Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:255

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.354.781/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:663 BWArt. 7:666 BWRichtlijn 2001/23/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over overgang van onderneming en arbeidsovereenkomst bij klantenportefeuilleoverdracht

De werknemer was in dienst bij Vers Select B.V. en werd arbeidsongeschikt in mei 2023. Vers Select droeg per 1 oktober 2023 haar klantenportefeuille over aan [verzoekster], die een groothandel in groenten en fruit exploiteert. De werknemer stelde dat er sprake was van een overgang van onderneming, waardoor hij in dienst zou zijn gekomen van [verzoekster]. De kantonrechter oordeelde echter dat die overgang wel had plaatsgevonden en kende de werknemer een billijke vergoeding, transitievergoeding en loon toe.

In hoger beroep vernietigt het hof deze beschikking. Het hof stelt vast dat alleen de klantenportefeuille is overgedragen, zonder materiële activa zoals machines en bedrijfswagens, en dat slechts een beperkt aantal werknemers is overgenomen. De aard en werkwijze van de ondernemingen verschillen aanzienlijk, en de economische eenheid heeft haar identiteit niet behouden.

Het hof volgt de vaste rechtspraak van het HvJ EU en de Nederlandse wetgeving omtrent overgang van onderneming en concludeert dat de voorwaarden voor een overgang niet zijn vervuld. De werknemer is daardoor niet in dienst gekomen van [verzoekster] en heeft geen aanspraak op loon, vergoedingen of re-integratie. De vorderingen worden afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld tot terugbetaling van reeds ontvangen bedragen en de proceskosten.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werknemer af wegens het ontbreken van een overgang van onderneming.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.354.781/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11446752 VZ VERZ 24-10288
Beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J.W. Hoek, kantoorhoudend in Bodegraven,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.H.J. Roeters van Lennep, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en [verweerder] .

1.De zaak in het kort

1.1
[verweerder] had een arbeidsovereenkomst met Vers Select B.V. De vraag is of er sprake is van een overgang van onderneming per 1 oktober 2023 zodat hij per die datum in dienst is gekomen van [verzoekster] .
1.2
Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en vernietigt de beschikking van de kantonrechter.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het beroepschrift, met bijlagen, ter griffie ingekomen op 19 mei 2025, waarmee [verzoekster] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2025;
  • het verweerschrift, tevens verzoekschrift in incidenteel hoger beroep, met bijlagen, van [verweerder] , ter griffie ingekomen op 8 oktober 2025;
  • het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 20 oktober 2025.
2.2
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2025. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.1
Vers Select B.V. (hierna: Vers Select) exploiteerde een groothandel in voeding en genotsmiddelen, waaronder aardappelen, groente, fruit, zuivel, kaas, brood en pasta’s.
3.2
[verweerder] is op 3 mei 2017 in dienst getreden bij Vers Select. Zijn functie bij Vers Select was orderpicker.
3.3
Op 11 mei 2023 is [verweerder] arbeidsongeschikt geraakt.
3.4
[verzoekster] drijft een groothandel in groenten en fruit en houdt zich ook bezig met de verwerking van groenten en fruit.
3.5
Per 1 oktober 2023 heeft Vers Select de klantenportefeuille overgedragen aan [verzoekster] . Een aantal werknemers van Vers Select zijn in dienst gekomen van [verzoekster] . De machines en andere bedrijfsmiddelen van de groothandel van Vers Select zijn niet door [verzoekster] overgenomen.
3.6
Vers Select is op 31 oktober 2023 failliet verklaard. De curator van Vers Select heeft bij brief van 3 november 2023 de arbeidsovereenkomst met [verweerder] opgezegd.
3.7
Bij kortgedingvonnis van 21 juni 2024 is de vordering van [verweerder] om [verzoekster] te veroordelen zijn loon te betalen en het re-integratietraject op te pakken, afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[verweerder] heeft - zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang - de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden en [verweerder] ten laste van [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen. Ook heeft hij verzocht om [verzoekster] te veroordelen tot het betalen van een transitievergoeding, (achterstallig) loon, de wettelijke verhoging over het niet-betaalde loon, wettelijke rente, en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, en tot het verstrekken van een eindafrekening en loonstroken.
4.2
[verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij na een overgang van onderneming vanaf 1 oktober 2023 in dienst is van [verzoekster] . [verzoekster] heeft hem geen loon betaald en heeft zich niet ingezet voor zijn re-integratie. Omdat [verzoekster] op die manier ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten, heeft [verweerder] aanspraak op toekenning van een billijke vergoeding en een transitievergoeding. Bovendien dient [verzoekster] hem het loon te betalen over de periode tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, een eindafrekening op te stellen en uit te betalen en loonstroken te verstrekken, aldus [verweerder] .
4.3
[verzoekster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek.
4.4
De kantonrechter heeft - zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang - de arbeidsovereenkomst per 1 april 2025 ontbonden, en [verzoekster] veroordeeld om aan [verweerder] een billijke vergoeding, een transitievergoeding, achterstallig loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente te betalen, en om loonstroken en een eindafrekening te verstrekken. Daarbij is [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten en is afgewezen wat anders is verzocht.
4.5
De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat er een overgang van onderneming in de zin van de artikelen 7:663 e.v. BW is geweest, waardoor de rechten en verplichtingen van Vers Select uit de arbeidsovereenkomst met [verweerder] van rechtswege zijn overgegaan op [verzoekster] . Dit betekent dat tussen partijen een arbeidsrechtelijke relatie is ontstaan en [verzoekster] onder meer gehouden was om loon te betalen aan [verweerder] en zich in te spannen voor zijn re-integratie. Het ontbindingsverzoek is toegewezen omdat [verzoekster] dat niet heeft bestreden. [verzoekster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld omdat zij haar verplichtingen die voortkomen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate heeft geschonden. Dit betekent dat [verzoekster] de transitievergoeding verschuldigd is, en ook een billijke vergoeding. De laatste heeft de kantonrechter bepaald op € 5.000,-, dat is een (veel) lager bedrag dan door [verweerder] verzocht, omdat de arbeidsovereenkomst waarschijnlijk niet lang meer zou hebben geduurd en [verweerder] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de nalatigheid van [verzoekster] is belemmerd in zijn re-integratie.

5.Verzoeken in hoger beroep

In principaal hoger beroep

5.1
[verzoekster] verzoekt - zakelijk weergegeven - de beschikking te vernietigen en de vorderingen van [verweerder] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [verweerder] tot terugbetaling van al hetgeen krachtens de beschikking is voldaan, met wettelijke rente, en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure in beide instanties.
5.2
Kort samengevat zien de bezwaren van [verzoekster] tegen de beschikking op het volgende. Volgens [verzoekster] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat er sprake is geweest van een overgang van onderneming en dat [verweerder] sinds die overgang bij [verzoekster] in dienst is (de grieven I tot en met V). Bovendien heeft de kantonrechter ten onrechte een billijke vergoeding en een transitievergoeding toegekend aan [verweerder] (de grieven VI en VII) en heeft de kantonrechter ten onrechte loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente toegewezen (grief VIII).
In incidenteel hoger beroep
5.3
[verweerder] stelt dat de kantonrechter een te lage billijke vergoeding heeft toegekend en verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding van € 75.000,- bruto, met wettelijke rente.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat de overname van de klantenportefeuille van Vers Select (hierna: de overname) in de gegeven situatie niet kan worden gekwalificeerd als overgang van onderneming in de zin van de artikelen 7:663 e.v. BW en dat [verweerder] niet in dienst is gekomen van [verzoekster] . Daartoe wordt het volgende overwogen.
Juridisch kader
6.2
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft de Richtlijn 2001/23/EG (hierna: de Richtlijn) – in Nederland onder meer geïmplementeerd in de artikelen 7:662 tot en met 7:666 BW – tot doel om bij verandering van ondernemer de continuïteit te waarborgen van de in een bedrijf bestaande arbeidsverhoudingen.
6.3
Ingevolge artikel 7:663 BW Pro gaan door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op het tijdstip van die overgang voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer, van rechtswege over op de verkrijger.
6.4
In artikel 7:662 is Pro bepaald dat in dit verband onder “overgang” wordt beschouwd: de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt; en onder “economische eenheid”: een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit waaronder begrepen de uitoefening van openbaar gezag. Ook een vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging wordt beschouwd als een onderneming.
6.5
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang van onderneming in de zin van de Richtlijn is bepalend of de identiteit van de economische eenheid die als gevolg van een overeenkomst overgaat, bewaard blijft. Met het oog daarop dient volgens vaste rechtspraak te worden onderzocht of het gaat om de vervreemding van een lopend bedrijf, hetgeen met name kan blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen. Er dient sprake te zijn van overgang van een duurzaam georganiseerde economische entiteit, een georganiseerd geheel van personen en elementen, waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend.
6.6
Bij het antwoord op de vraag of aan de voorwaarden voor de overgang van een economische eenheid als hier bedoeld is voldaan, moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of al dan niet materiële activa als gebouwen en roerende zaken worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, de vraag of al dan niet vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen, de vraag of al dan niet de klantenkring wordt overgedragen, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. Al deze elementen zijn evenwel slechts deelaspecten van het te verrichten globale onderzoek en mogen daarom niet elk afzonderlijk worden beoordeeld (HvJ EG 18 maart 1986, ECLI:EU:C:1986:127 (Spijkers), HvJ EG 11 maart 1997, ECLI:EU:C:1997:141 (Süzen).
De overeenkomst
6.7
Tussen partijen staat vast dat de overname van de klantenportefeuille heeft plaatsgevonden als gevolg van een (koop-)overeenkomst tussen Vers Select en [verzoekster] . Wel bestaat tussen partijen verschil van mening over de inhoud van deze overeenkomst.
6.8
[verweerder] heeft een door Vers Select en [verzoekster] op 18 september 2023 ondertekende versie van de overeenkomst overgelegd als productie 15 bij zijn inleidend verzoek. In die versie is in artikel 3.1 sprake van overname van bedrijfsauto’s van Vers Select en staat in artikel 7.1 vermeld dat de overeenkomst een overgang van onderneming vormt, waardoor de arbeidsovereenkomsten en overige rechten en verplichtingen van de werknemers, gespecificeerd in bijlage 3 bij de overeenkomst, op de overdrachtsdatum van rechtswege overgaan op [verzoekster] .
6.9
[verzoekster] heeft aangevoerd dat die versie kennelijk abusievelijk is ondertekend en dat de door haar als productie 2 bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde, ongetekende versie de juiste versie is waarvan het hof moet uitgaan. In die versie komt overname van bedrijfsauto’s niet voor en is in artikel 7.1 (slechts) opgenomen dat [verzoekster] zal beoordelen of zij de werknemers van Vers Select een arbeidsovereenkomst aanbiedt.
6.1
Het hof laat in het midden welke versie van de overeenkomst tussen partijen geldt. Vast staat wel dat [verzoekster] geen bedrijfsauto’s heeft overgenomen en dat zij van Vers Select een lijst met daarop de namen van 29 werknemers heeft gekregen. Op die lijst kwam [verweerder] overigens niet voor. Van die 29 werknemers is een aantal van 12 (volgens [verzoekster] ) dan wel tenminste 17 (volgens [verweerder] ) bij [verzoekster] in dienst gekomen op of omstreeks de overdrachtsdatum.
Geen economische eenheid en identiteitsbehoud
6.11
Beoordeeld moet worden of sprake is van een economische eenheid die is overgegaan ten gevolge van de overeenkomst, en zo ja, of die economische eenheid haar identiteit heeft behouden. Bij deze beoordeling acht het hof gelet op het hiervoor geschetste juridische kader de volgende feiten en omstandigheden van belang.
6.11.1
De klantenportefeuille en goodwill van Vers Select hebben betrekking op haar groothandel, die voor [verzoekster] alleen interessant was voor zover die gericht was op aardappelen, groente en fruit.
6.11.2
[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken gesteld dat de overname van het klantenbestand van Vers Select haar hoofdzakelijk de mogelijkheid bood om in haar groothandel haar producten door schaalvergroting efficiënter te kunnen produceren en leveren. Deze toelichting die [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling heeft gegeven, is niet in strijd met de tweeconclusieregel aangezien deze toelichting in het verlengde ligt van de grieven I tot en met V die hierop betrekking hebben.
6.11.3
[verzoekster] heeft eveneens onweersproken gesteld dat Vers Select in haar groothandel gebruik maakte van machines, bedrijfswagens en andere bedrijfsmiddelen (materiële activa), en dat in de groothandel van Vers Select - in verhouding tot de omzet - een groot aantal werknemers werkzaam was.
6.11.4
Vast staat dat [verzoekster] behoudens het klantenbestand geen materiële activa van Vers Select heeft overgenomen. De machines, bedrijfswagens en andere apparatuur die gebruikt werden voor de groothandel van Vers Select zijn aan derden verkocht.
6.11.5
Eveneens staat vast dat geen sprake is geweest van overgang van vrijwel het voltallige personeel. Onduidelijk is gebleven wat het precieze aantal werknemers in dienst van Vers Select was ten tijde van de overdrachtsdatum. Volgens de faillissementscurator zouden 41 werknemers in dienst zijn geweest van Vers Select ten tijde van het faillissement. Hoe dan ook, van de 29 werknemers die op de lijst stonden die [verzoekster] heeft gekregen van Vers Select, is een aanzienlijk deel niet in dienst getreden bij [verzoekster] .
6.11.6
Evenmin is qua deskundigheid een wezenlijk deel van het personeel overgegaan. [verzoekster] heeft onweersproken gesteld dat de voormalige werknemers van Vers Select die bij haar in dienst zijn gekomen allen orderpickers en chauffeurs zijn. Aannemelijk is dat deze werknemers geen kennis en vaardigheden bezitten die wezenlijk zijn voor de overgenomen bedrijfsactiviteit, voor zover van dat laatste gesproken kan worden.
6.11.7
[verzoekster] heeft bovendien onweersproken gesteld dat het voormalige personeel van Vers Select voor het gehele klantenbestand van [verzoekster] wordt ingezet, dus niet specifiek voor de voormalige klanten van Vers Select.
6.11.8
[voormalig eigenaar] , via [holding] B.V. de voormalige eigenaar/bestuurder van Vers Select (hierna: [voormalig eigenaar] ), is als accountmanager werkzaam bij [verzoekster] op basis van een managementovereenkomst. Volgens [verweerder] is [voormalig eigenaar] de voormalige klanten van Vers Select blijven bedienen waardoor het aanspreekpunt voor die klanten niet gewijzigd is. [verzoekster] heeft dit echter gemotiveerd weersproken en heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat niet alle voormalige klanten onder [voormalig eigenaar] vallen en dat bovendien klanten die contact zoeken met [verzoekster] te woord gestaan worden door een medewerker van [verzoekster] , en niet door [voormalig eigenaar] zelf.
6.11.9
[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens onweersproken gesteld dat de aard en werkwijze van de beide ondernemingen in grote mate verschillen. Zo heeft [verzoekster] een veel groter assortiment aan groente en fruit dan Vers Select had. [verzoekster] heeft geen artikelen uit het assortiment van Vers Select overgenomen maar levert sinds de overname uitsluitend haar eigen assortiment aan de voormalige klanten van Vers Select. Volgens [verzoekster] verschillen de producten in kwaliteit, en is de productie bij haar volledig geautomatiseerd in tegenstelling tot de productie in het bedrijf van Vers Select. Het bestel- en productieproces bij [verzoekster] is gestandaardiseerd en zij levert daardoor geen maatwerk zoals Vers Select wél deed. Voor een deel van de voormalige klanten van Vers Select is het aanbod van [verzoekster] daarom niet interessant en deze klanten zijn inmiddels afgehaakt, aldus [verzoekster] .
6.12
Het hof concludeert dat de overname van de klantenportefeuille en de indiensttreding van een beperkt aantal werknemers, in combinatie met de overige in r.o. 6.11.1 tot en met 6.11.9 genoemde omstandigheden, onvoldoende gewicht in de schaal leggen om te kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van overgang van onderneming. De samenhang tussen de productiefactoren die bij Vers Select werden gebruikt is niet bij [verzoekster] gehandhaafd en niet kan worden vastgesteld dat dezelfde of een soortgelijke economische activiteit als bij Vers Select door [verzoekster] is voortgezet. In de gegeven situatie, waarin geen materiële activa van betekenis zijn overgegaan en evenmin sprake is van overgang van een wezenlijk deel van het personeel, is naar het oordeel van het hof geen sprake van overgang van een economische eenheid met behoud van identiteit. Dat [verzoekster] op enig moment op haar eigen website en op LinkedIn berichten heeft geplaatst waarin zij refereert aan het overnemen van (klanten en) medewerkers, althans het verwelkomen van (klanten en) medewerkers, maakt dit niet anders, al was het maar omdat een aantal medewerkers van Vers Select (niet [verweerder] ), nadat zij een sollicitatieprocedure hebben doorlopen, daadwerkelijk bij [verzoekster] in dienst zijn getreden. Daardoor is [verweerder] niet in dienst gekomen van [verzoekster] .
Conclusie en proceskosten
6.13
Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat [verweerder] geen bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing. De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] slaagt. Omdat geen sprake is van een overgang van onderneming en [verweerder] niet in dienst is gekomen van [verzoekster] , heeft [verweerder] geen aanspraak op betaling door [verzoekster] van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en loon c.a. Daarom zal het hof de bestreden beschikking vernietigen. De desbetreffende verzoeken van [verweerder] zullen alsnog worden afgewezen. [verweerder] zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [verzoekster] van al hetgeen krachtens de bestreden beschikking aan hem is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling van het betreffende bedrag tot de dag van de algehele terugbetaling. Het hof zal [verweerder] bovendien als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.14
Die proceskosten worden begroot op:
In eerste aanleg:
salaris gemachtigde € 814,-
In principaal hoger beroep:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-
In incidenteel hoger beroep:
salaris advocaat € 1.290,- (2 punten × tarief II x 50%)
In beide instanties: € 5.700,- in totaal.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 12 maart 2025;
en opnieuw rechtdoende:
  • wijst de verzoeken van [verweerder] af;
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in beide instanties, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 5.700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat, als [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verweerder] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, M.T. Nijhuis en O.F. Blom en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.