ECLI:NL:GHDHA:2026:395

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
200.339.040/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis inzake borgstelling voor kredietovereenkomsten met failliete vennootschappen

Appellante was indirect medeaandeelhouder en bestuurder van drie vennootschappen die kredieten hadden afgesloten bij ING. Zij had zich borg gesteld voor een bedrag tot €150.000,-. Na faillissement van deze vennootschappen sprak ING appellante aan voor €100.000,- borgtocht.

Appellante betwistte dat zij de borgtocht was aangegaan, stelde dat zij had gedwaald bij het aangaan ervan en dat ING haar zorgplicht had geschonden. Het hof oordeelde dat de handtekening en het goedschrift op de borgakte toereikend bewijs vormden dat appellante de borgtocht was aangegaan.

Verder concludeerde het hof dat ING haar zorgplicht niet had verzaakt. De kredietverlening was niet uitsluitend een voortzetting van een problematische situatie, maar ook een uitbreiding van krediet binnen normale bedrijfsuitoefening. Appellante was als bestuurder en aandeelhouder voldoende op de hoogte van de financiële situatie.

Het beroep op dwaling faalde omdat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij de borgtocht niet zou zijn aangegaan indien zij beter geïnformeerd was. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellante in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellante tot betaling van €100.000,- borgtocht aan ING.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.339.040/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/593216 / HA ZA 20-296
Arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. P.A. Visser, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
ING Bank N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.J. Posthuma, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en ING.

1.De zaak in het kort

ING is kredietovereenkomsten aangegaan met vennootschappen waarvan [appellante] indirect medeaandeelhouder en -bestuurder was. [appellante] heeft zich tot € 150.000,- voor deze kredieten borg gesteld. ING spreekt haar in deze procedure hierop aan voor een bedrag van € 100.000,-. [appellante] stelt de borgakte niet te hebben getekend of althans te hebben gedwaald bij het aangaan ervan, dan wel een verrekenbare schadeclaim op ING te hebben wegens schending van haar zorgplicht. Al deze verweren falen evenwel. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank, die de vordering van ING had toegewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 8 januari 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2023;
  • het arrest van dit hof van 23 april 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 juli 2024;
  • de memorie van grieven van [appellante] ;
  • de memorie van antwoord van ING, met één bijlage.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
In de voor deze zaak relevante periode was [appellante] voor 50% indirect aandeelhouder en indirect bestuurder van zowel [BV 1] B.V. ( [BV 1] ) als haar dochtermaatschappijen [BV 2] B.V. ( [BV 2] ) en [BV 3] B.V. ( [BV 3] ). Haar indirect medebestuurder [naam 1] hield indirect de overige 50% van de aandelen in [BV 1] . De heer [naam 2] , destijds de echtgenoot van [appellante] , was ook werkzaam in de onderneming.
3.2
[BV 1] , [BV 2] en [BV 3] hebben met ING kredietovereenkomsten gesloten. Eén van die overeenkomsten is gesloten op 30 juli 2013. Met deze overeenkomst werd het krediet in rekening-courant uitgebreid met € 150.000,-. Als voorwaarde werd onder meer opgenomen dat [appellante] zich voor dat bedrag borg zou stellen.
3.3
Een borgakte van 30 juli 2013 vermeldt een borgstelling van [appellante] voor de kredietverplichtingen van [BV 1] , [BV 2] en [BV 3] tot een maximum van € 150.000,-, met rente en kosten. Onder de naam van [appellante] staat een handtekening en een handgeschreven goedschrift (‘goed voor hondervijftigduizend euro met renten en kosten’). De borgakte vermeldt onder meer dat de borg verklaart dat de bank hem heeft gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan het aangaan van een borgtocht.
3.4
[BV 1] , [BV 2] en [BV 3] zijn op respectievelijk 21 april, 14 juli en 21 juli 2015 gefailleerd. ING heeft uit hoofde van de kredietovereenkomsten nog een vordering op deze vennootschappen die voor ten minste € 100.000,- onverhaalbaar is.

4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep

4.1
ING heeft [appellante] gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank haar veroordeelt tot betaling van € 100.000,-, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering legde ING de stelling ten grondslag dat [appellante] dit bedrag verschuldigd is op grond van haar borgtocht.
4.2
[appellante] heeft primair betwist dat zij de borgtocht is aangegaan. Subsidiair heeft [appellante], voor het geval dat de vordering van ING zou worden toegewezen, een tegenvordering ingesteld voor het alsdan toegewezen bedrag. Aan deze voorwaardelijke tegenvordering legde [appellante] de stelling ten grondslag dat ING tegenover haar was tekortgeschoten in haar zorgplicht bij het aangaan van de borgtocht en dat zij daardoor schade had geleden (voor het bedrag tot betaling waarvan zij als borg is veroordeeld).
4.3
De rechtbank heeft de vordering van ING toegewezen en die van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
4.4
In hoger beroep concludeert [appellante] tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en alsnog afwijzing van de vordering van ING, op de ook in eerste aanleg aangevoerde gronden. Aanvullend legt zij aan haar voorwaardelijke tegenvordering de stelling ten grondslag dat zij heeft gedwaald bij het aangaan van de borgtocht. ING concludeert tot bekrachtiging van het vonnis.

5.Beoordeling in hoger beroep

[appellante] is de borgtocht aangegaan

5.1
[appellante] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de borgtocht is aangegaan, maar vergeefs. Voor zover zij in hoger beroep nog betwist dat zij het goedschrift heeft geschreven, is die betwisting onvoldoende gemotiveerd in het licht van de conclusies van de in eerste aanleg door de rechtbank benoemde handschriftkundige dat het zeer veel (tienduizend tot één miljoen maal) waarschijnlijker is dat het goedschrift onder deze borgakte afkomstig is van [appellante] , dan van een willekeurige andere persoon. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in dat goedschrift de instemming van [appellante] met de borgtocht ligt besloten.
ING heeft haar zorgplicht niet verzaakt en [appellante] heeft niet (verschoonbaar) gedwaald
5.2
Volgens [appellante] heeft ING haar (bijzondere) zorgplicht verzaakt toen zij de borgtocht aanging en/of heeft zij toen gedwaald. In dit verband voert zij aan dat ING bij brief van 22 juli 2013 aan [BV 1] c.s. had gemeld dat:
  • de onderneming onder eindverantwoordelijkheid stond van de afdeling Intensief Beheer van ING;
  • er sprake was van langdurige en niet geoorloofde schuldposities in de rekening-courantverhouding;
  • her-regeling van de schulden eerder niet mogelijk was vanwege het ontbreken van betrouwbare cijfers, en ING nog steeds geen beschikking had gekregen over definitieve cijfers 2012;
  • [naam 2] steeds afspraken over de afgesproken herstructurering had afgezegd; en
  • ING een schriftelijke toelichting verlangde op de uitbreidingsplannen voor Kerkrade, en niet toestond dat deze vanuit het krediet zouden worden gefinancierd.
5.3
Tegen deze achtergrond merkt [appellante] de vervolgens op 30 juli 2013 gesloten kredietovereenkomst aan als alleen maar vernieuwing van het reeds bestaande krediet, maar dan met extra zekerheden, waaronder haar borgtocht. De financiering betrof volgens [appellante] geen uitbreiding van het werkkapitaal. Het insolventierisico was volgens [appellante] reëel. Er was volgens haar daarom geen sprake van krediet in een gewone bedrijfsuitoefening. Volgens [appellante] heeft ING bij het aangaan van de borgtocht haar (bijzondere) zorgplicht verzaakt door [appellante] niet te informeren over en te waarschuwen voor de risico’s van de borgtocht, laat staan zich ervan te vergewissen of zij deze heeft begrepen. Hoe dan ook stelt [appellante] te hebben gedwaald.
5.4
Het hof oordeelt hierover als volgt. In de eerste plaats betrof de kredietovereenkomst van 30 juli 2013 niet slechts een continuering van de bestaande kredieten met aanvullende zekerheden, maar werd ook een aanvullend krediet van € 150.000,- in rekening-courant verstrekt. De door [appellante] aangehaalde brief van ING van 22 juli 2013 wijst weliswaar op een tekortschieten van [BV 1] c.s. in haar verplichtingen tegenover ING en een zeker ongenoegen aan de zijde van ING over de hele gang van zaken, maar dat weerhield ING er toch niet van de kredieten te continueren en extra krediet te verstrekken. De enkele omstandigheid dat krediet wordt gecontinueerd en zelfs uitgebreid in een situatie van een zeker ongenoegen van de bank en/of zwaar weer voor de betrokken kredietnemers, is onvoldoende om aan te nemen dat de kredietverlening niet ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening heeft gestrekt. Mede in het licht van niet alleen de uitbreiding van het krediet maar ook de tijdelijke opschorting van de aflossingsverplichtingen die in de kredietovereenkomst van 30 juli 2013 was opgenomen, en overigens de gemotiveerde betwisting van die stelling door ING, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat de onderneming op het moment van borgstelling ten dode was opgeschreven, althans dat ING wist of had moeten voorzien dat de onderneming (na de opschorting) niet weer zou kunnen gaan aflossen dan wel herfinanciering zou kunnen verkrijgen. De faillissementen twee jaar later wijzen er op zichzelf niet op dat deze ten tijde van de uitbreiding van het krediet al moesten worden verwacht.
5.5
Mede tegen deze achtergrond heeft [appellante] ook onvoldoende toegelicht in welke concrete (bijzondere) zorgverplichtingen ING is tekortgeschoten. Met de borgakte heeft [appellante] in elk geval verklaard (haar goedschrift ervoor geschreven) dat de bank heeft gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan het aangaan van een borgtocht. Voor zover [appellante] het oog heeft op de concrete financiële toestand waarin [BV 1] c.s. verkeerde, miskent zij dat zijzelf juist (indirect) medeaandeelhouder en bestuurder van deze vennootschappen was, en heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting van ING onvoldoende toegelicht waarom ING niet mocht veronderstellen dat zijzelf – gegeven die hoedanigheden – daarvan reeds genoegzaam zo niet beter dan ING op de hoogte was. Ook heeft [appellante] onvoldoende toegelicht dat en waarom zij de borgtocht niet zou zijn aangegaan indien ING zich van de door haar bedoelde zorgplicht zou hebben gekweten. Op deze feiten en omstandigheden stuit ook het beroep op dwaling af. Dit alles geldt eveneens als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de continuering en uitbreiding van het krediet, en de borgstelling in dat kader, niet zouden kunnen worden aangemerkt als normale bedrijfsuitoefening in de zin der wet.
Conclusie; proceskosten
5.6
De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. [appellante] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van ING op € 2.175,- voor het griffierecht en € 7.144,- voor het salaris van de advocaat (2 punten x tarief V + nakosten), totaal € 9.319,-. Het door ING betaalde griffierecht bestaat deels uit een naheffing waarvoor de verzettermijn op de datum van dit arrest nog niet is verlopen. Het hof zal bepalen dat in geval van succesvol verzet, ING het alsdan aan haar te restitueren deel van het griffierecht binnen veertien dagen na ontvangst moet doorbetalen aan [appellante] .

6.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2023;
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van ING begroot op € 9.319,-;
  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • bepaalt dat in geval van succesvol verzet tegen de naheffing griffierecht in deze zaak, ING het deel van het griffierecht dat zij uit dien hoofde gerestitueerd mocht krijgen, binnen veertien dagen na ontvangst moet doorbetalen aan [appellante] ;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. C.J. Verduyn en mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.