21.33uur in de woning aan de [adres delict] is opgenomen. Op die beelden is de verdachte
samen met [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij [slachtoffer] die avond heeft ontmoet en met hem is meegegaan naar zijn woning. In de woning hebben zij samen gerookt en heeft de verdachte enige tijd op de bank geslapen. Hij ging weg toen het licht was.
De iPhone van [slachtoffer] maakte op donderdag 27 mei 2021 om 09.12 uur voor het laatst
verbinding met het wifinetwerk.
Op donderdag 27 mei 2021 om 09.23 uur is de verdachte te zien op beelden van een
bewakingscamera aan de Vuurdans, een straat grenzend aan de Kringdans. De verdachte
droeg op dat moment een beige jas met capuchon en een blauwe spijkerbroek. Verder droeg
hij een lichtkleurige baseballpet en donkerblauwe sneakers van het merk Tommy Hilfiger
met witte veters en witte zolen. De verdachte droeg een zwarte Nike sporttas over zijn
schouder, had werkhandschoenen aan en had een sleutelbos in zijn linkerhand.
Ter beoordeling van de vraag of het de verdachte is geweest die [slachtoffer] met geweld om het leven heeft gebracht overweegt het hof – grotendeels met de rechtbank - het volgende.
Schoensporen
In de woning van [slachtoffer] zijn verschillende schoensporen aangetroffen. Na uitsluiting van de schoenafdrukken van hulpverleners, politiemedewerkers en getuigen resteren twee relevante soorten schoensporen: een schoenspoor van een zoolprofiel met gebogen lijnen en een schoenspoor van een zoolprofiel met golvende lijnen. Voor beide profielen geldt dat de meeste schoenafdrukken
metof
inbloed zijn gezet. Een schoenafdrukspoor gezet
metbloed houdt in dat het schoenafdrukspoor is ontstaan doordat met een bebloede zool van een schoen een stempeling met bloed op een ondergrond is gemaakt. Een schoenafdrukspoor
inbloed houdt in dat met de zool van een schoen een beweging is gemaakt in of door een bestaand bloedspoor dat nog nat is. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek vermeldt dat meerdere bloedspatten nog vochtig waren op het moment dat het patroon werd veroorzaakt. Het hof leidt hieruit af dat de persoon/personen die deze schoenafdruksporen heeft/hebben veroorzaakt, tijdens of kort na de geweldplegingen in de woning moet(en) zijn geweest.
Omdat de verdachte op basis van DNA-onderzoek pas ruim een jaar later is aangehouden, waren de schoenen die hij droeg bij zijn bezoek aan de woning van het slachtoffer niet beschikbaar voor een vergelijkend onderzoek. Op de hiervoor benoemde beeldopnames van de overbuurvrouw respectievelijk de bewakingscamera, is te zien dat de verdachte bij aankomst op 26 mei 2021 en bij vertrek uit de woning op 27 mei 2021 andere schoenen droeg.
Op de afbeeldingen afkomstig van de bewakingscamera is te zien dat de verdachte bij zijn vertrek blauwe schoenen droeg. De verdachte heeft deze blauwe schoenen herkend als schoenen van het merk Tommy Hilfiger. Een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft op basis van de beelden van de blauwe schoenen geconcludeerd dat de uiterlijke kenmerken hiervan inderdaad passen bij schoenen van het merk Tommy Hilfiger, te weten het type Essential Cupsole Sneaker. De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de in de woning aangetroffen schoensporen met het golfjespatroon afkomstig zijn van de blauwe schoenen op de ontvangen beelden, dan van willekeurig andere schoenen uit het straatbeeld in Nederland.
Op een videobestand op de telefoon van de verdachte, waarschijnlijk gemaakt in april 2021, draagt de verdachte witte sportschoenen die lijken op schoenen van het merk Adidas, type Yeezy Boost 350. Onder de aanname dat de witte schoenen op de afbeelding afkomstig van de eerdergenoemde overbuurvrouw de zogeheten V2 versie betreffen van de Adidas Yeezy Boost 350, zijn de bevindingen van het onderzoek veel waarschijnlijker wanneer de in de woning aangetroffen schoensporen met het gebogen zoolprofiel afkomstig zijn van de witte schoenen op de ontvangen beelden, dan wanneer deze afkomstig zijn van willekeurig andere schoenen uit het straatbeeld in Nederland. De deskundige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat bij het onderzoek ook imitatiemodellen zijn meegenomen.
Het hof stelt vast dat deze verschillende schoenen die de verdachte bij zijn aankomst en bij zijn vertrek uit de woning van het slachtoffer vermoedelijk heeft gedragen, passen bij de schoenafdruksporen die in de woning zijn aangetroffen. Deze schoenafdrukken moeten, zoals hiervoor is overwogen, tijdens of kort na de geweldplegingen zijn gezet.
DNA-sporen
Naast schoenafdruksporen zijn er in de woning op meerdere plaatsen DNA-sporen aangetroffen. In de bemonsteringen van
- vier van de tien vingernagels van het slachtoffer;
- de rits, de ritsrunner en de knoop van de spijkerbroek die het slachtoffer droeg;
- een bebloede plank die nabij het slachtoffer werd aangetroffen;
- een kussensloop die over het hoofd van het slachtoffer lag en
- een bordenstandaard op de salontafel in de woonkamer
zijn mengprofielen aangetroffen.
Na verder DNA-onderzoek aan de plank is uiteindelijk een enkel DNA-profiel afgeleid op basis waarvan de verdachte kon worden geïdentificeerd en in Zwitserland werd aangehouden. Het DNA van de verdachte is vervolgens vergeleken met de hierboven genoemde aangetroffen mengprofielen. Gebleken is dat het DNA-mengprofiel uit deze bemonsteringen een miljard keer waarschijnlijker is wanneer de verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is.
De verdediging heeft aangevoerd dat de resultaten van het DNA-onderzoek zijn te verklaren door contaminatie, dan wel door secundaire overdracht van het DNA van de verdachte en daarmee niet kunnen worden aangemerkt als dadersporen. Doordat de verdachte samen met het slachtoffer op de avond van 26 mei 2021 meerdere joints heeft gerookt, bestaat de mogelijkheid dat speeksel van de verdachte onder de vingernagels van het slachtoffer terecht is gekomen.
Met de rechtbank overweegt het hof hierover het volgende. Na de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in eerste aanleg op 11 september 2023 heeft de rechtbank opdracht gegeven tot aanvullend onderzoek, onder andere naar de aard en de hoeveelheid van het aangetroffen DNA-materiaal onder de vingernagels van het slachtoffer. Uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat alle bemonsteringen bloed bevatten. Wanneer sprake is van een mengprofiel kan geen uitspraak worden gedaan over de aard van het celmateriaal dat een mogelijke donor kan hebben bijgedragen aan de bemonstering. De mogelijke aanwezigheid van andere typen celmateriaal in deze bemonsteringen kon niet worden onderzocht. Het uitgevoerde DNA-onderzoek betreft een onderzoek op bronniveau. In reactie op de door de rechtbank gestelde vragen hebben de NFI-deskundigen toegelicht dat een onderzoek op activiteitenniveau en berekening daarbij van de kans op contaminatie of secundaire overdracht van DNA-sporen slechts mogelijk is op basis van een vergelijking van een of meer feitelijke scenario’s met meerdere, elkaar uitsluitende hypotheses. Een dergelijk toetsingskader ontbreekt in deze zaak. Ook in hoger beroep heeft de verdediging geen concreet op deze zaak betrekking hebbend alternatief scenario naar voren gebracht dat op alle aangetroffen DNA-sporen ziet. Uit de verklaringen van de DNA-deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg leidt het hof voorts af dat uit de aangetroffen hoeveelheid DNA in een mengprofiel op bronniveau geen conclusies kunnen worden getrokken. Ook hiervoor geldt dat een nader onderzoek op activiteitenniveau noodzakelijk zou zijn.
Het hof realiseert zich – net als de rechtbank – in het licht van het voorgaande dat zonder concreet (delict-)scenario, de resultaten van het DNA-onderzoek met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd en niet zelfstandig tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Dat betekent niet dat het feit dat op meerdere en verschillende plaatsen DNA van de verdachte is aangetroffen, bij de beoordeling van het bewijs geen rol zou mogen spelen. Het hof stelt in dit verband vast dat in het bijzonder de DNA-sporen onder de vingernagels, op de houten plank en op de kussensloop die over het hoofd van het slachtoffer is gelegd, aanwijzingen kunnen vormen voor mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gewelddadige dood van het slachtoffer.
Post-mortem interval (PMI)
Het slachtoffer is op vrijdag 28 mei 2021 omstreeks 17.30 uur dood aangetroffen in zijn woning. Om een indicatie te krijgen van het tijdstip van overlijden werden temperatuurmetingen gedaan en werden de lijkstijfheid en wegdrukbaarheid van lijkvlekken beoordeeld. Op basis van het onderzoek van de schouwarts en van de forensisch patholoog werd een post-mortem interval (hierna: PMI) berekend van 44 tot 66 uur. Deze overlijdensduur is via het nomogram van Henssge met een 95% betrouwbaarheidsinterval geschat. Omdat het lichaam op het moment van aantreffen sterk was afgekoeld (de lichaamstemperatuur was nagenoeg hetzelfde als de omgevingstemperatuur) betreft het een ruwe schatting. De patholoog heeft naar aanleiding van de toelichting hierbij in zijn rapport, ter zitting in eerste aanleg verklaard dat op de interval van 44 tot 66 uur nog een correctie van twintig procent moet worden toegepast. Daarmee kan het tijdstip van overlijden van het slachtoffer afgerond worden geschat op minimaal 35 tot maximaal 79 uur, te rekenen vanaf het moment waarop de schouw werd uitgevoerd, dat wil zeggen vanaf 29 mei 2021 om 01.00 uur ’s nachts. Hij heeft verder verklaard dat dit interval niet nader kan worden gepreciseerd op basis van de bevindingen omtrent de lijkstijfheid en de wegdrukbaarheid van de lijkvlekken. Op basis van het forensisch onderzoek concludeert het hof dat het slachtoffer is overleden tussen dinsdag 25 mei 2021, 18.00 uur en donderdag 27 mei 2021, 14.00 uur.
Het hof stelt op basis van de videobeelden op de telefoon van de verdachte vast dat [slachtoffer] op woensdag 26 mei 2021 om 21.33 uur nog in leven was. Dat betekent dat het interval moet worden teruggebracht tot ongeveer 16,5 uur. De verdachte was gedurende een groot deel van dit interval, namelijk bijna twaalf uren, in de woning van het slachtoffer aanwezig.
Getuigenverklaringen
De verdediging heeft gewezen op getuigen die hebben verklaard dat zij [slachtoffer] na het vertrek van de verdachte uit zijn woning nog in leven hebben gezien. Tevens is gewezen op de verklaring van een buurman van het slachtoffer dat hij op vrijdagochtend 28 mei 2021 uit de woning van het slachtoffer geluiden heeft gehoord.
De getuigen zijn bij de rechter-commissaris aanvullend gehoord. Enkele getuigen hebben bij de rechter-commissaris hun eerdere verklaring met betrekking tot het tijdstip van hun waarnemingen genuanceerd, in de zin dat zij zelf aangeven zich op dit punt (mogelijk) te hebben vergist. Het hof stelt op basis van de bevindingen omtrent het tijdstip van overlijden vast dat de waarnemingen van de door de verdediging aangehaalde getuigen niet kunnen kloppen, aangezien het slachtoffer op dat moment al was overleden. Mogelijk heeft hun herinnering betrekking op een ander tijdstip, dan wel op een onjuiste herkenning van een ander persoon. Ook de geluiden uit de woning van het slachtoffer die door de buurman op vrijdagochtend zijn waargenomen, kunnen om dezelfde reden niet zijn veroorzaakt door [slachtoffer].
De verklaring van de getuige [getuige 2] inhoudende dat zij [slachtoffer] op donderdag 27 mei 2021 omstreeks 12.45 uur voor het laatst heeft gezien, valt als enige nog net binnen het berekende interval over het tijdstip van overlijden. In het aanvullend verhoor door de rechter-commissaris heeft deze getuige volhard in haar verklaring, ter onderbouwing waarvan zij een bankafschrijving heeft overgelegd van een betaling die zij later die dag heeft gedaan. Zij heeft verklaard dat het overlijden van [slachtoffer] veel indruk op haar heeft gemaakt en dat zij daardoor zeker weet dat zij hem die dag heeft gezien.
Het hof overweegt dat meerdere getuigen die goed bevriend waren met het slachtoffer en dagelijks contact met hem hadden, hem niet meer hebben gezien of gehoord na woensdagavond 26 mei 2021, rond 19.30 uur. Opvallend is daarbij dat het slachtoffer ook niet heeft gereageerd op de Whatsapp-berichten van getuige [getuige 1] waarin zij hem vraagt voorzichtig te zijn en haar zorgen uit. [getuige 1] heeft het slachtoffer die avond en de daarop volgende dag meermalen gebeld, maar een reactie bleef uit. Ook is het slachtoffer op donderdag 27 mei 2021 niet op de verjaardag van een vriendin langs gekomen, wat hij jaarlijks deed en waar hij op woensdag 26 mei 2021 nog expliciet aan was herinnerd tijdens een etentje bij getuige [getuige 1]. Daarnaast volgt uit het onderzoek dat de telefoon van het slachtoffer na 09.12 uur op donderdag 27 mei 2021 geen gebruik meer heeft gemaakt van het wifinetwerk, hetgeen wel in de lijn der verwachting had gelegen als getuige [getuige 2] het slachtoffer daadwerkelijk die dag om 12.45 uur voor zijn woning zou hebben gezien. Dit alles roept vragen op ten aanzien van de verklaring van de getuige [getuige 2]. Technisch gezien is haar verklaring niet onverenigbaar met de bevindingen bij het pathologisch onderzoek. Nu deze verklaring echter op zichzelf staat, acht het hof (ook) deze getuigenverklaring onvoldoende aannemelijk. Daarbij merkt het hof nog op dat [getuige 2] pas tijdens het tweede politieverhoor op 15 juni 2021 haar waarneming van het slachtoffer heeft gekoppeld aan de betaling die zij op 27 mei 2021 heeft gedaan.
Interpretatie van het (sporen)onderzoek
Het hof acht met de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen daarbij, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] in zijn woning met geweld om het leven heeft gebracht. Het hof benadrukt dat de hiervoor besproken bewijsmiddelen in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd en dat de bewijswaarde daarvan ook op die wijze moet worden beoordeeld. Concreet betekent dit dat niet ieder bewijsmiddel rechtstreeks de verdachte aanwijst als degene die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, maar dat de combinatie van bewijsmiddelen naar het oordeel van het hof leidt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
De verdachte is vanaf woensdagavond 26 mei 2021 tot de volgende ochtend (iets voor 09.23 uur) van 27 mei 2021 samen met [slachtoffer] in diens woning geweest. Zijn aanwezigheid valt binnen het geschatte interval van overlijden van het slachtoffer. Er zijn twee verschillende soorten relevante schoensporen aangetroffen, waaronder sporen die in en met bloed zijn gezet. Deze schoensporen passen bij de schoenen die de verdachte op woensdagavond en bij de (andere) schoenen die hij op donderdagochtend op de beelden droeg. Deze combinatie van schoensporen, met de resultaten van de aangetroffen DNA-sporen onder de vingernagels van het slachtoffer, de plank die nabij zijn hoofd lag en de kussensloop die op zijn gezicht lag, de bevindingen bij het pathologisch onderzoek en de besproken getuigenverklaringen met betrekking tot het tijdstip van overlijden, acht het hof redengevend om het daderschap van de verdachte vast te stellen. Ten aanzien van zijn overtuiging benoemt het hof hierbij verder nog dat de verdachte kort na zijn vertrek uit de woning op beelden in geheel andere kleding te zien is met sleutels in zijn gehandschoende hand en dat de telefoon van het slachtoffer rond ditzelfde tijdstip voor het laatst verbinding heeft gemaakt met het wifinetwerk. De telefoon, iPad en huissleutels zijn, zoals vermeld, niet in de woning aangetroffen.
Uit het dossier en hetgeen overigens ter terechtzitting naar voren is gebracht, zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen voor betrokkenheid van een andere dader/daders. Zo zijn in de woning geen braaksporen aangetroffen en zijn er ook geen DNA-sporen van (een) ander(en) dan de verdachte aangetroffen op het slachtoffer of op de voorwerpen waarop wél belastend DNA-materiaal van de verdachte is gevonden. Verder is niet gebleken dat binnen het PMI naast de verdachte en [slachtoffer] andere personen in de woning zijn geweest. Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, binnen de conclusies uit het forensisch onderzoek alternatieve delictscenario’s denkbaar zijn waarbij andere daders kunnen zijn betrokken, staat er daarom niet aan in de weg dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het dodelijke letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht.
Conclusie
Het hof verwerpt de verweren. De ten laste gelegde doodslag kan wettig en overtuigend worden bewezen.