Klaagster deed aangifte tegen beklaagde wegens discriminatie op basis van haar geloof, nadat hij haar weigerde te helpen in zijn viszaak vanwege haar niqab. De officier van justitie seponeerde de zaak wegens onvoldoende bewijs en een vermeende rechtvaardigingsgrond.
Het hof bestudeerde het dossier, waaronder camerabeelden en verklaringen, en concludeerde dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle strafvervolging wegens beroepsmatige discriminatie op grond van godsdienst (art. 429quater Sr). Het hof oordeelde dat vervolging ook opportuun is vanwege het algemeen belang bij duidelijkheid over de strafbaarheid.
De zaak kent een principieel karakter omdat onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de strafbaarstelling van discriminatie met gezichtsbedekkende kleding. Het hof acht het wenselijk dat de strafrechter hierover uitspraak doet, mede omdat beklaagde niet is verschenen om zijn verhaal toe te lichten.
Het hof verklaart het beklag gegrond en gelast de strafvervolging van beklaagde wegens beroepsmatige discriminatie. Tegen deze beschikking staat geen gewoon rechtsmiddel open.