x 19 met bodemstempel [stempel 1] en
/of
- 14
, althans één of meerdere,kogelpatro
(o)n
(en
)9 x 19 SR, met bodemstempel [stempel 2] voorhanden heeft gehad;
(artikel 26 jo Pro 55 Wet wapens en munitie jo artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht). De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;4.
Witwassen geldZij op
of omstreeks9 juni 2015
,te Rotterdam,
althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althanszich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft zij, verdachte
en/of (één of meer van) zijn haar mededader(s),een geldbedrag van in totaal 348.125,00 EUR,
althans enig(e) geldbedrag(en), verworven en/ofvoorhanden gehad
en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en) was, althans enig(e) geldbedrag(en) voorhanden had, te weten: een (contant) geldbedrag van 348.125,00 EURO (ZD Witwassen geld)terwijl zij, verdachte, wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat voornoemd
(e)geldbedrag
(en), - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was
/warenuit enig misdrijf;
(artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het
witwassen van een contant geldbedrag van ruim € 348.000 en samen met anderen van een BMW X6. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten en in het legale circuit wordt gebracht kan daarop een ontwrichtende werking hebben. Witwassen draagt er aan bij dat misdaad loont; witwassen is daarom een zeer ernstig feit.
Tevens heeft de verdachte samen met een ander een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Vuurwapens worden steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven, hetgeen het gevoel van onveiligheid binnen de samenleving doet toenemen. Daarnaast brengt de ongecontroleerde aanwezigheid van wapens en munitie in de samenleving een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. Daartegen dient derhalve streng te worden opgetreden. Dat de verdachte en haar mededader deze voorwerpen naar eigen zeggen ter bescherming van henzelf voorhanden hadden, doet aan de ernst van het feit niet af.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 11 november 2025.
Redelijke termijn
Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als volgt.
De redelijke termijn is aangevangen op 21 juli 2015. In eerste aanleg heeft de rechtbank vonnis gewezen op 13 juli 2018. De verdachte heeft zeventien dagen in voorarrest doorgebracht, zodat het hof uit gaat van een als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren.
Aldus is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 1 jaar overschreden.
De verdachte is op 26 juli 2018 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 17 maart 2026. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 5,5 jaren.
Het hof zal met de geconstateerde overschrijding rekening houden, waarbij ook de duur van de procedure als geheel wordt betrokken.
Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest gepast en geboden.
Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, ziet het hof, mede gelet op de ernst van de feiten, geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De raadsman heeft bepleit een straf op te leggen die aansluit bij de duur van het reeds ondergane voorarrest. Dat voorstel doet echter onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Met inachtneming van de compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn komt het hof aldus tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 15 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Het inbeslaggenomen voorwerp
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten de personenauto BMW X6 met kenteken [kenteken 2] , verbeurd zal worden verklaard.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp op het standpunt gesteld dat deze, gelet op de bepleite vrijspraak, terug dient te worden gegeven aan de verdachte.
Het hof zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten de personenauto BMW X6 met kenteken
[kenteken 2] verbeurd verklaren. Het voorwerp behoort aan de verdachte toe en het onder 1 bewezen verklaarde feit is met betrekking tot dit voorwerp begaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- personenauto BMW X6 met kenteken [kenteken 2] .
Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. M. Koole, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2026.