Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:342

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
200.356.828/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming erkenning en omgangsregeling minderjarigen

In deze zaak staat de vervangende toestemming van de vader voor erkenning van twee minderjarigen centraal, evenals de omgangsregeling en het gezamenlijk ouderlijk gezag. De moeder kwam in hoger beroep tegen de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam, waarin de vader vervangende toestemming kreeg en een omgangsregeling werd vastgesteld.

Het hof oordeelt dat de door de moeder aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om de vervangende toestemming te weigeren. De belangen van de minderjarigen en de vader wegen zwaarder, zodat de bestreden beschikking op dit punt wordt bekrachtigd. De omgangsregeling is inmiddels gewijzigd door de kinderrechter, waarbij geleidelijke en begeleide omgang is vastgesteld vanwege de weerstand van de minderjarigen.

Het hof stelt vast dat de gewijzigde omgangsregeling in het belang van de kinderen is en dat de moeder geen belang meer heeft bij haar grief tegen de oorspronkelijke regeling. Het verzoek van de moeder om de omgang af te wijzen wordt daarom afgewezen. Ten slotte verklaart het hof het hoger beroep van de moeder tegen het gezamenlijk gezag niet-ontvankelijk omdat zij te laat is gekomen, waardoor de eindbeslissing over het gezag onherroepelijk is geworden.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming voor erkenning en de gewijzigde omgangsregeling en verklaart het hoger beroep tegen het gezamenlijk gezag niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.356.828/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-7691
zaaknummer rechtbank : C/10/687650
beschikking van de meervoudige kamer van 25 februari 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh te Amsterdam.
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[bijzondere curator 1] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator,
[de oma (mz)] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de oma (mz).
Het hof merkt aan als informant:
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De moeder is op 11 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De vader heeft op 5 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De bijzondere curator heeft op 3 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4.
Bij het hof is voorts op 23 september 2025 van de zijde van de moeder ingekomen een journaalbericht met bijlagen van 22 september 2025.
2.5.
De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling gesproken met de na te noemen minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de advocaat van de moeder;
- de advocaat van de vader;
- de bijzondere curator;
- de oma (mz);
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
2.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jeugdbeschermer de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 december 2025 (hierna: de beschikking van 4 december 2025) overgelegd.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Uit de moeder zijn op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] geboren de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de minderjarigen).
3.3.
De vader is de verwekker van de minderjarigen.
3.4.
De minderjarigen zijn sinds 16 maart 2023 onder toezicht gesteld en zij wonen op basis van een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg bij de oma (mz).
3.5.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn bij beslissing van 14 maart 2025 verlengd tot 16 maart 2026.
3.6.
Bij beschikking van 8 augustus 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam het ouderlijk gezag over de minderjarigen gewijzigd, in die zin dat de vader en de moeder vanaf die datum het gezag over hen gezamenlijk uitoefenen.
3.7.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 4 december 2025 is, naar het hof begrijpt, de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling gewijzigd en als volgt beslist:
“6.1. wijzigt de omgangsregeling en bepaalt deze als volgt:
- er vindt een contactherstelgesprek plaats tussen de vader en de kinderen onder de begeleiding van de jeugdbeschermer naar aanleiding van het incident op het schoolplein;
- gedurende twee maanden (4 omgangsmomenten) vindt er tussen vader en de kinderen één keer in de twee weken begeleide omgang plaats gedurende twee uur, op kantoor van de gecertificeerde instelling of op locatie (dit zal per omgangsmoment worden afgestemd met vader). De omgangsmomenten vangen aan nadat de (alcohol)blaastest van vader negatief is gebleken;
- er vindt een evaluatie plaats van de afgelopen 4 omgangsmomenten. Aan de hand van deze evaluatie zal de gecertificeerde instelling tot aan de volgende zitting een omgangsregeling vaststellen die in het belang van de kinderen wordt geacht;
- vóór de zitting vindt er wederom een evaluatie plaats van de afgelopen omgangsmomenten waarin wordt besproken op welke wijze de omgangsmomenten tussen vader en de kinderen zijn verlopen, kunnen worden voortgezet en al dan niet kunnen worden uitgebreid.
6.2.
benoemt tot bijzondere curator: [bijzondere curator 2] , kantoorhoudende aan de [adres] [vestigingsplaats] ;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
bepaalt dat de uitkomsten van het onderzoek van de bijzondere curator worden besproken en roept de gecertificeerde instelling, de vader met zijn advocaat (…) en de moeder met haar advocaat (…) op te verschijnen tijdens de zitting (…) op 2 maart 2026 te 9:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord.”

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voor zover hier van belang het volgende beslist. De rechtbank heeft aan de vader vervangende toestemming verleend voor erkenning van de minderjarigen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat binnen drie weken na de datum van de bestreden beschikking onder regie en (bege)leiding van de gecertificeerde instelling een contactherstelgesprek zal plaatsvinden tussen de vader en de minderjarigen en dat hierna de volgende omgangsregeling zal gelden:
- in de maand na het contactherstelgesprek vindt er een keer per twee weken omgang plaats op woensdagmiddag gedurende twee uur. Deze omgangscontacten zijn onbegeleid maar de gecertificeerde instelling houdt wel toezicht op mogelijk alcoholgebruik van de man. De man haalt de minderjarigen daarom op bij de gecertificeerde instelling en mag hen meenemen nadat zijn blaastest negatief is gebleken. Bij terugbrengen blaast de man opnieuw, als deze test positief is, gaat het eerstvolgende contactmoment niet door;
- vervolgens vindt gedurende een maand een keer per twee weken onder dezelfde voorwaarden – dus onbegeleid met een overdracht bij de gecertificeerde instelling en blaastesten – omgang plaats op woensdagmiddag gedurende drie uur;
- vervolgens vindt gedurende een maand een keer per twee weken onder dezelfde voorwaarden – dus onbegeleid met een overdracht bij de gecertificeerde instelling en blaastesten – omgang plaats op woensdagmiddag gedurende vier uur;
- vanaf de daarop volgende maand moet de gecertificeerde instelling toewerken naar een omgangsregeling waarbij de minderjarigen naast de woensdagmiddag, tevens een weekend per twee weken inclusief een overnachting bij de man zullen verblijven. Er vindt dan geen blaastest meer plaats, tenzij de gecertificeerde instelling vermoedt dat de man alcohol heeft gebruikt. In dat geval mag de gecertificeerde instelling beslissen dat de man alsnog een blaastest ondergaat. Indien er indicaties zijn, mag de gecertificeerde instelling zowel voor als na afloop van het contact een blaastest verlangen en voor de man negatieve gevolgen verbinden aan een positief testresultaat (alcohol gedronken).
Als dit alles goed gaat, ontstaat een situatie waarin kan worden gedacht over een vakantieregeling. Daar is het nu nog te vroeg voor.
De rechtbank heeft de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De rechtbank heeft tot slot de eindbeslissing met betrekking tot het verzoek van de vader om hem ook met het ouderlijk gezag te belasten aangehouden tot 1 juli 2025
pro forma.
4.2.
De moeder verzoekt in hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen en opnieuw beschikkende, de verzoeken van de vader af te wijzen.
4.3.
De vader voert verweer en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de moeder in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4.
De bijzondere curator voert verweer in het hoger beroep voor zover dat ziet op de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarigen en verzoekt dat beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Vervangende toestemming erkenning minderjarigen
5.1.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, worden vervangen door de toestemming van de rechtbank,
tenzijdit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:
a. de verwekker van het kind is; of
b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Hierbij dient een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke betrekking.
5.2.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de vader vervangende toestemming heeft verleend om de minderjarigen te erkennen. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat tussen haar en de vader in het verleden veel heeft plaatsgevonden en dat zij de relatie met de vader als traumatisch heeft ervaren. Verder stelt zij dat de vader een alcoholprobleem heeft, in het verleden geweld heeft gebruikt tegen haar en zijn zin (altijd) heeft doorgedrukt. Met haar betoog doet de moeder, naar het hof begrijpt, een beroep op de
tenzij-bepaling van artikel 1:204 lid 3 BW Pro. Het hof volgt de moeder daarin niet. Mede gelet op de betwisting van het betoog van de moeder door de vader, is het hof van oordeel dat de door de moeder aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat vervangende toestemming de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarigen schaadt of dat daardoor een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarigen in het gedrang komt. De eerste grief faalt.
5.3.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden om de vader de vervangende toestemming tot erkenning te onthouden. Het hof zal gelet hierop de bestreden beschikking ten aanzien van dit punt bekrachtigen.
Omgang
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de kinderrechter bij beschikking van 4 december 2025 de bestreden beschikking heeft gewijzigd in die zin dat sindsdien een gewijzigde omgangsregeling is bepaald met uitvoerbaar verklaring bij voorraad. De kinderrechter heeft, voor zover hier van belang, bij haar oordeel om tot wijziging van de omgangsregeling over te gaan, overwogen dat het niet in het belang van de minderjarigen is om zonder een geleidelijke opbouw de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling zonder meer op te pakken. Verder heeft de kinderrechter, mede omdat de minderjarigen weerstand tonen tegen omgang met de vader, een bijzondere curator benoemd die onderzoek zal doen naar wat de minderjarigen nodig hebben om weer onbelast contact te kunnen hebben met de vader. Aldus wordt er op dit moment zowel gewerkt aan voorzichtig contactherstel met de vader, waarbij een evaluatiemoment is opgenomen, als in kaart gebracht wat de minderjarigen in dat verband (nog verder) nodig hebben.
5.5.
Het hof stelt voorop dat de beslissing van de kinderrechter van 4 december 2025 niet ter beoordeling voorligt in de onderhavige procedure. Wel staat vast dat na die beslissing niet langer de regeling geldt zoals bepaald in de bestreden beschikking. Nu de omgangsregeling is gewijzigd, is de vraag aan de orde of de moeder nog belang heeft bij haar grief die is gericht tegen de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling.
5.6.
Dit is naar het oordeel van het hof het geval. Wel dient het hof acht te slaan op de thans geldende feitelijke situatie. Immers een beslissing over een omgangsregeling, dient, gelet op vaste jurisprudentie, te zijn gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals deze zijn ten tijde van de uitspraak van de rechter. Dat de beslissing over de gewijzigde omgangsregeling nog niet onherroepelijk is geworden en dat partijen of één van hen hiervan in hoger beroep kunnen komen, leidt niet tot de omstandigheid dat het hof geen acht slaat op de gewijzigde situatie. Op basis van het verhandelde ter zitting staat vast dat na de bestreden beschikking een aantal omgangsmomenten heeft plaatsgevonden tussen de vader en de minderjarigen. Ook staat vast dat de minderjarigen spanning en weerstand laten zien ten aanzien van omgang met de vader. Aangezien inmiddels sprake is van begeleide omgang op het kantoor van de gecertificeerde instelling en tevens een bijzondere curator is benoemd die onderzoek zal doen naar wat de kinderen nodig hebben, ziet het hof geen aanleiding om het verzoek van de moeder om omgang tussen de vader en de kinderen alsnog af te wijzen, te honoreren. De derde grief van de moeder faalt. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling bekrachtigen.
Gezag
5.7.
De moeder is buiten de wettelijke termijn in hoger beroep gekomen van de beschikking waarin is bepaald dat de vader mede met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt belast. Om die reden heeft het hof haar bij beschikking van heden in de procedure onder zaaknummer 200.361.344/01 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het hof verwijst naar die beschikking en komt tot de conclusie dat het belang van de moeder bij de bespreking van haar tweede grief waarin zij opkomt tegen het gezamenlijk gezag is komen te ontvallen. Dat zij in deze procedure tijdig in hoger beroep is gekomen van de tussenbeslissing ter zake het gezamenlijk ouderlijk gezag leidt niet tot een ander oordeel nu de rechtbank bij beschikking van 8 augustus 2025 over het gezag een eindbeslissing heeft genomen en de moeder daarvan te laat in hoger beroep is gekomen. Aldus staat de eindbeslissing over het gezamenlijk ouderlijk gezag vast.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, A. Zonneveld en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier en is op 25 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.