ECLI:NL:GHDHA:2026:40

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.342.539/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 170 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over contractspartij en afrekening incassodiensten na overdracht aan BV

Appellant heeft als eenmanszaak incassodiensten verleend aan Huismerk Energie N.V. (HME). Na beëindiging van de samenwerking vordert HME afrekening van de geïncasseerde gelden. Appellant stelt dat zijn BV, Reijck B.V., de contractspartij is geworden en dat hij niet meer tot afrekening gehouden is.

De rechtbank veroordeelde appellant tot betaling en herstel van toegang tot de portal, maar het hof vernietigt dit vonnis en draagt appellant bewijs op van zijn stelling dat hij niet meer contractspartij is. HME betwist dat zij op de hoogte was van de contractovergang naar de BV en dat zij dit stilzwijgend heeft geaccepteerd.

Het hof wijst erop dat appellant de bewijslast draagt voor zijn bevrijdend verweer en bepaalt dat getuigenverhoren zullen plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris. Na het verhoor zal gelegenheid zijn tot het beproeven van een minnelijke regeling. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof draagt appellant bewijs op dat hij niet meer contractspartij is en houdt verdere beslissing aan na getuigenverhoren.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.342.539/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/651917 / HA ZA 23-706
Arrest van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant] voorheen handelende onder de naam [naam],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. L. Kesting, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Huismerk Energie N.V.,
gevestigd in Nijmegen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P. van Zwijndregt, kantoorhoudend in Veghel.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en HME.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft voor HME incassodiensten verleend. Die samenwerking is beëindigd. HME vraagt in deze procedure om afrekening: uitbetaling (na aftrek van het honorarium voor [appellant] ) van de gelden die [appellant] voor haar heeft geïncasseerd. [appellant] stelt dat zijn dienstverlening op enig moment is overgenomen door zijn BV en dat deze BV de contractspartij van HME is geworden, zodat hijzelf niet (meer) tot afrekening is gehouden. Het hof draagt [appellant] bewijs op van zijn stelling dat hij niet meer contractspartij is en dat hij niet hoeft af te rekenen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure tot aan het tussenarrest van 16 juli 2024 blijkt uit dat arrest. Het verdere verloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 oktober 2024
  • de memorie van grieven van [appellant] , met producties;
  • de memorie van antwoord van HME, met producties;
  • de akte van [appellant] ;
  • de antwoordakte van HME.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
HME is een energieleverancier. In 2020 is HME onderdeel geworden van Greenchoice.
3.2
[appellant] exploiteert sinds 2016, als eenmanszaak, een incassobureau. Eerst als franchisenemer van Incassonet onder de naam [appellant] . Rond 1 augustus 2020 is de franchiserelatie met Incassonet geëindigd en heeft [appellant] zijn werkzaamheden voortgezet onder de naam ‘ [eenmanszaak 2] ’.
3.3
[appellant] heeft sinds juni 2019 incassowerkzaamheden verricht voor HME. Hiertoe werd aanvankelijk gebruik gemaakt van een online portal van Incassonet, en later van ‘[eenmanszaak 2]’.
3.4
Op 10 augustus 2020 heeft [appellant] de besloten vennootschap Reijck B.V. opgericht en op 12 augustus 2020 is deze ingeschreven in het Handelsregister. [appellant] heeft zijn eenmanszaak per 1 januari 2021 uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
3.5
[appellant] maakt bij zijn werkzaamheden gebruik van een stichting derdengelden. Per 25 februari 2021 is de statutaire naam van die stichting veranderd van Stichting Beheer Gelden [eenmanszaak 1] naar Stichting Beheer Gelden [eenmanszaak 2].
3.6
De samenwerking tussen HME en [appellant] /‘[eenmanszaak 2]’ is per 31 december 2021 (feitelijk) beëindigd.
3.7
[appellant] heeft in het kader van het tussen partijen gerezen geschil een résumé opgesteld, waarin verschillende posten zijn opgenomen die volgens hem nog tussen Reijck BV en HME moeten worden afgerekend. Volgens dit résumé heeft Reijck BV nog € 2.637,84 van HME te vorderen.

4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep

4.1
HME heeft [appellant] gedagvaard en samengevat gevorderd, na eiswijziging, dat de rechtbank [appellant] veroordeelt tot:
het onmiddellijk weer toegang geven aan HME tot de opdrachtgeversportal van [appellant] c.q. Reijck BV en het geven van een specificatie van de gegevens uit producties 8 en 9 bij de conclusie van antwoord, op straffe van dwangsommen, en
betaling aan HME van € 49.839,91, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
Aan deze vorderingen legde HME samengevat de stelling ten grondslag dat zij volgens de haar bekende gegevens nog € 49.839,91 van [appellant] te vorderen heeft (vordering b), maar dat zij niet kan uitsluiten dat [appellant] nog méér moet afdragen en dat zij, om dat te kunnen bepalen, toegang tot de portal nodig heeft (vordering a).
4.3
[appellant] heeft de vorderingen van HME betwist en, voor het geval dat de rechtbank hem toch als contractspartij van HME mocht aanmerken, een tegenvordering ingesteld die ertoe strekt dat HME hem € 2.637,84 (vlg. hiervoor, 3.7) betaalt.
4.4
De rechtbank heeft [appellant] geboden, op straffe van dwangsommen, om de toegang van HME tot de opdrachtgeversportal van ‘[eenmanszaak 2]’ te herstellen, en hem veroordeeld tot betaling van € 46.808,79, incassokosten (€ 40,-), de proceskosten en rente. Alle overige vorderingen heeft de rechtbank afgewezen.
4.5
[appellant] vordert in het hoger beroep dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de vorderingen van HME alsnog geheel afwijst en die van hemzelf toewijst, met veroordeling van HME in de kosten van beide instanties. HME concludeert tot bekrachtiging van het vonnis.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
[appellant] stelt dat hij zijn incassowerkzaamheden, ook voor HME, vanaf medio 2020 is gaan verrichten vanuit Reijck BV. Reijck BV is daarmee ook de nieuwe contractspartij geworden voor HME, in plaats van [appellant] , aldus [appellant] . [appellant] stelt dat hij zijn toenmalige contactpersoon bij HME, [medewerker HME], duidelijk heeft verteld dat hij ging stoppen met zijn eenmanszaak en met Reijck BV verderging. Ook om andere reden moest dit volgens [appellant] duidelijk zijn voor HME. Hij ging per medio 2020 over naar een nieuwe portal, van Reijck BV, en HME kreeg daarvoor ook toegang. HME bleef ook nieuwe dossiers aanleveren, aan Reijck BV. In nota’s van Reijck BV waren het (nieuwe) btw-nummer en KvK-inschrijfnummer vermeld. In de e-mailhandtekening van [appellant] werd duidelijk verwezen naar Reijck BV, aldus – steeds – [appellant] .
5.2
HME betwist dat het voor haar duidelijk was of moest zijn dat haar contractspartij wijzigde. Zij betwist dat [appellant] dit destijds aan [medewerker HME] heeft medegedeeld. Zij wijst erop dat de correspondentie over de nieuwe portal van ‘[eenmanszaak 2]’ plaatsvond nog vóórdat Reijck B.V. (buiten medeweten van HME) werd opgericht. Verder is in de door [appellant] aangehaalde nota’s alleen maar verwezen naar (de handelsnaam) ‘Reijck’ of ‘[eenmanszaak 2]’, niet met de toevoeging besloten vennootschap of BV. Ook daaruit hoefde HME niet af te leiden, zo meent zij, dat zij opeens met een andere contractspartij (een besloten vennootschap in plaats van de natuurlijke persoon [appellant] ) van doen had. De vermelding van ‘Reijck b.v.’ in de disclaimer aan het slot van sommige e-mails van [appellant] is HME niet opgevallen, zo stelt zij, en zij meent dat zij daaruit in elk geval niet had moeten afleiden dat zij met een nieuwe contractspartij van doen had en/of dat zij dat (stilzwijgend) accepteerde. Datzelfde geldt volgens HME voor de plots vermelde maar niet met zoveel woorden aan haar medegedeelde wijziging in het KvK-registratienummer.
5.3
Gegeven deze gemotiveerde betwisting van HME, met name wat betreft de gestelde (mondelinge) mededeling aan [medewerker HME] dat de diensten voortaan vanuit een besloten vennootschap zouden worden verricht, kan het hof vooralsnog niet vaststellen dat Reijck BV de nieuwe contractspartij voor HME is geworden. Omdat het contract is begonnen op naam van [appellant] , vormt zijn stelling dat hij niet meer de contractspartij is een bevrijdend verweer, waarvan hij de bewijslast draagt. Het hof zal hem dit bewijs opdragen. Dat bewijs zal er mede op moeten zien dat de beëindiging van zijn hoedanigheid als contractspartij tevens meebracht dat hij werd bevrijd van de op het moment van beëindiging nog uitstaande verplichtingen (voor zover die nog deel uitmaken van de huidige vordering van HME).
5.4
Na afloop van het getuigenverhoor (en voor zover van toepassing tegenverhoor) zal er gelegenheid zijn tot het beproeven van een minnelijke regeling.
5.5
Iedere verdere beslissing houdt het hof aan.

6.Beslissing

Het hof:
  • draagt [appellant] het bewijs op van zijn stelling dat hij niet meer de contractspartij van HME is en dat hij met HME ook niets meer heeft af te rekenen;
  • bepaalt dat als [appellant] getuigen wil laten horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 in Den Haag op
  • benoemt mr. J.W. Frieling als raadsheer-commissaris, die de getuigenverhoren zal afnemen;
  • bepaalt dat de raadsheer-commissaris (in beginsel één keer) een nieuwe datum voor de getuigenverhoren zal vaststellen als een van beide partijen dit wegens verhindering
  • wijst [appellant] op de eerste zin van artikel 170 Rv Pro: op de eerste zin van artikel 170 Rv Pro: “
  • bepaalt dat er na afloop van het getuigenverhoor (en voor zover toepassing: tegenverhoor) gelegenheid zal zijn voor het beproeven van een minnelijke regeling;
  • deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, zodat het niet nodig is dit voor een getuigenverhoor nog een keer over te leggen;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. R.G.C. Veneman en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.