ECLI:NL:GHDHA:2026:340

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
200.361.624/01 en 200.361.624/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling en kinderalimentatie bij co-ouderschap

In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag inzake de zorgregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige van ouders die nooit in gezinsverband hebben samengewoond.

De vader verzocht om een co-ouderschapsregeling met een gelijk aandeel in de zorg en een vakantieregeling, alsmede een lagere kinderalimentatie. De moeder was terughoudend vanwege communicatieproblemen en de jonge leeftijd van het kind, en stelde dat eerst vertrouwen moest worden opgebouwd.

Het hof stelde een aangepaste zorgregeling vast waarbij de minderjarige om de twee weken van vrijdag tot zondag bij de vader verblijft, behoudt de bestaande weekregeling en vervoersafspraken, en wijst een vakantieregeling af in afwachting van ouderschapsbemiddeling. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €25 per maand met ingang van 1 maart 2025, rekening houdend met de minimale draagkracht van de vader en het rapport van de Expertgroep Alimentatie.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het incidentele verzoek van de vader werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hof stelt een aangepaste zorgregeling vast en bepaalt de kinderalimentatie op €25 per maand met ingang van 1 maart 2025, wijst een vakantieregeling af en bevordert ouderschapsbemiddeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
zaaknummers : 200.361.624/01 en 200.361.624/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-3869
zaaknummer rechtbank : C/09/685724
beschikking van de meervoudige kamer van 4 maart 2026
inzake
[de vader] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoeker, tevens in het incident, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. C. van der Zalm te Den Haag,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster, tevens in het incident, in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.V. van der Bom te Den Haag.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vader is op 19 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De moeder heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De raad heeft bij brief van 6 januari 2026 aan het hof meegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
2.4.
Bij het hof is voorts ingekomen op 30 januari 2026 een journaalbericht met bijlagen van de zijde van de vader van diezelfde datum.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door mr. P. van de Kolk als waarneemster van mr. Van der Zalm, voornoemd;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
2.6.
De (waarneemster van de) advocaat van de vader heeft pleitaantekeningen overgelegd.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
3.3.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat:
- de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) bij de vader zal zijn als volgt:
- iedere week: op maandag vanuit de opvang (15:00 uur) tot dinsdag 18:30 uur;
- om het weekend: op zaterdag vanaf 10:00 uur tot zondag 11:00 uur;
de vader haalt en brengt;
- de vader aan de moeder, met ingang van 1 januari 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderalimentatie) zal voldoen van € 133,13 per maand, vanaf de datum van de bestreden beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2.
In hoger beroep verzoekt de vader het volgende.
In
het incidentverzoekt hij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over de kinderalimentatie te schorsen voor de duur van de periode dat het hof in hoger beroep geen beslissing heeft genomen.
In
de hoofdzaakverzoekt hij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
I. een zorgregeling te bepalen, waarbij:
- de minderjarige de ene week bij de vader zal verblijven en de andere week bij de moeder met als wisselmoment de maandagochtend bij de kinderopvang (en later op school);
- de vader de minderjarige zal ophalen en terugbrengen van en naar de kinderopvang (en later op school), althans een beslissing te nemen die het hof juist acht;
II. te bepalen dat de (school)vakanties tussen partijen worden verdeeld op de wijze als voorgesteld door de vader, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht;
III.
primair: het verzoek van de moeder zoals neergelegd in het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van 10 juli 2025 ten aanzien van de kinderalimentatie met ingang van de datum waarvan de rechtbank heeft gezegd dat de vader zou dienen te gaan betalen (1 januari 2025) af te wijzen;
subsidiair:ten aanzien van de kinderalimentatie met ingang van de datum waarvan de rechtbank heeft gezegd dat de vader zou dienen te gaan betalen (1 januari 2025) de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige vast te stellen op een bedrag van maximaal € 25,- per maand met ingang van de datum beschikking in hoger beroep dan wel met ingang van de datum indiening hoger beroepschrift dan wel met ingang van de datum beschikking van de rechtbank, althans een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige met ingang van dusdanige datum en/of op een dusdanig bedrag als het hof juist acht.
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel verzoek van de vader af te wijzen en de grieven van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

In
het incident:
5.1.
Ter zitting heeft de vader zijn incidentele verzoek ingetrokken nadat de moeder desgevraagd heeft laten weten geen incassomaatregelen te zullen treffen zolang in de hoofdzaak niet is beslist over de kinderalimentatie. Hieruit leidt het hof af dat de vader de gronden van zijn incidentele verzoek niet langer handhaaft zodat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek.
In
de hoofdzaak:
Reguliere zorgregeling
5.2.
De vader heeft ter zitting herhaald dat en uitgelegd waarom hij een co-ouderschapsregeling wil. Hij meent in staat te zijn om een gelijk aandeel te hebben in de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De minderjarige geniet van haar verblijf bij hem en de vader wil graag zijn band met haar versterken. Dat is niet mogelijk volgens hem gegeven de beperkte tijd die hij met haar mag doorbrengen op grond van de reguliere zorgregeling, als vastgesteld in de bestreden beschikking. De vader heeft verder sterk het gevoel dat de moeder wil bepalen of en wanneer hij contact mag hebben met de minderjarige. Dat zou niet zo mogen zijn, aldus de vader. Dat de communicatie met de moeder niet optimaal is, is volgens de vader geen contra-indicatie voor co-ouderschap. De vader zegt open te staan voor ouderschapsbemiddeling. Hiertegenover heeft de moeder aangegeven dat zij nog altijd voorzichtig is in haar contacten met de vader gelet op haar ervaringen met hem (uit het verleden). Zij zegt (nog steeds) bang te zijn voor hem en meent dat partijen eerst moeten werken aan hun onderlinge communicatie en vertrouwen alvorens de zorgregeling kan worden uitgebreid. Zij merkt in dit verband op dat het hulpverleningstraject waar partijen aan deelnemen op 4 maart 2026 van start gaat. Verder meent de moeder dat het te vroeg is voor co-ouderschap. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat de minderjarige nog erg jong is en dat zij pas sinds kort één of twee nachten per week bij de vader overnacht. De co-ouderschapsregeling als voorgesteld door de vader is volgens de moeder een te grote stap voor de minderjarige. De moeder gunt de minderjarige haar vader en vindt het belangrijk en positief dat zij goed contact heeft met hem.
5.3.
Partijen hebben ter zitting in het licht van hun aanstaande deelname aan het traject ouderschapsbemiddeling waarin zij onder meer met elkaar gaan spreken over de onderlinge verstandhouding en communicatie, overeenstemming bereikt over uitbreiding van de reguliere zorgregeling. Daarbij hebben zij afgesproken dat de minderjarige om de twee weken van vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de vader zal zijn, tenzij de moeder toestemming geeft voor een langer verblijf op zondag bij de vader, omdat de minderjarige op die dag bijvoorbeeld een activiteit heeft met de vader. In dat geval zal de vader de minderjarige om uiterlijk 18:30 uur terugbrengen bij de moeder. Omdat de regeling van maandag op dinsdag niet in geschil is, gaat het hof ervan uit dat partijen dat onderdeel van de reguliere zorgregeling uit de bestreden beschikking willen behouden. Dit geldt ook ten aanzien van de vervoersregeling waarbij telkens de vader de minderjarige ophaalt en terugbrengt.
5.4.
Het hof begrijpt dat de vader zijn verzoek ten aanzien van de reguliere zorgregeling aldus wijzigt dat hij thans vraagt om de overeenstemming tussen partijen, als weergegeven hiervoor, vast te leggen in de beschikking. Nu de moeder met dit verzoek heeft ingestemd en de bereikte overeenstemming het hof ook in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt, zal het hof overeenkomstig het gewijzigde verzoek van de vader beslissen. De reguliere zorgregeling als vastgesteld in deze beschikking blijft van kracht zolang partijen – al dan niet via ouderschapsbemiddeling – geen andersluidende afspraken hebben gemaakt.
5.5.
In het licht van het voorgaande behoeven grieven 1 en 2 waarin de vader opkomt tegen de zorgregeling als vastgesteld in de bestreden beschikking geen bespreking meer.
Vakantieregeling
5.6.
Partijen dragen zoals hiervoor opgenomen samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan ook een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten, onder meer tijdens (school)vakanties. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem of haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.7.
Anders dan verzocht door de vader zal het hof geen vakantieregeling vaststellen en wel om de volgende redenen. Een gelijke verdeling van (school)vakanties, als verzocht door de vader, zou betekenen dat de minderjarige binnenkort alsnog veel langer bij de vader zal verblijven dan wat zij tot nu is gewend. Over de vraag of en op welke wijze dat kan worden geregeld, gaan partijen binnenkort met elkaar in gesprek tijdens het traject ouderschapsbemiddeling. In dat kader werken zij ook aan hun onderlinge communicatie en (herstel van) onderling vertrouwen. Een positief teken hierbij is dat partijen ter zitting hun bereidheid hebben uitgesproken om elkaar voortaan wat meer op de hoogte te houden van hoe de minderjarige zich ontwikkelt, bijvoorbeeld door foto’s van haar te delen met elkaar. Deze omstandigheid alsmede het feit dat partijen deelnemen aan ouderschapsbemiddeling om daar ook te spreken over een eventuele vakantieregeling komt het hof in het belang van de minderjarige wenselijk voor.
5.8.
Gelet op het voorgaande faalt grief 3 van de vader. Nu het hof geen vakantieregeling vaststelt, loopt de reguliere zorgregeling als vastgesteld in deze procedure door tijdens (school)-vakanties, tenzij partijen in onderling overleg hiervan afwijken. Het hof zal voor de volledigheid de feestdagenregeling in deze beschikking opnemen gelijk aan de wijze waarop deze is vastgesteld in de bestreden beschikking nu de verdeling hiervan partijen niet verdeeld houdt en zij ook onderdeel is van de zorgregeling.
Kinderalimentatie
5.9.
Partijen zijn het erover eens dat in de bestreden beschikking geen financiële gegevens zijn betrokken bij de beslissing over de kinderalimentatie. Omdat het in deze procedure om de eerste vaststelling van de kinderalimentatie gaat is de toets niet of de in de bestreden beschikking vastgestelde kinderalimentatie van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, zoals betoogd door de vader. Wel zal het hof in het kader van de beoordeling van de kinderalimentatie deze (voor het eerst) berekenen op basis van de aanbevelingen als opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
Ingangsdatum
5.10.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting, met dien verstande dat volgens vaste jurisprudentie de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van de bevoegdheid om de ingangsdatum van de bijdrage in het verleden te bepalen. Dit kan namelijk tot gevolg hebben dat voor één van de partijen een (terug)betalingsverplichting ontstaat.
5.11.
Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader tot 1 maart 2025 aan de moeder heeft voldaan het bedrag dat partijen ter zake van kinderalimentatie waren overeengekomen. De vader is vervolgens gestopt met de betaling hiervan omdat hij bang was het te veel betaalde aan de moeder (later) niet te kunnen terugvorderen. Naar het oordeel van het hof had de vader er vanaf het moment dat hij stopte met betalen in redelijkheid rekening mee kunnen houden dat de moeder hierop actie zou ondernemen, wat zij feitelijk ook heeft gedaan door vervolgens in eerste aanleg bij wijze van zelfstandig verzoek om kinderalimentatie te verzoeken (met terugwerkende kracht). Aldus bekrachtigt het hof het deels het met terugwerkende kracht vaststellen van de kinderalimentatie. Het hof acht dit niet onredelijk nu de periode waarover de vader alsnog kinderalimentatie moet betalen een betrekkelijk korte is. Naarmate die periode groter wordt, wordt de noodzaak tot terughoudendheid bij alimentatievaststelling met terugwerkende kracht ook groter.
5.12.
Gelet op het voorgaande faalt grief 5 van de vader deels in die zin dat het hof aanleiding ziet de ingangsdatum te bepalen op 1 maart 2025. Het hof vernietigt dan ook de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van 1 januari 2025 en zal dienovereenkomstig beslissen.
Behoefte van de minderjarige
5.13.
Niet in geschil is dat partijen nooit in gezinsverband met de minderjarige hebben samengewoond. In die gevallen wordt de behoefte van het kind overeenkomstig de aanbevelingen uit het rapport bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder in het jaar dat de ouders hun relatie hebben verbroken. Beoordeeld wordt de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder zou zijn opgegroeid. Daarbij moet dan ook rekening worden gehouden met de aanspraak op het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken (waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting) waar de ouder recht op zou hebben gehad in de situatie dat het kind bij hem of haar zou opgroeien.
5.14.
Bij de berekening van de behoefte gaat het hof uit van de tarieven 2023-1, als onbestreden gesteld door de vader.
5.15.
Aan de zijde van de vader houdt het hof rekening met een DGA-salaris van € 18.000,- bruto in 2023, per jaar, conform de aangifte inkomstenbelasting van de vader over het jaar 2023 die als bijlage 6 bij het beroepsschrift is overgelegd. Daarmee volgt het hof niet het standpunt van de moeder dat aansluiting gezocht moet worden bij het wettelijk minimum DGA-salaris in 2023 en dat op basis daarvan het bruto salaris van de vader dient te worden berekend naar rato van het aantal gewerkte uren per week. Onder verwijzing naar een verklaring van zijn boekhouder die als bijlage 11 bij het beroepsschrift is overgelegd voert de vader namelijk aan dat de belastingdienst akkoord is met zijn inkomen, gezien de verhouding tussen werktijd-omzet en salaris. De moeder heeft deze verklaring van de boekhouder niet gemotiveerd weersproken.
5.16.
Met inachtneming van het voorgaande bepaalt het hof, onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening, het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de vader op € 1.500,- per maand, te vermeerderen met het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 458,- per maand. Het hof neemt hierbij in aanmerkingen de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het hof stelt de behoefte vast op basis van dat NBI en de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt een behoefte van de minderjarige van € 223,- in 2023.
5.17.
Tussen partijen is niet in geschil de behoefte van de minderjarige bij de moeder, zodat het hof hierbij uitgaat van het bedrag van € 444,- in 2023.
5.18.
Het hof stelt de behoefte van de minderjarige vast op het gemiddelde van de twee (berekende) behoeftes, namelijk (€ 223,- + € 444,-)/2 = € 334,- per maand in 2023. Gecorrigeerd door de inflatie (geïndexeerd) is dat voor 2025 € 378,- per maand.
Draagkracht van de vader
5.19.
Tussen partijen is de draagkracht van de vader in geschil. Volgens de moeder dient het hof hierbij om de reden als genoemd onder ‎5.15 over de wijze waarop het DGA-salaris van de vader volgens de moeder dient te worden berekend, rekening te houden met een verdiencapaciteit van € 33.600,-. Het hof gaat hieraan voorbij. De vader heeft gemotiveerd betwist dat hij meer inkomen kan genereren dan de door hem gestelde € 18.000,- bruto per jaar. Hij combineert zijn werk met de zorg voor zijn andere dochter (uit een andere relatie) en hij heeft, als hiervoor opgenomen onder ‎5.15, onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat de belastingdienst akkoord is met de hoogte van zijn salaris. Derhalve rekent het hof aan de zijde van de vader, conform de door hem als bijlage 16 overgelegde jaaropgave, met een DGA-salaris van
€ 18.000,- bruto per jaar in 2025, gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie in dit geval. Bij dat inkomen van de vader hoort een NBI van € 1.446,- per maand. De draagkracht van de vader wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel bij het rapport uit 2025.
5.20.
Nu de vader een NBI heeft dat lager is dan € 1.875,- per maand, moet worden uitgegaan van de minimale draagkracht van € 25,- per maand, tenzij er aanleiding bestaat voor het toepassen van de aanvaardbaarheidstoets. Het hof ziet hiertoe geen aanleiding nu de vader zich niet expliciet heeft beroepen op de onaanvaardbaarheid van de betalingsverplichting uit hoofde van de kinderalimentatie, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Dit betekent, met inachtneming van het voorgaande, dat het hof het bedrag dat de vader ter zake van kinderalimentatie dient te voldoen zal vaststellen op een bedrag van € 25,- per maand, als subsidiair door de vader ook verzocht. In zoverre slaagt grief 4 van de vader waarin hij opkomt tegen de hoogte van het bedrag dat de rechtbank ter zake van kinderalimentatie heeft vastgesteld.
Zorgkorting
5.21.
Gelet op de minimale draagkracht van € 25,- per maand aan de zijde van de vader, kan geen zorgkorting in mindering worden gebracht.
5.22.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in
het incident:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
in
de hoofdzaak:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de zorgregeling bij de vader zal zijn als volgt:
-
iedere week: op maandag vanuit de opvang (15:00 uur) tot dinsdag 18:30 uur;
-
om de twee weken: op vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur, tenzij de moeder toestemming geeft voor een langer verblijf op zondag bij de vader. In dat geval zal de vader de minderjarige om uiterlijk 18:30 uur terugbrengen bij de moeder;
de vader haalt en brengt;
- op
de volgende feestdagen:
 eerste Paasdag
 Koningsdag
 eerste Pinksterdag
 Sinterklaas in de even jaren
 tweede Kerstdag
 Oud en Nieuw in de oneven jaren
 Vaderdag
 verjaardag van de minderjarige in de even jaren
 verjaardag van de vader;
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 maart 2025 als kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van € 25,- per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Wahedi, A. Zonneveld en E.C.C. Punselie, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer - van Zeggeren als griffier, en is op 4 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.