Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
in het bijzonder Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat)
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 26 september 2023, waarmee Diamant in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023;
- het anticipatie-exploot van 16 oktober 2023 van Rijkswaterstaat;
- de memorie van grieven van Diamant, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Rijkswaterstaat, met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
De rechtsbetrekking tussen Diamant en Joma
4.Procedure bij de rechtbank
5.De vorderingen en beoordeling in hoger beroep
voornemenzou hebben om tegen de verkoop en sloop op te komen.
une infiltration importante d’eau” en “
un problème supplémentaire de pollution d‘asbeste”. Het zijn immers deze omstandigheden die, zo verklaren Joma en Diamant in die nadere overeenkomst, hebben gemaakt dat, in samenhang met de levering van het schip, de lagere koopsom van € 200.000,- tussen beide werd overeengekomen. Waarom de beweerdelijke handelswaarde en uiteindelijk overeengekomen koopsom zo sterk uiteen lopen heeft Diamant niet toegelicht. Dat het verlagen van de koopsom met name diende om de door haar geleden vertragingsschade (gederfde winst) te compenseren en niet de waardevermindering, heeft zij niet (concreet) onderbouwd. In de nadere overeenkomst van 29 juli 2013 verklaren partijen integendeel expliciet dat de opgelopen averij en de aangetroffen asbest hebben geleid tot een “
dépréciation de la valeur du bateau”.
total loss, maar dat en hoe zij de herstelkosten zou hebben kunnen terugverdienen met toekomstige exploitaitie-inkomsten of de uiteindelijke waarde van het schip. Dat heeft Diamant echter nagelaten.
as is, where is” of € 25.000 voor het wrak, afgehaald Sluiskil, onder de voorwaarde dat Rijkswaterstaat in zou staan voor het vaarklaar maken. Rijkswaterstaat heeft geen extra kosten meer willen maken en voor de eerste optie gekozen. Nu deze kosten op Diamant hadden kunnen worden verhaald, kan Diamant hem van deze keuze geen verwijt maken, temeer niet nu zij op geen enkel moment aan Rijkswaterstaat heeft laten weten die kosten voor haar rekening te willen nemen of anderszins te willen interveniëren in de maatregelen die Rijkswaterstaat aan het nemen was om de onrechtmatige situatie (het schip lag afgemeerd op een verboden ligplaats) te beëindigen en de daardoor voor Rijkswaterstaat ontstane schade te beperken. Tot slot heeft Rijkswaterstaat tijdens de zitting in hoger beroep als verklaring voor het verschil in prijs tussen de twee aanbiedingen er op gewezen dat de schrootwaarde sterk fluctueert, omdat deze meebeweegt met de prijzen voor koper en ijzer, wat door Diamant niet is bestreden. Dat de sloopwaarde (schrootwaarde minus sloopkosten) op nihil kon worden gesteld, is dan ook – bij gebreke van een (nadere) onderbouwing van het tegendeel door Diamant - voldoende komen vast te staan. Ook in dat opzicht kan het hof dus geen schending vaststellen van het bepaalde in art. 5: 30 lid 5 Awb.
De gestelde schade (grieven 3 en 4)
6.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023;
- veroordeelt Diamant in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Rijkswaterstaat begroot op € 3.552,-
- bepaalt dat als Diamant niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Diamant de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskosten betreft.