Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 8 januari 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2023;
- het arrest van dit hof van 23 april 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 juli 2024;
- de memorie van grieven van [appellante] ;
- de memorie van antwoord van ING, met één bijlage.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep
5.Beoordeling in hoger beroep
[appellante] is de borgtocht aangegaan
- de onderneming onder eindverantwoordelijkheid stond van de afdeling Intensief Beheer van ING;
- er sprake was van langdurige en niet geoorloofde schuldposities in de rekening-courantverhouding;
- her-regeling van de schulden eerder niet mogelijk was vanwege het ontbreken van betrouwbare cijfers, en ING nog steeds geen beschikking had gekregen over definitieve cijfers 2012;
- [naam 2] steeds afspraken over de afgesproken herstructurering had afgezegd; en
- ING een schriftelijke toelichting verlangde op de uitbreidingsplannen voor Kerkrade, en niet toestond dat deze vanuit het krediet zouden worden gefinancierd.
6.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2023;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van ING begroot op € 9.319,-;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- bepaalt dat in geval van succesvol verzet tegen de naheffing griffierecht in deze zaak, ING het deel van het griffierecht dat zij uit dien hoofde gerestitueerd mocht krijgen, binnen veertien dagen na ontvangst moet doorbetalen aan [appellante] ;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.