ECLI:NL:GHDHA:2026:2449

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
22-000609-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 151 SrArt. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 SrArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs medeplegen moord slachtoffer uit criminele kring

Het gerechtshof Den Haag heeft op 23 juli 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2020. De verdachte werd verdacht van medeplegen van moord op een slachtoffer uit criminele kringen en het medeplegen van het begraven van het lijk met het oogmerk het feit te verbergen.

Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor het medeplegen van het begraven van het lijk wegens verjaring. Ten aanzien van de moord werd de verdachte vrijgesproken omdat het bewijs onvoldoende was om zijn betrokkenheid als pleger of medepleger vast te stellen. Cruciale getuigenverklaringen werden uitgesloten vanwege onbetrouwbaarheid en innerlijke tegenstrijdigheden. Ook het OVC-gesprek bood onvoldoende basis voor een bewezenverklaring.

Het onderzoek toonde aan dat het slachtoffer gefaseerd en met geweld om het leven is gebracht binnen het criminele milieu. Diverse huurauto’s van de verdachte en medeverdachten waren nabij de vindplaats van het lichaam. Toch kon het hof niet vaststellen wie het slachtoffer heeft gedood. De verdachte werd wel geacht op de uitkijk te hebben gestaan bij het begraven van het lijk en betrokken te zijn geweest bij het wegmaken van goederen van het slachtoffer, maar dit was onvoldoende voor een veroordeling voor medeplegen moord.

De verdediging voerde succesvol aan dat de interceptie van Encrochat- en Sky ECC-gegevens niet tot niet-ontvankelijkheid leidde. Het hof oordeelde dat het proces als geheel eerlijk was verlopen. De verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en gaf geen belastende verklaringen af. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en sprak de verdachte vrij van het medeplegen van moord.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen moord wegens onvoldoende bewijs en het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard voor medeplegen begraven lijk wegens verjaring.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000609-20
Parketnummer: 10-610232-09
Datum uitspraak: 23 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te Leerdam en/of Hoek van Holland en/of Schiedam en/of Tiel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of in de hals en/of in het gezicht, in ieder geval in het lichaam, te steken en/of te snijden.
2.
hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te Hoek van Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft begraven, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de duinen een kuil gegraven en/of het lichaam van [slachtoffer] in die kuil gelegd en/of (vervolgens) deze kuil afgedekt met zand en/of aarde.

Vordering van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar en 3 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. In verband met straffen die sinds het tenlastegelegde aan de verdachte zijn opgelegd en de werking van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) is dit de straf die maximaal aan de verdachte kan worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde tot een andere beslissing komt en zich niet geheel verenigt met de motivering van de beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verjaring
Het onder 2 tenlastegelegde zou volgens de tenlastelegging door de verdachte zijn begaan in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009. Het aan de verdachte verweten handelen is ten laste gelegd als overtreding van artikel 151 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
In artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr is bepaald dat het recht tot strafvordering door verjaring vervalt in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Artikel 71 Sr Pro bepaalt dat de termijn van verjaring aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Artikel 72 Sr Pro bepaalt vervolgens - voor zover hier met name van belang - dat het recht tot strafvordering ten aanzien van misdrijven vervalt als vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
Op het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf (artikel 151 Sr Pro) is een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie gesteld. Dat betekent dat de verjaringstermijn voor het onderhavige feit zes jaren is, te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf (artikel 71 Sr Pro). Nu inmiddels meer dan 12 jaren zijn verstreken, is het hof – met de advocaten-generaal en de verdediging - van oordeel dat het recht tot strafvordering ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is verjaard, zodat het openbaar ministerie ten aanzien van dat feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
Vormverzuimen
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de onderschepping van de berichten van Encrochat onrechtmatig is geweest. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verkrijging en verwerking van de SKY ECC data onrechtmatig is geweest.
De verdediging stelt dat dit een vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat door de aard en ernst van de vormverzuimen sprake is van een doelbewuste of in ieder geval grove veronachtzaming van fundamentele rechten van de verdachte, welke vormverzuimen het eerlijke proces in de kern raken, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair dienen de gegevens, verkregen uit de onrechtmatige interceptie van de berichten, te worden uitgesloten van het bewijs, en uiterst subsidiair wordt verzocht om strafvermindering toe te passen.
Encrochat
De verdediging voert daartoe aan dat het recht op een eerlijk proces is geschonden, nu er sprake is van een structureel gebrek aan transparantie omtrent de herkomst en verwerking van het bewijs. Door de verdediging de toegang tot essentiële informatie te onthouden, is haar de mogelijkheid ontnomen om de rechtmatigheid effectief te toetsen. De verdediging stelt tevens dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer van toepassing is, zodat de Nederlandse rechter zelfstandig dient te toetsen of de verkrijging van het bewijs in overeenstemming is met de nationale rechtsorde. Daarnaast ontbreekt een wettelijke basis, nu er geen
voorafgaandetoestemming was van een Nederlandse rechter-commissaris voor de hack door de Franse autoriteiten, en er tevens geen individuele verdenking jegens een individuele verdachte bestond, waardoor er geen wettelijke basis was deze bulkinterceptie, die bovendien verder ging dan live-interceptie, als opsporingsmiddel in te zetten. Daarmee is sprake van een ernstige inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. De inbreuk op het privéleven van Enchrochat gebruikers is groot.
Sky ECC
Ook ten aanzien van de Sky ECC gegevens betwist de verdediging dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in deze zaak van toepassing is, dat elke toetsing door een rechter(-commissaris) blokkeert. Er ontbreekt een toereikende wettelijke grondslag voor bulkinterceptie nu er geen sprake was van een individuele concrete verdenking. Daarnaast is niet voldaan aan de noodzakelijke kennisgeving aan de Nederlandse autoriteiten door de Franse autoriteiten in navolging van (het hof begrijpt: artikel 31 van Pro) de EOB-richtlijn (Richtlijn 2014/41/EU). Deze kennisgeving had door een Nederlandse rechter-commissaris op basis van de Nederlandse wetgeving beoordeeld moeten worden. De machtiging van de rechter-commissaris, die in het kader van Sky ECC berichten wel is verleend, is eveneens onrechtmatig, nu de interceptie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel ex artikel 52 lid 1 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en meer in het bijzonder de rechten ex artikel 7 en Pro 8 van het Handvest, nu de rechter-commissaris bij het verlenen van de machtiging is uitgegaan van de rechtmatigheid van de interceptie van de data, terwijl dat juist het punt van discussie is.
De verdediging concludeert dat er ook in dit opzicht een vormverzuim is begaan, en dat de verdachte gelet op de grote inbreuk op het privéleven daarmee in zijn belangen is geschaad.
Standpunt advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat van een onherstelbaar vormverzuim of enige andere onrechtmatigheid niet is gebleken, nu daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd en er in ieder geval geen concreet nadeel voor deze specifieke verdachten is gesteld of gebleken. Opsporing in zijn geheel kan niet aan de orde worden gesteld in een afzonderlijke strafzaak als onderhavige. Daarnaast is van een actieve of sturende rol van Nederland bij de verkrijging van EncroChat en SkyECC data nimmer gebleken, noch van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, zodat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is. Daarmee kan de rechtmatigheid van de Franse verkrijging van de gegevens niet worden getoetst in Nederland. Ook in het kader van notificatievereisten hebben zich geen onregelmatigheden voorgedaan die de rechtmatigheid van het gebruik van de aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen onderzoeksresultaten raken, en er is tot slot geen sprake van zogenoemde bulkinterceptie.
Beoordeling hof
Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvan kan volgens de Hoge Raad slechts sprake zijn als het vormverzuim daarin bestaat dat er een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Het moet gaan om een ernstige, onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat
"the proceedings as a whole were not fair".
Het hof is van oordeel dat deze zeer uitzonderlijke situatie zich in dit geval niet voordoet. Niet alleen is reeds door de Hoge Raad en door internationale rechterlijke colleges geoordeeld dat er zich bij de onderzoeken naar Sky ECC en Encrochat geen onrechtmatigheden hebben voorgedaan, ook voor zover die hypothetische onrechtmatigheden zich al zouden hebben voorgedaan kan op grond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd en gesteld niet worden geconcludeerd dat de procedure als geheel niet langer als eerlijk kan worden aangemerkt. Hetgeen de verdediging ook overigens heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Ook de enkele niet nader onderbouwde stelling van de verdediging dat de inbreuk op het privéleven van de verdachte groot is, is daarvoor niet toereikend. De verdediging is in de onderhavige strafzaak voorts in staat gesteld om de inhoud van het dossier en in het bijzonder ook de koppeling van bepaalde PGP-accounts, de inhoud van daarmee gevoerde gesprekken/berichten en de daaraan door het openbaar ministerie toegeschreven waarde effectief te betwisten. Dat de verdediging niet beschikt over de onderliggende (volledige) datasets, noch over het onderliggende Franse onderzoeksdossier, doet daar niet aan af. Daar is in deze zaak overigens ook niet om verzocht.
Een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zoals door de verdediging verzocht is dus niet aan de orde. Gelet op de navolgende overwegingen van het hof behoeven de verzoeken tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering geen verdere bespreking.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is – overeenkomstig het standpunt van de verdediging - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nadere overwegingen

1.
Feitenvaststelling
Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
1.1.
Aantreffen van het lichaam van het slachtoffer
Op 25 maart 2009 is in een duingebied in Hoek van Holland het lichaam aangetroffen van [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]). Hij was begraven in een duingraf en bleek door geweld om het leven te zijn gekomen. Het onderzoek dat naar de toedracht van zijn dood werd geopend kreeg de naam 26Duin.
Op het lichaam van [slachtoffer] is sectie verricht. Zijn dood is veroorzaakt door bloedverlies en weefselschade ten gevolge van meervoudig klievend en stekend geweld op de hals. De mate van ontbinding van het lichaam kan passen bij een periode van enkele dagen tot circa een week in een aardgraf, maar een week moet niet als absolute grens worden gezien.
Op het lichaam van [slachtoffer] waren diverse vormen van letsel aanwezig, die niet allemaal gelijktijdig zijn aangebracht. Een diepe snede in zijn wang is 30 tot 60 minuten voor zijn dood toegebracht, terwijl een snede aan zijn bovenlip en letsel op zijn achterhoofd dateren van 10 tot 30 minuten voor zijn dood. Meerdere halssteken zijn seconden tot enkele minuten voor zijn dood veroorzaakt en een diepe keelsnede is toegebracht tijdens het intreden van de dood of daarna.

Tussenconclusie: [slachtoffer] is door geweld om het leven gekomen. Aan hem is gefaseerd pijn en letsel toegebracht.
1.1.2
Duingebied en graf
Het duingebied is een recreatiegebied, dat aan de noordwestzijde wordt begrensd door het strand van de Noordzee en aan de oostzijde grenst aan de Strandboulevard te Hoek van Holland.
De grafkuil bevond zich op circa 6 meter afstand van een looppaadje en zo'n 315 meter vanaf de trap die toegang verschaft tot de Strandboulevard, indien deze afstand wordt gemeten via de bestaande beloopbare paden. Onderzoek aan de grafkuil, die was bedekt met zand en takken, wees uit dat deze, gelet op de afmetingen van de kuil, in ongeveer 30 minuten gegraven kon worden door één persoon.
Uit onderzoek is gebleken dat het scenario dat [slachtoffer] ergens anders is vermoord dan op of nabij het duingraf meer waarschijnlijk is dan dat dit ter plekke is gebeurd. Zijn lichaam lijkt daar dus naartoe te zijn gebracht alvorens te zijn begraven.
1.1.3 [
slachtoffer]: contacten en tatoeages
[slachtoffer] is dertig jaar oud geworden. Voor zover bekend, had hij geen banden met Hoek van Holland. Hij woonde aan de andere kant van het land, in Enschede, waar hij ook is opgegroeid. [slachtoffer] had een criminele levensstijl en verkeerde ten tijde van zijn overlijden al geruime tijd in kringen van zware georganiseerde criminaliteit.
Gelet op de wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] was verborgen – begraven in een duingebied, op een plek waar hij geen banden mee had – en gelet op de wijze waarop hij is omgebracht – met uitgebreid geweld dat doelgericht en gefaseerd tegen hem is gepleegd – gaat het hof ervan uit dat [slachtoffer] om het leven is gebracht binnen het criminele milieu waarin hij zich bewoog. Er zijn in het uitgebreide onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat er buiten het criminele milieu iets speelde in de interpersoonlijke relaties van [slachtoffer]. Ook een scenario waarbij [slachtoffer], al dan niet in Hoek van Holland, bij toeval een hem onbekende derde heeft getroffen die verantwoordelijk is voor het op de beschreven gewelddadige wijze ombrengen van [slachtoffer] en het begraven van zijn lichaam, kan als buitengewoon onwaarschijnlijk worden uitgesloten.

Tussenconclusie: de dader(s) van het om het leven brengen van [slachtoffer] moet(en) worden gezocht in de criminele kringen waarin [slachtoffer] zich bewoog.
Uit het onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] in Enschede deel uitmaakte van een netwerk dat in het onderzoeksdossier is aangeduid als de groep Oosten. Binnen dat netwerk kreeg [slachtoffer] de bijnaam ‘de Chinees’.
[slachtoffer] had diverse tatoeages. Op zijn rug stond een grote tatoeage van Chinese tekens, die kunnen worden vertaald als ‘Wees daadkrachtig’ of ‘Actie is het meest praktisch’. In het onderzoek is gebleken dat tenminste dertien andere personen, waaronder veel leden van de groep Oosten, op de rug een identieke tatoeage hebben. Diverse media hebben dragers van de rugtatoeage, onder andere in berichtgeving over deze zaak, aangeduid als ‘de tattookillers’.
Uit getuigenverklaringen volgt dat [slachtoffer] [medeverdachte 1] kende en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via [slachtoffer] aansluiting kregen bij de groep Oosten. Later sloten via [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook [medeverdachte 3] en [verdachte] – broers van elkaar - aan bij de groep. Alle vier dragen zij dezelfde rugtatoeage als [slachtoffer] en de overige leden van de groep Oosten. [medeverdachte 3] en [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], die niet afkomstig zijn uit het oosten van het land, maar uit Schiedam respectievelijk Leerdam, worden in het onderzoeksdossier aangeduid als de groep Westen.
Door een getuige die destijds behoorde tot de groep Oosten en die zelf ook een vorm van dezelfde rugtatoeage draagt is verklaard: “Het is één groep van mensen die dezelfde tatoeage hebben, maar dan weer met twee groepjes, de groep uit het Westen en de groep uit het Oosten. Binnen de groep had je afdelingen. In het Oosten deden ze wiet en coke en in het Westen de afpersingen en gewelddadigheden”.
Verschillende getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer] in de laatste maanden van zijn leven steeds meer weg ging uit het oosten en naar het westen trok. De reden daarvoor is niet komen vast te staan, maar wel is gebleken dat er verdenkingen speelden omtrent één of meerdere geldbedragen van (personen binnen) de groep Oosten die door [slachtoffer] zou(den) zijn weggenomen. Dat [slachtoffer] in de laatste maanden van zijn leven veel in het westen van het land kwam vindt onder andere bevestiging in de Track and Trace gegevens van door hem gehuurde auto’s, welke beschikbaar zijn over een groot deel van de periode tussen 1 december 2008 en 9 februari 2009. In januari en in de eerste week van februari 2009 kwam hij vele malen in Leerdam, Schiedam en Amsterdam, op locaties die te linken zijn aan de verdachten.
Hierbij springt een aantal adressen in het oog:
  • [adres 1] . Deze woning was eigendom van de zus en zwager van [medeverdachte 1] en kan worden aangemerkt als de toenmalige verblijfplaats van [medeverdachte 1];
  • [adres 2]. [getuige 1], die hoofdbewoner was van deze woning, heeft verklaard dat [slachtoffer] en de overige verdachten dit adres gebruikten als ‘safehouse’;
  • [adres 3]. Deze woning werd gehuurd op naam van een derde maar was in gebruik bij [medeverdachte 3] en [verdachte] toen zij daar op 5 februari 2009 werden aangehouden in een ander opsporingsonderzoek.
De vier verdachten zijn samen met [slachtoffer] als verdachte in beeld gekomen in onderzoek Atlas, inzake een thans nog onopgeloste dubbele liquidatie in Leiderdorp op 4 februari 2009. Informatie uit onderzoek Atlas is gedeeld met het onderhavige onderzoek Duin.
Evenals [slachtoffer] hebben de vier verdachten justitiële documentatie op het gebied van (zware) geweldsdelicten. In 2014 zijn de vier verdachten in onderzoek Hattem door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld wegens het medeplegen van voorbereiding van moord en medeplegen van poging tot moord, gezamenlijk gepleegd in de periode tussen 1 april en 11 augustus 2009. Deze veroordelingen zijn onherroepelijk. Ook informatie uit onderzoek Hattem is gedeeld met het onderhavige onderzoek Duin.

Tussenconclusie: ook de verdachten verkeerden in kringen van zware criminaliteit en stonden in nauw contact met [slachtoffer] tot kort voor zijn dood.
De verdachten hebben geen vragen willen beantwoorden over hun relatie met [slachtoffer] of wanneer zij hem voor het laatst hebben gezien.
1.1.4
De laatste periode van het leven van [slachtoffer]
[slachtoffer] is in de eerste twee weken van januari 2009 langsgegaan bij zijn moeder. Hij vertelde haar dat hij wegging uit Enschede en dat hij naar Rotterdam ging, waar hij vrienden had, en dat hij daar zou gaan wonen. Hij vroeg haar hoeveel geld hij haar schuldig was en betaalde dit. [slachtoffer] begon heel erg te huilen, maar wilde zijn moeder niet vertellen wat er was. Hij heeft tegen haar gezegd dat hij weg moest uit Enschede, omdat hij niemand meer kon vertrouwen.
Vanaf circa medio januari verbleef [slachtoffer] vervolgens op wisselende plekken, nadat hij was vertrokken uit zijn woning aan de [adres 4]. Tot 7 februari 2009, kort na de dubbele liquidatie in Leiderdorp op 4 februari 2009, kwam hij met grote regelmaat op adressen die zijn te linken aan de groep Westen. Daarna verbleef hij onder meer in Duitsland, Tiel en Hengelo.
Van 7 tot 9 maart 2009 heeft [slachtoffer] geslapen bij zijn schoolvriend [getuige 2], in de woning die [getuige 2] bewoonde met zijn vader. [slachtoffer] was toen schichtig en wilde liever niet naar buiten gaan. Als hij wegging, was dat vooral ’s nachts.
Van 10 tot 12 maart 2009 verbleef [slachtoffer] in een chalet op een camping in Eck en Wiel. De vriend via wie hij dat had geregeld, vertelde hij dat niemand mocht weten waar hij was.
De laatste activiteit van de van [slachtoffer] bekende telefoonnummers heeft plaatsgevonden in de avond van 12 maart 2009, toen hij ook de sleutels van het chalet inleverde. Hierna stonden de van [slachtoffer] bekende telefoonnummers uit en zijn oproepen naar de voicemail gegaan.
Van 12 tot 16 maart 2009 verbleef [slachtoffer] met [getuige 2] in Beuningen bij de vriendin van [getuige 2], [getuige 3]. [slachtoffer] is in die dagen voortdurend binnengebleven. Naarmate de laatste dag van zijn verblijf naderde, zei [slachtoffer]: “Als je niks meer van me hoort, zit ik vast of ben ik dood.”
[slachtoffer] is voor het laatst gezien op 16 maart 2009 tussen 21.32 en 21.36 uur, eveneens door [getuige 2]. [getuige 2] verklaart dat hij met [slachtoffer] is vertrokken uit Beuningen en dat [slachtoffer] ‘iets van kip’ heeft gegeten in Kapel Avezaath bij Mc Donalds, waarna [slachtoffer] hem thuis in Tiel heeft afgezet met de auto waarin hij reed, een Opel station. Volgens [getuige 2] moest hij van [slachtoffer] bij het afscheid al diens telefoonnummers en sms’jes wissen en leek [slachtoffer] bij zijn vertrek troosteloos, hopeloos.
Tussen het afscheid van [getuige 2] in Tiel in de avond van 16 maart 2009 en het aantreffen van zijn lichaam in Hoek van Holland op 25 maart 2009 zijn er geen bevestigde berichten meer dat iemand met zekerheid [slachtoffer] heeft gezien of contact met hem heeft gehad.
De maaltijd van kip bij McDonalds kan stroken met de maaginhoud van [slachtoffer] die bij de sectie is onderzocht. Op basis van uit onderzoek bekende gegevens over de gebruikelijke duur van vertering van voedsel, bezien in onderling verband en samenhang met de overige onderzoeksbevindingen, is het naar het oordeel van het hof aannemelijk dat [slachtoffer] binnen enkele uren na deze laatste maaltijd is overleden.

Tussenconclusie:
[slachtoffer] is kort voor zijn dood ondergedoken. Zijn laatste levensteken dateert van de avond van 16 maart 2009, tussen 21.32 en 21.36 uur. Het is aannemelijk dat hij binnen enkele uren hierna is overleden.
1.1.5
De huurauto van [slachtoffer]
Op 9 februari 2009 heeft [slachtoffer] een Opel Astra station met het kenteken [kenteken 1] gehuurd bij het bedrijf [verhuurbedrijf], gevestigd aan [adres 5] te Rotterdam. De eigenaar van [verhuurbedrijf], [getuige 4] , heeft [slachtoffer] herkend als een goede klant die meerdere malen auto’s bij zijn bedrijf heeft gehuurd. Hoewel diverse huurauto’s van [verhuurbedrijf] waren uitgerust met Track and Trace, gold dit niet voor de als laatste door [slachtoffer] gehuurde Opel Astra station met het kenteken [kenteken 1].
De betreffende Opel Astra station is teruggeboekt in de administratie van [verhuurbedrijf] op 17 maart 2009. Op basis van de verklaringen van [getuige 4] , in combinatie met de verklaring van [getuige 2] waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij zijn vertrek nog in de huurauto reed, stelt het hof vast dat de auto bij het autoverhuurbedrijf is teruggebracht in de nacht voorafgaand aan het terugboeken daarvan op 17 maart 2009.
1.1.6
Andere huurauto’s: Opel Astra ([kenteken 2]) en Audi A4 ([kenteken 3])
Ook [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn door [getuige 4] herkend als klanten van [verhuurbedrijf]. [verdachte] kwam volgens [getuige 4] vaak met zijn broer. Hij heeft [medeverdachte 3] herkend als deze broer. [slachtoffer] was door [verdachte] aan [getuige 4] voorgesteld; ze waren goede vrienden van elkaar, [verdachte] en [slachtoffer], aldus [getuige 4].
-
Audi A4 ([kenteken 3])
Op 9 maart 2009 is door [verhuurbedrijf] een Audi A4 met het kenteken [kenteken 3] verhuurd. In de administratie is een huurcontract aangetroffen op naam van [verdachte] voor de periode 9 maart tot 18 maart 2009. Uit de Track and Trace gegevens van de auto blijkt dat met deze auto adressen zijn bezocht die te linken zijn aan [verdachte]. Het betreft onder andere [adres 6] te Amsterdam, welke woning vanaf 17 februari 2009 was gehuurd op naam van derden, maar waarvan wordt vermoed dat dit de verblijfplaats van [medeverdachte 3] en [verdachte] is geweest. [verdachte] is door de verhuurder herkend als degene die bij aanbellen de deur opendeed. De Audi A4 ([kenteken 3]) heeft nabij dit adres veelal een aantal uren achter elkaar stilgestaan, wat erop duidt dat [verdachte] hier in die periode heeft geslapen.
Voorts kwam de huurauto bij het adres van de vriendin van [verdachte] aan de [adres 7] in Spijkenisse en het safehouse van de groep Westen aan [adres 2] in Schiedam. Ook is met de huurauto een bezoek gebracht aan seksclub [naam seksclub] in Laren, waar een van de eigenaren [verdachte] en ook zijn broer [medeverdachte 3] heeft herkend als klanten op hem getoonde foto’s. Deze eigenaar heeft in maart 2011 verklaard dat zij allebei grote tatoeages hadden op hun armen en dure horloges droegen. Omdat ze opvallende verschijningen waren binnen zijn club, kon hij zich hen nog herinneren.
[verdachte] heeft over het gebruik van deze door hem gehuurde auto geen vragen willen beantwoorden. Van een afwijkend patroon in het gebruik van de auto ergens gedurende de huurperiode waardoor twijfel zou kunnen bestaan over wie gebruikmaakte van de auto blijkt naar het oordeel van het hof niet.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [verdachte] niet alleen de huurder maar ook de vaste gebruiker is geweest van de Audi A4 met het kenteken [kenteken 3] van 9 maart tot 18 maart 2009.
-
Opel Astra ([kenteken 2])
Op 25 februari 2009 is door [verhuurbedrijf] een Opel Astra verhuurd met kenteken [kenteken 2]. In de administratie zijn huurcontracten van deze auto aangetroffen op naam van zowel [verdachte] als [medeverdachte 2]. [getuige 4] heeft verklaard dat [verdachte] de auto had gehuurd en deze zou terugbrengen op 18 maart 2009, maar dat dit niet is gebeurd. [verdachte] kwam samen met [medeverdachte 2] (‘[voornaam medeverdachte 2]’- de eerste (doop)naam van [medeverdachte 2]) om het contract over te zetten op diens naam. [verdachte] heeft de huursom betaald. [getuige 4] heeft het contract toen veranderd naar [voornaam medeverdachte 2] en de einddatum genoteerd van 25 maart 2009.
[medeverdachte 2] heeft erkend dat hij de huurder was van de Opel Astra met het kenteken [kenteken 2] en dat hij deze auto heeft gebruikt, maar zegt dat ook anderen in deze auto reden. Over de momenten waarop anderen de auto zouden hebben gebruikt en de identiteit van deze personen heeft hij geen vragen willen beantwoorden.
Uit de Track and Trace gegevens van de Opel Astra met het kenteken [kenteken 2] blijkt dat deze veel adressen in Leerdam heeft aangestraald. De auto werd in de nachten veelal geparkeerd aan [adres 8] in Almere Buiten, zijnde het adres van de toenmalige vriendin van [medeverdachte 2], of [adres 9] in Leerdam, zijnde het adres van zijn ex-partner en hun drie kinderen. Ook de adressen die onderweg werden aangedaan zijn doorgaans te linken aan [medeverdachte 2].
Voor zover hierin een vast patroon te onderkennen is, zoals door de advocaten-generaal naar voren is gebracht, is dat naar het oordeel van het hof echter niet te onderkennen op 12 en 13 maart, noch op 14 maart 2009 tot in de avond. Op 16 maart is enigszins afwijkend dat de auto ’s nachts is geëindigd op de [adres 1] en niet nabij het adres van de ex-partner of de vriendin van [medeverdachte 2].
Het voorgaande maakt dat het hof – anders dan in het geval van de Audi A4 op naam van [verdachte] – niet tot de conclusie komt dat [medeverdachte 2] ook in deze periode de
vastegebruiker was van de Opel Astra met kenteken [kenteken 2].
Uit de Track and Trace gegevens van de Audi A4 en de Opel Astra kan niet worden geconcludeerd dat [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] daarvan op een of meerdere momenten tussen 12 en 17 maart de inzittenden zijn geweest. [adres 1] was weliswaar de verblijfplaats van [medeverdachte 1], maar dit adres is onvoldoende onderscheidend nu dit ook met regelmaat door de overige verdachten werd bezocht. Voor het overige ontbreken in de Track and Trace gegevens van beide auto’s adressen die specifiek zouden kunnen wijzen in de richting van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1], zij het dat - juist – met de Opel Astra op 15 maart 2009 nog wel het adres van het kantoor van de advocaat van [medeverdachte 3] wordt bezocht.

Tussenconclusie: [verdachte] was de vaste gebruiker van de Audi A4 ([kenteken 3]). Gelet op het voorgaande en bij gebreke aan duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel gaat het hof ervan uit dat [verdachte] in de periode van 9 tot en met 18 maart 2009 steeds de gebruiker van deze auto is geweest.

Mede in aanmerking genomen a. het ontbreken van adressen die specifiek zouden kunnen wijzen in de richting van [medeverdachte 3], en b. de omstandigheid dat het niet voor de hand ligt dat [medeverdachte 3] tegelijkertijd met [verdachte] heeft overnacht op het adres van de vriendin van [verdachte], kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 3] zich als inzittende gelijktijdig met [verdachte] in de Audi A4 heeft bevonden.
[medeverdachte 2] heeft de Opel Astra ([kenteken 2]) gehuurd en in gebruik gehad, maar niet kan worden vastgesteld dat hij ook op 12, 13, 14 en 16 maart 2009 steeds de gebruiker is geweest.
Voor [medeverdachte 1] geldt dat niet kan worden vastgesteld dat hij tussen 12 en 17 maart 2009 de inzittende van de Opel Astra en/of de Audi A4 is geweest.
1.1.7
Huurauto’s in Hoek van Holland.
Uit de Track and Trace gegevens van de Audi A4 ([kenteken 3]) en de Opel Astra ([kenteken 2]) blijkt dat deze op de volgende momenten hebben stilgestaan op de Strandboulevard in Hoek van Holland:
12 maart 2009
Tussen 18.47 uur en 19.05 uur heeft de Opel Astra ([kenteken 2]) gedurende 18 minuten stilgestaan aan de Strandboulevard in een parkeervak tegenover de trap die toegang geeft tot een looppad in de duinen. Via dit looppad kan na 315 meter worden gekomen bij de vindplaats van het lichaam van [slachtoffer].
14 maart 2009
Beide voertuigen zijn uit Schiedam naar Hoek van Holland gekomen. Tussen 21.36 uur en 21.59 uur heeft de Opel Astra ([kenteken 2]) gedurende 23 minuten stilgestaan in een parkeervak aan de Strandboulevard tegenover de trap naar het looppad.
Tussen 21.37 uur en 21.59 uur heeft de Audi A4 ([kenteken 3]) gedurende 22 minuten stilgestaan in een parkeervak nagenoeg naast de Opel Astra ([kenteken 2]).
Beide voertuigen zijn hierna teruggereden naar Schiedam.
15 maart 2009
De Audi A4 ([kenteken 3]) heeft tussen 19.26 uur en 19.42 uur gedurende 16 minuten stilgestaan op de Strandboulevard op het gedeelte dat gelegen is tussen de trap die toegang geeft tot het looppad en de zogenaamde [naam keerlus] te Hoek van Holland.
16 maart 2009
Tussen 20.39 uur en 20.45 uur heeft de Audi A4 ([kenteken 3]) gedurende 6 minuten stilgestaan op de Strandboulevard op het gedeelte dat is gelegen tussen de trap die toegang geeft tot het looppad in de duinen en de zogenaamde [naam keerlus] te Hoek van Holland.
Tussen 20.45 uur en 21.55 uur heeft de Opel Astra ([kenteken 2]
)gedurende 1 uur en 10 minuten stilgestaan in een parkeervak aan de Strandboulevard tegenover de trap naar het looppad.
Tussen 20.46 uur en 21.55 uur heeft de Audi A4 ([kenteken 3]) gedurende 1 uur en 9 minuten stilgestaan in een parkeervak aan de Strandboulevard, nagenoeg naast de Opel Astra ([kenteken 2]), tegenover de trap.
Hierna zijn beide voertuigen gelijktijdig naar Leerdam vertrokken.
17 maart 2009
Tussen 00.35 uur 00.51 uur hebben er met de Audi A4 ([kenteken 3]) diverse kleine verplaatsingen plaatsgevonden aan de Strandboulevard.
De Audi A4 is hierna naar de [adres 2] in Schiedam gereden (safehouse groep Westen).
[verdachte] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van vragen over zijn betrokkenheid bij de huur, het gebruik en de locaties van deze auto’s op de bewuste data.
[medeverdachte 2] heeft ontkend dat hij ooit in Hoek van Holland is geweest.
Het hof stelt op basis van de Track and Trace gegevens van de Audi A4 ([kenteken 3]), in gebruik bij [verdachte], en de Opel Astra ([kenteken 2]) vast dat in de dagen voorafgaand aan 16 maart 2009 en op die bewuste dag voor de gebruikers van deze auto’s ruimte heeft bestaan om de plek uit te zoeken waar [slachtoffer] zou worden begraven en om het duingraf te graven.
Tussen 00.35 uur en 00.51 uur op 17 maart 2009 heeft de mogelijkheid bestaan [slachtoffer] in een reeds geprepareerd duingraf te begraven. Daarbij acht het hof de diverse kleine bewegingen die in die tijdspanne met de Audi A4 ([kenteken 3]) hebben plaatsgevonden op de Strandboulevard indicatief voor het hierbij op de uitkijk staan. Het hof acht het niet uitgesloten dat in een hieraan voorafgaande periode – mogelijk aansluitend op deze periode – er voor [verdachte] gelegenheid is geweest om [slachtoffer] (al dan niet samen met een ander of anderen) gefaseerd letsel toe te brengen en te doden, terwijl betrokkenheid daarbij van een ander of anderen dan de in deze zaak terechtstaande verdachten naar het oordeel van het hof eveneens niet voldoende kan worden uitgesloten. Wie daarbij welke rol heeft gehad is echter op basis van de voertuigbewegingen in en vanuit Hoek van Holland niet vast te stellen.

Tussenconclusie: de huurauto in gebruik bij [verdachte](Audi A4 met kenteken [kenteken 3]) is meerdere malen nabij de plek geweest waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, vlak voor, op en na de dag dat [slachtoffer] voor het laatst is gezien. Ditzelfde geldt voor de Opel Astra met kenteken [kenteken 2].
Er heeft op deze momenten gelet op de tijdspanne daarvan ruimte bestaan om een plek voor het duingraf uit te zoeken, dit te graven en [slachtoffer] daarin uiteindelijk te begraven.
Het hof houdt het ervoor dat [slachtoffer] op 17 maart 2009 tussen 00.35 uur en 00.51 uur in een reeds geprepareerd duingraf is begraven. Voorts houdt het hof het er gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de voertuigbewegingen van [verdachte] voor dat hij daarbij op de uitkijk heeft gestaan.
Zowel voor [verdachte] als voor anderen is er in een hieraan voorafgaande periode – mogelijk aansluitend op deze periode – gelegenheid geweest om [slachtoffer] letsel toe te brengen en te doden. Wie daarbij welke rol heeft gehad is echter op basis van de voertuigbewegingen in en vanuit Hoek van Holland niet vast te stellen.
1.1.8
Goederen in de Noordvest te Schiedam
De Audi A4 in gebruik bij [verdachte] is op 17 maart 2009 om 0.51 uur vertrokken vanaf de Strandboulevard. De volgende stop is om 2.04 uur nabij het safehouse aan de [adres 2] in Schiedam, waar deze heeft stilgestaan tot vroeg in de ochtend (5.30 uur). De auto is toen vertrokken naar Leerdam, maar heeft na enkele minuten een korte stop gemaakt aan de Noordvest in Schiedam, waar een singel is gelegen. In 2011 is in het water van de Noordvest onderzoek gedaan op deze plaats. Hierbij zijn diverse goederen opgedoken. Enkele van de goederen zijn herkend als eigendommen van [slachtoffer].
  • [getuige 5], die boven [slachtoffer] woonde, heeft een aangetroffen rugzak, een Boeddhabeeldje en een dekbedovertrek herkend.
  • [getuige 7], een jeugdvriend van [slachtoffer] die deel uitmaakte van de groep Oosten, heeft het Boeddhabeeldje herkend.
  • [getuige 8], die [slachtoffer] in de laatste maand van zijn leven nog heeft bezocht toen hij op zoek was naar een onderduikadres, heeft de rugzak herkend.
Op de aangetroffen rugzak waren mosselen aanwezig, waarnaar onderzoek is verricht. De resultaten van dat onderzoek waren waarschijnlijker wanneer de rugzak tussen oktober 2008 en mei 2009 in het water terecht is gekomen dan wanneer deze daarvoor of daarna is het water is gekomen. Dit kan dus passen bij de datum waarop [verdachte] bij de Noordvest is gestopt.
Naar het dekbedovertrek is in 2012 onderzoek gedaan bij Action in Enschede. Twee verkoopsters hebben het dekbedovertrek herkend als een overtrek dat ‘ongeveer drie jaar geleden’ bij Action werd verkocht. In 2013 heeft de directeur inkopen van Action onderzoek gedaan in de database van het bedrijf, maar daarin het betreffende dekbedovertrek niet aangetroffen. De kans dat een dekbedovertrek niet in de database voorkomt terwijl het niettemin bij Action is verkocht, schat hij op 5%. Gelet op de concrete en specifieke verklaring die [getuige 6] over de aanschaf van het dekbedovertrek voor [slachtoffer] heeft afgelegd en de steun die hieraan wordt geboden door de verklaringen van de verkoopsters, waarvan de juistheid niet wordt uitgesloten door de verklaring van de directeur inkoop, acht het hof de herkenning van het dekbedovertrek betrouwbaar.
Het hof neemt in ogenschouw dat de in de Noordvest aangetroffen voorwerpen niet in hoge mate onderscheidend zijn, omdat het gaat om voorwerpen waarvan er naar verwachting veel zijn geproduceerd. Ook bevatten de voorwerpen geen na productie ontstane bijzondere kenmerken die maken dat ze zonder twijfel aan [slachtoffer] te koppelen zijn. Hoewel bij een enkele herkenning van een aangetroffen voorwerp de bewijswaarde daarom discutabel zou zijn, maakt de onderlinge samenhang en de optelsom van de herkenningen dat het hof er wel degelijk van uitgaat dat de in de Noordvest aangetroffen goederen, te weten de rugzak, het Boeddhabeeldje en het dekbedovertrek aan [slachtoffer] hebben toebehoord.
[verdachte] heeft over het gebruik van de Audi A4 ([kenteken 3]) op 17 maart 2009, de stop aan de Noordvest en de aangetroffen goederen geen vragen willen beantwoorden.
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat persoonlijke goederen van [slachtoffer] op een andere datum en/of door een andere persoon dan [verdachte] op die locatie zijn weggegooid. Dat acht het hof dan ook niet aannemelijk.
Het hof merkt het wegmaken van deze goederen van [slachtoffer] aan als het wegmaken van sporen ter bemoeilijking van het latere opsporingsonderzoek.

Tussenconclusie: [verdachte] heeft op 17 maart 2009, acht uur nadat [slachtoffer] voor het laatst in leven is gezien, goederen van [slachtoffer] weggegooid in de Noordvest te Schiedam teneinde het latere opsporingsonderzoek naar de verdwijning van dan wel de moord op [slachtoffer] te bemoeilijken.
Hetgeen al dan niet kan worden vastgesteld op basis van de verklaringen van de getuigen [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10] en op basis van de inhoud van het OVC-gesprek tussen [getuige 11] en [getuige 12] komt in de hierna volgende bewijsoverwegingen aan de orde.
2.
De getuigenverklaringen
2.1
Inleiding
De tenlastelegging van de vier verdachten komt volledig overeen. Ten laste gelegd onder 1 is – kort samengevat - het plegen of medeplegen van moord, althans doodslag, op [slachtoffer], in de periode van 11 tot en met 25 maart 2009 te Leerdam en/of Hoek van Holland en/of Schiedam en/of Tiel, in elk geval in Nederland. Een medeplichtigheidsvariant is niet ten laste gelegd. Als gesteld is het onder 2 tenlastegelegde (het medeplegen van het wegmaken/verbergen van het lijk van [slachtoffer] in diezelfde periode) op grond van verjaring van dit feit in hoger beroep niet langer aan de orde. Voor de beoordeling van de bewijsbaarheid van het tenlastegelegde is thans dus nog slechts van belang of wat kan worden vastgesteld over de feitelijke gedragingen van de verdachte(n) voldoende is om de verdachte(n) aan te merken als pleger of medepleger van de moord/doodslag op [slachtoffer] ergens in Nederland.
Het openbaar ministerie heeft - overkoepelend - voor het dragende bewijs in de onderhavige zaak gewezen op de verklaringen afgelegd door [getuige 10] en op de inhoud van het OVC-gesprek tussen [getuige 11] en [getuige 12]. Het openbaar ministerie heeft ten aanzien van [medeverdachte 3] en [verdachte] gerekwireerd tot een veroordeling voor feit 1 en ten aanzien van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tot een vrijspraak.
De verdediging heeft zich in alle individuele zaken op het standpunt gesteld dat zij met de rechtbank concludeert dat alle vier de verdachten van feit 1 dienen te worden vrijgesproken.
De door het openbaar ministerie in de zaken van [medeverdachte 3] en [verdachte] voorgestane bewijsconstructie leent zich voor een gezamenlijke bespreking van het hof.
2.1.1.
Medeplegen - medeplichtigheid
Ten aanzien van deze twee al genoemde juridisch te onderscheiden vormen van (eventueel) daderschap acht het hof - vooropgesteld - het volgende van belang. De Hoge Raad heeft in zijn zogenoemde beslissingskaders ten aanzien van de deelnemingsvorm van medeplegen het volgende tot uiting gebracht.
In het geval van
medeplegenhouden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het hof voegt hieraan toe dat dit dan wel uit de wettige en betrouwbare bewijsmiddelen dient te blijken.
Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is volgens de Hoge Raad mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag:
medeplegen dan wel medeplichtigheidaan een strafbaar feit. Waar het verwijt bij
medeplegenzich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij
medeplichtigheid"het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf". Voor
medeplegenis vereist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage” aan het feit heeft geleverd. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met
medeplichtigheidin verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor
medeplegenvereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient tot slot opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
2.2
Getuigenverklaringen - de auditu - van [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10]
In het dossier 26Duin kunnen de verklaringen van de hierboven genoemde drie getuigen in beginsel worden beschouwd als belastend bewijsmateriaal dat kan wijzen in de richting van
het daderschapvan een of meer van de verdachten. Het gaat dan dus om de verklaringen die [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10] door de jaren heen in dit onderzoek tegenover de politie en de rechter-commissaris hebben afgelegd. De verklaringen van [getuige 7] en [getuige 9] hebben met elkaar gemeen dat zij naar het oordeel van het hof vrij algemeen van inhoud zijn en zeer weinig details kennen. Belangrijker is voorts dat zij alle drie volledig spruiten uit een en dezelfde bron, te weten de getuige/verdachte [getuige 13]. De drie getuigenverklaringen laten zich daarmee in juridische zin kenmerken als zogenoemde verklaringen ‘
de auditu’ (van horen zeggen).
[getuige 7]heeft tegenover de rechter-commissaris op 25 september 2019 ten aanzien van het daderschap van de verdachten in de kern het volgende verklaard. [getuige 7] heeft over de dood van [slachtoffer] veel uit de media gehoord en gelezen en veel uitspraken van mensen gehoord. Hij heeft het naar eigen zeggen allemaal “van via via”. [getuige 7] heeft [medeverdachte 3] nooit “face to face” gesproken. Er zijn evenwel mensen geweest die tegen hem hebben gezegd dat [medeverdachte 3] tegen hen heeft gezegd dat hij “het heeft gedaan”. [getuige 7] heeft eerder verklaard dat hij met [getuige 13] en [betrokkene 1] naar een kickboksgala is geweest, maar hij is daar niet zelf naar binnen gegaan (het hof begrijpt: hij was dus niet aanwezig bij het bewuste gesprek met [getuige 13]). Volgens [getuige 7] heeft [getuige 13] daar gesproken met [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] heeft tweemaal tegen [getuige 13] gezegd dat hij “het” heeft gedaan: bij het kickboksgala in 2009 en ergens in de periode dat [slachtoffer] gevonden was. Desgevraagd verklaart [getuige 7] dat hij over [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niets heeft gehoord.
[getuige 9]heeft tegenover de rechter-commissaris op 10 oktober 2019 een verklaring afgelegd. Hij heeft daar onder meer het volgende verklaard: “U houdt mij voor dat de politie mij op 14 november heeft gevraagd wat ik kon vertellen over de dood van [slachtoffer] en dat ik toen heb gezegd dat de mensen die nu vastzitten daar verantwoordelijk voor zijn. U vraagt mij hoe ik dat wist. Dat hebben ze verteld aan [getuige 13]. [getuige 13] heeft tegen mij gezegd dat zij daar verantwoordelijk voor zijn. De verdachten hebben dat toegegeven aan [getuige 13] tijdens het kickboksgala. Tijdens het kickboksgala heeft [verdachte] een touwtje doorgesneden en hij zei daarbij dat ‘ze het probleem in onze ‘tuin’ hadden opgelost’. (…) Ik weet alleen het detail van het touwtje. Dat was voor mij al een bevestiging dat zij erachter zaten. (…) U houdt mij voor dat ik zojuist heb gezegd dat [slachtoffer] is vermoord vlakbij de plek waar hij is gevonden. Ja, dat is mij verteld. (…) Ik weet dat [medeverdachte 3] en [verdachte] met een ontbloot bovenlijf in de auto zijn gestapt, omdat ze onder het bloed zaten. Ik neem aan dat [medeverdachte 2] dus in de auto zat en vlakbij was. (…) Ze zijn naar een appartement of flatje gereden. Dat weet ik omdat ik heb gelezen dat de badkamer was schoon gemaakt. Ik lees crimesites. (…) Ik heb later gelezen dat het een hele schone, professioneel en grondig gereinigde badkamer was dus ik neem aan dat zij daar zaten”. (…) De genoemde getuige heeft voorts verklaard: “Het kickboksgala was een paar maanden na de dood van [slachtoffer]. Ik was niet bij het kickboksgala. [getuige 13] was daar met [getuige 7]. (…) U vraagt mij of [getuige 13] mij heeft verteld wie er bij waren. [medeverdachte 3] en [verdachte] sowieso. (…) Ik heb ook gehoord van meerdere mensen dat zij verantwoordelijk zijn. Van [getuige 13] en [getuige 7]. (…) Ik ben later te weten gekomen waar het is gebeurd. Dat heb ik van [getuige 13] gehoord. De moord was op het strand, vlakbij de plek waar [slachtoffer] is gevonden. U vraagt mij wat ik daar verder van weet. Ik weet dat [verdachte] hem heeft geprobeerd te wurgen. [medeverdachte 3] heeft hem gestoken. Ze zaten allebei onder het bloed. [medeverdachte 2] zat in de auto verderop. Hij was niet bij het incident op het strand. Ik weet niet waar [medeverdachte 1] was. Dit heb ik allemaal van [getuige 13]. (…) U vraagt mij of er nog meer details zijn die ik weet over het strand. Nee. (…) Bij het kickboksgala hebben ze alleen gezegd dat ze verantwoordelijk zijn. Wat ik verder aan details vertel, weet ik van de tweede keer dat ze het toegaven. Ik weet niet meer precies wanneer die tweede keer was. Ik hoorde het toen van [getuige 13]. Ik weet niet wanneer [getuige 13] dit te weten is gekomen. [getuige 13] heeft mij eerst verteld dat ze hem hadden gezegd dat zij verantwoordelijk waren en later dat ze hem die details hadden verteld”.
[getuige 10]heeft tegenover de rechter-commissaris op 28 oktober 2019 een verklaring afgelegd, die onder meer inhoudt: “U vraagt mij wat ik kan verklaren over de moord op [slachtoffer]. Er is veel besproken en veel gezien. Een ding is duidelijk voor mij, [medeverdachte 3] heeft dat gedaan. Hij doet daar niet geheimzinnig over, hij ontkent het niet”. (…) “Binnen onze groep stond vast dat [medeverdachte 3] het heeft gedaan, maar dat werd niet duidelijk gezegd. Ik weet alleen dat [medeverdachte 2] een chauffeurtje was. [medeverdachte 3] zei: “Die dikke doet niet veel, hij kan alleen goed rijden”. Hij heeft niet verteld wat er met [slachtoffer] in de duinen zou zijn gebeurd”. (…) “U vraagt mij van wie ik weet wat er in de duinen is gebeurd. Dat heb ik gehoord van de groep zelf. Van [getuige 7] en [getuige 13]. Ik weet niet wanneer [getuige 13] dat van [medeverdachte 3] heeft gehoord, ik weet wel dat het een gesprek was tussen [medeverdachte 3], [getuige 13] en [getuige 7]. Dat gesprek heeft plaatsgevonden toen [slachtoffer] nog niet gevonden was. Ik weet niet wanneer ik dat verhaal hoorde. U zegt mij dat ik bij de politie veel verklaringen heb afgelegd. U vraagt mij of ik bij de politie de waarheid heb verteld. Ik heb niet gelogen. Ik weet gewoon dat [medeverdachte 3] en [verdachte] [slachtoffer] hebben vermoord. (…) Bij dat gesprek tussen [medeverdachte 3], [getuige 13] en [getuige 7] werd gezegd dat het geregeld was met [slachtoffer]. [medeverdachte 3] had gezegd dat ze nu quitte stonden. Toen kwamen [getuige 13] en [getuige 7] terug en vertelden aan mij en [getuige 9] dat de Chinees (het hof begrijpt: de bijnaam van [slachtoffer]) niet meer terug kwam, dat hadden ze van [medeverdachte 3] gehoord. Toen werd [slachtoffer] gevonden”. (…) “Ik heb van niemand details gehoord over wat er op het strand is gebeurd. Wat ik weet is wat ik heb gehoord van [medeverdachte 3], [getuige 7] en [getuige 13]”.
[getuige 10] heeft eerder op 16 mei 2017 tegenover de politie
de auditunog het volgende verklaard. [getuige 13] heeft tegen deze getuige gezegd dat hij, [getuige 13], had gehoord van [medeverdachte 3] en [verdachte], dat [slachtoffer] naar die plek was gelokt. Toen [slachtoffer] daar was aangekomen pakte [verdachte] hem op de nek en probeerde deze [slachtoffer] te wurgen. Dood wurgen. Maar dat lukte hem niet. De Chinees wou niet doodgaan. Vervolgens stak [verdachte] met een mes in zijn been en toen hebben ze hem opengesneden, in het gat gedumpt en dichtgemaakt.
[getuige 10] heeft daarover nog iets eerder op 9 mei 2017 tegenover de politie als volgt verklaard. [getuige 13] vertelde dat die jongens – [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] - tegen [slachtoffer] hebben gezegd dat het graf moest worden gegraven op die en die plek. [slachtoffer] was daar naartoe gegaan, en toen heeft [verdachte] hem geprobeerd te wurgen, maar dat lukte niet, want de Chinees wou niet doodgaan. Vervolgens heeft [medeverdachte 3] hem in zijn been gestoken, hebben zij de keel opengesneden, en in een gat gedumpt. Zo heeft [getuige 13] het verhaal tegen mij verteld, aldus [getuige 10].
2.3
Verklaringen [getuige 13]
[getuige 13]heeft desgevraagd over de inhoud van zijn eigen mededelingen aan de drie genoemde
de auditugetuigen geen inhoudelijke verklaringen af willen leggen tegenover de politie. Ook bij de rechter-commissaris kon hij op dit specifieke punt niet worden gehoord nu hij zich daar telkens heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. De getuige heeft desgevraagd nog wel het volgende naar voren gebracht: “[getuige 10] brengt het alsof [getuige 7] eerder wist dan de politie van het overlijden van [slachtoffer]. Dat klopt niet. Nadat [slachtoffer] was gevonden, heeft [getuige 7] diezelfde dag nog een gesprek gehad met [getuige 10] en daarin heeft [getuige 7] gezegd dat [slachtoffer] was gevonden. [getuige 7] was ook een vriend van [slachtoffer] en hij was er ook van geschrokken. [getuige 10] was niet dichtbij ons. (…) U vraagt mij wat ik ermee bedoel als ik zeg: “[getuige 10] was niet dichtbij ons”. Ik bedoel daarmee dat hij geen directe vriend was van ons, we zagen hem niet dagelijks en hij ging niet mee sporten. Ik was wel directe vrienden met [getuige 7] en [getuige 9]”.
[getuige 13] is tot op de dag van vandaag nog verdachte in het onderzoek 26Duin.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich - in de kern samengevat - op het standpunt gesteld, waar het de
de audituverklaringen van [getuige 10] betreft, dat [getuige 10] “een betrouwbare getuige is wiens verklaringen ondersteuning bieden aan de andere bewijsmiddelen”. Het openbaar ministerie heeft voor het dragende bewijs in onderhavige zaak, als gezegd, in hoofdzaak op de eerste plaats gewezen op de verklaringen afgelegd door [getuige 10], waarvoor het openbaar ministerie mede acht heeft geslagen op de inhoud van de overige
de audituverklaringen van [getuige 7] en [getuige 9], bezien tegen het licht van de overige bewijsmiddelen in het dossier.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd – in de kern samengevat – dat de
de audituverklaringen van alle getuigen, en in het bijzonder die van [getuige 10], wegens onbetrouwbaarheid moeten worden uitgesloten van het bewijs. In dat verband is er onder meer op gewezen dat de verklaringen niet op eigen waarneming zijn gebaseerd en op de onbetrouwbaarheid van de bron van de informatie waarover de getuigen spreken, te weten [getuige 13].
Beoordeling hof
Het hof stelt bij zijn oordeel voorop dat genoemde
de audituverklaringen in potentie doorslaggevend bewijs kunnen vormen. Zo ook in deze zaak op het punt van het eventuele daderschap van de verdachte(n). Voorwaarde daarvoor is evenwel dat getoetst en vastgesteld moet kunnen worden dat sprake is van betrouwbaar bewijsmateriaal.
Het hof betrekt bij het oordeel ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze verklaringen op het punt van het eventuele
daderschapvan de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) achtereenvolgens dat naar het oordeel van het hof:
  • het merendeel van de
  • deze verklaringen onderling in de kern op detailniveau weinig overeenkomsten vertonen - terwijl de bron daarvan steeds dezelfde [getuige 13] betreft;
  • de bron van de
  • de verschillende getuigenverklaringen van [getuige 10] op verschillende punten - evident - innerlijk tegenstrijdig zijn, bijvoorbeeld en daarmee rakend aan de kern van de zaak: wie [slachtoffer] heeft gestoken met een mes;
  • de bron van de
  • de
  • de
Op grond van de hiervoor aangegeven gronden en zeker in samenhang bezien is het hof van oordeel dat de
de audituverklaringen van de genoemde getuigen niet kunnen worden gebezigd tot het bewijs nu deze verklaringen in de kern beschouwd wat betreft de betrouwbaarheid daarvan niet voldoende kunnen worden getoetst, de verklaringen van [getuige 10] op zichzelf onvoldoende innerlijk consistent zijn en deze voorts deels in strijd zijn met overige onderzoeksbevindingen. Dit geldt temeer nu de verdediging ter zitting ernstige aanwijzingen en concrete aanknopingspunten heeft benoemd waardoor aan de betrouwbaarheid van de bron van de
de audituverklaringen – het gaat dan om de intrinsieke betrouwbaarheid van [getuige 13] als bron getuige – kan worden getwijfeld met het oog op diens eigen mogelijke betrokkenheid bij onderhavige strafzaak en zijn getroebleerde relatie met [slachtoffer]. [getuige 13] zou een belang kunnen hebben om anderen ten onrechte te belasten. De door het openbaar ministerie bij requisitoir naar voren gebrachte omstandigheid dat [getuige 7] en [getuige 9] kennelijk op een dodenlijst zijn geplaatst door [medeverdachte 3], acht het hof, anders dan het openbaar ministerie, niet ondersteunend aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen, maar veeleer een omstandigheid waardoor met extra behoedzaamheid met de bewijswaardering van deze getuigenverklaringen dient te worden omgegaan.
Tussenconclusie
Het hof zal alles bijeengenomen en overeenkomstig het betoog van de verdediging en de rechtbank in eerste aanleg de
de audituverklaringen van [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10] uitsluiten van het bewijs.
2.4
Getuigenverklaring van [getuige 10]- uit eigen wetenschap
Inleiding
[getuige 10] heeft naast zijn
de audituverklaringen als getuige bij de politie en rechter-commissaris voorts verklaard dat hij, via door hem en [medeverdachte 3] uitgewisselde PGP-berichten, door [medeverdachte 3]
zelfis geïnformeerd over het daderschap van [medeverdachte 3] en [verdachte]. [medeverdachte 3] zou namelijk tegenover [getuige 10] hebben “gezegd” dat hij, [medeverdachte 3], [slachtoffer] heeft vermoord. [getuige 10] heeft hierover tegenover de rechter-commissaris op 28 oktober 2019 het volgende verklaard:
“Ik heb via de telefoon wel eens gesprekken gehad met [medeverdachte 3], via Aerochat. [medeverdachte 3] had het in die gesprekken veel over [getuige 13]. Hij vertelde dan dat [getuige 13] het niet had gedaan, maar dat zij het hadden gedaan. Ik heb [medeverdachte 3] gevraagd hoe het zat met het verhaal van [slachtoffer]. Hij vertelde dan dat [slachtoffer] het verdiende. Ik weet niet hoe vaak ik met [medeverdachte 3] heb gesproken. U vraagt mij wat voor soort gesprekken het waren en op wiens initiatief die tot stand kwamen. Ik kwam weleens bij iemand in de buurt van Gronau, [betrokkene 2], een Marokkaan, die daar een speelhal had. Hij had een encrypted telefoon. Als ik daar kwam zat [betrokkene 2] in een telefoongesprek met die encrypted telefoon. [betrokkene 2] zei toen dat [medeverdachte 3] ook in dat gesprek zat”. (…) “U vraagt hoe het gesprek op [slachtoffer] kwam. De encrypted gesprekken gingen ook wel over [slachtoffer]. [slachtoffer] was een vriend, ik kende hem persoonlijk. Ik wilde van [medeverdachte 3] weten of hij het had gedaan of [getuige 13]. [medeverdachte 3] heeft niet ontkend dat hij [slachtoffer] heeft gedood, maar hij heeft altijd geprobeerd het op [getuige 13] te schuiven. U vraagt mij waarop ik baseer dat [medeverdachte 3] [slachtoffer] heeft vermoord. Dat heeft hij mij gezegd. Op uw vraag zeg ik dat ik daarmee bedoel dat hij dat via de encrypted telefoon heeft geschreven. [medeverdachte 3] was een keer boos op mij en zei dat hij met mij hetzelfde ging doen als met [slachtoffer]. Dat heeft hij letterlijk geschreven. Alles wat ik tot nu toe heb verteld van wat ik van [medeverdachte 3] heb gehoord is via getypte berichten. U vraagt mij wat [medeverdachte 3] schreef over de dood van [slachtoffer]. Hij schreef “dood is dood, dood praat niet meer, laat het daarbij.” Ik vroeg of hij het had gedaan. Hij probeerde het een beetje op [getuige 13] te schuiven. Hij zei dat hij het wel had gedaan, maar dat hij het van [getuige 13] moest doen. Later was hij boos op mij en toen schreef hij dat hij met mij hetzelfde ging doen als met [slachtoffer]. [medeverdachte 3] ontkende niet en hij bekende ook niet dat hij het had gedaan. Hij zei “dood is dood, en laat het erbij”. U vraagt mij wanneer [medeverdachte 3] schreef dat hij het had gedaan in opdracht van [getuige 13]. [medeverdachte 3] heeft dat niet tegen mij gezegd, maar [betrokkene 2] heeft dat tegen mij gezegd. U vraagt mij of ik [medeverdachte 3] heb gevraagd wat hij precies met [slachtoffer] heeft gedaan. Er werd heen en weer naar elkaar gescholden. [medeverdachte 3] heeft toen gewoon geschreven aan mij dat hij [slachtoffer] heeft vermoord. Hij schreef: ik ga met jou hetzelfde doen als met die Chinees. Hij heeft niet verteld wat hij precies heeft gedaan.”
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat relevant voor het bewijs is dat [getuige 10] ook zelf contacten heeft onderhouden met [medeverdachte 3], en, daarop specifiek bevraagd door [getuige 10], dat “[medeverdachte 3] het vermoorden van [slachtoffer] niet heeft ontkend”.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich – kort samengevat - op het standpunt gesteld dat ook deze verklaringen van [getuige 10] volstrekt ongeloofwaardig zijn en derhalve voor het bewijs dienen te worden uitgesloten.
Beoordeling hof
[getuige 10] is talloze malen gehoord als getuige door de politie. Daarnaast is [getuige 10] tijdelijk ook als verdachte in onderhavige zaak aangemerkt. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen – op het punt van het eventuele
daderschapvan de verdachte(n), en in het bijzonder ten aanzien van [medeverdachte 3] en [verdachte]- geldt dat deze verklaringen - alleen al bij eerste lezing - allerhande vragen (blijven) oproepen, aan meerdere innerlijke tegenstrijdigheden lijden, en ook overigens vaag en niet of nauwelijks gedetailleerd van inhoud zijn. De verklaring van [getuige 10] over het voeren van de zogeheten encrypted gesprekken en de inhoud daarvan vindt overigens ook geen steun in ander bewijs.
Daar komt ten aanzien van de intrinsieke betrouwbaarheid van [getuige 10] als getuige rond het daderschap van een of meer verdachten nog het volgende bij. De meermalen herhaalde blote stelling van [getuige 10] dat [medeverdachte 3] [slachtoffer] zou hebben vermoord, verbindt deze getuige klaarblijkelijk aan bedreigende uitingen van [medeverdachte 3] aan het adres van [getuige 10] zelf. De gevolgtrekking die [getuige 10] daaraan verbindt, komt het hof evenwel als speculatief en onnavolgbaar voor en deze is bovendien volledig in strijd met de verklaring(en) van [getuige 10] dat [medeverdachte 3] tegenover hem nooit heeft bekend, noch heeft ontkend. De getuigenverklaringen van [getuige 10] acht het hof derhalve ook in zoverre volstrekt niet voldoende betrouwbaar om deze tot het bewijs te bezigen. Dat de verklaringen van [getuige 10] op andere punten dan het daderschap van de verdachte(n) en op hoofdlijnen (over bijvoorbeeld de verhoudingen en gebeurtenissen binnen de verschillende criminele netwerken) in het dossier wel degelijk steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals het openbaar ministerie heeft aangevoerd moge zo zijn, maar dat maakt de beoordeling van de bewijswaarde van zijn verklaringen op het springende punt van het veronderstelde daderschap van de verdachte(n) naar het oordeel van het hof niet anders.
Tussenconclusie
Het hof zal derhalve overeenkomstig het verweer van de verdediging en de rechtbank in eerste aanleg (ook) de verklaringen van [getuige 10] ‘uit eigen wetenschap’ uitsluiten van het bewijs.
2.5
OVC-bewijs [getuige 11] – [getuige 12]
In een ander strafrechtelijk onderzoek genaamd 26Parkcity was in de auto van een persoon genaamd [getuige 12] verborgen opnameapparatuur (OVC) geplaatst. In de auto vond op 12 mei 2020 tussen [getuige 12] (12) en [getuige 11] (11) het volgende gesprek plaats:
“11: weet je wat het is. Ik ben altijd eerlijk geweest tegen iedereen. En hebt ie toen natuurlijk die ene gozer, die Pinda, achter me aangestuurd om me uit te horen. Ik weet niet hoe lang
12: Pinda?
11: Van die Kong Fu euh… we noemen hem altijd Kong Fu Panda. Van die tattoo killers. [verdachte]. Die kleine Molukse is dat.
12: Hij die hij achter jou aan heeft gestuurd?
11: Die heb ik weet niet hoe vaak bij mij afgesproken.
12: oooohw..
11: Die heb eten voor me betaald, gingen we weer uit eten dit en dat…
12: oooooooooohw.. hooooooooooeeeeeeee..door wie is dat gebeurd dan
11: Ja nou. Ik denk dat [betrokkene 3] dat toen heeft gedaan om mij een beetje uit te horen toch?
12: ooooohw… dát zal het geweest zijn…
12: Ja die hebben levenslang euh…
11: Nee, die zijn vrijgesproken.
11: [verdachte] die loopt voor [betrokkene 3].
(..)
11: Die [verdachte], dat weet ik nog wel. Ach, ach, Wat was dat een gast was dat…Hij was ook 1 meter 60 hoog was die geloof ik.
12: Hij was niet zo groot
11: Wel een hele aardige gast hoor.
Wat ik wist wat ie allemaal had gedaan, dan euh..kijk je er ook wel anders naar.
12: ja euh..
11:
Engerd was dat hoor.
12:
Die hebben natuurlijk euh.. die vent euh…z’n hoofd eraf gesneden. Gemarteld..euh..
11:
Ja, hij zat me alles te vertellen. Hij zegt, ze hadden hem in het zand begraven. Zeg maar omdat het ging regenen was het omhoog gekomen. Hij zegt anders hadden ze hem nooit gevonden. Hoe die dat allemaal zat te vertellen gewoon en hij was gewoon aan het eten.. en ik zat daar… Wat the fuck is dit..
12:
[slachtoffer]
11: als je hem ziet lopen dan is het gewoon een heel lief ventje weet je wel
12: Hij is wel stevig hoor…
11: Ja je moet geen ruzie met hem hebben want hij stompt je helemaal in elkaar.. Ik heb hem toen gezien met kickboksen, ben ik een paar keer mee geweest. Toen dacht ik ‘nou!’ Niet helemaal euh.. jofel.”
Standpunt openbaar ministerie
Wat het openbaar ministerie betreft blijkt uit de uitwerking van het gesprek dat [getuige 11] het doden en begraven van [slachtoffer] koppelt aan [verdachte]. En niet aan andere ‘derde’ personen doordat ze daarvoor zegt dat ze uiteindelijk wist ‘wat ie allemaal had gedaan’. Verder wijst het openbaar ministerie op heel specifieke daderkennis, gelet op de aanduiding van de weersomstandigheden rond 23, 24 en 25 maart 2009, in welke tijd 15,8 mm regen is gevallen in Hoek van Holland. Het openbaar ministerie concludeert hieruit dat dit OVC-gesprek ondersteuning biedt voor de conclusie dat [medeverdachte 3] en [verdachte] [slachtoffer] hebben vermoord en begraven in de duinen van Hoek van Holland.
Standpunt verdediging
De verdediging – die niet heeft weersproken dat dit OVC-gesprek [verdachte] tot onderwerp heeft gehad - heeft erop gewezen dat hetgeen besproken is tussen [getuige 11] en [getuige 12] zich ook leent voor een andere duiding van de bewoordingen, waarmee de link tussen het vermoorden van [slachtoffer] in de duinen enerzijds en de gedachte dat dit zou zijn gedaan door de verdachte(n) in deze zaak anderzijds niet kan worden gelegd. De verdediging heeft hierbij voorts nog naar voren gebracht dat het door [getuige 11] aangehaalde gesprek met [verdachte] een gesprek is geweest, niet zozeer met betrekking tot wat hij, [verdachte], daadwerkelijk zou hebben gedaan, maar veeleer met betrekking tot de beschuldigingen van het openbaar ministerie waartegen hij zich diende te verweren.
Het OVC-gesprek is ter terechtzitting in hoger beroep aan [verdachte] voorgehouden. Hij heeft hierop geen reactie willen geven, noch vragen willen beantwoorden over het contact met [getuige 11].
Oordeel hof
Het hof wijst voor de duiding van dit OVC-gesprek er allereerst op dat dit gesprek mede gezien de context daarvan onmiskenbaar ziet op [verdachte].
Van belang acht het hof voorts dat [getuige 12] en [getuige 11] het onderlinge gesprek in het bijzonder als volgt voeren:
12: Die hebben natuurlijk euh.. die vent euh... z'n hoofd eraf gesneden. Gemarteld•• euh••
11: Ja, hij zat me alles te vertellen. Hij zegt, ze hadden hem in het zand begraven. Zeg maar omdat het ging regenen was het omhoog gekomen. Hij zegt anders hadden ze hem nooit gevonden. Hoe die dat allemaal zat te vertellen gewoon en hij was gewoon aan het eten.. en ik zat daar... Wat the fuck is dit..
12
:[slachtoffer]
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord op wie de aanduiding “die” (vervolgens gecontinueerd in de meervoudsvorm) terugslaat, “die” z’n hoofd eraf hebben gesneden, gemarteld, zoals door [getuige 12] wordt gesteld, waarbij het hof niet kan vaststellen op welke informatiebron deze veronderstelling van [getuige 12] is gebaseerd, in elk geval blijkens het verloop van het onderhavige OVC-gesprek niet [getuige 11]. Hoewel [getuige 11] de veronderstelling van [getuige 12] vervolgens met een korte bevestiging erkent, wordt ook daarmee nog steeds niet precies verhelderd op
exactwelke groep personen dit ziet.
[getuige 11] vervolgt, na haar korte bevestiging aan [getuige 12], met de constatering dat [verdachte] haar “alles” zat te vertellen: “Hij zegt,
zehadden hem in het zand begraven”. Het hof stelt hier enerzijds met de verdediging vast dat “ze” in dit verband ook kan zien op anderen dan [verdachte] en zijn medeverdachte(n). Het hof stelt anderzijds met het openbaar ministerie vast dat “ze” ook kan zien op [verdachte] en een (of meer van zijn) medeverdachte(n). Echter, zelfs uitgaande van deze laatste interpretatie van de bewoordingen van [getuige 11], rijst de vraag of met de bewoordingen “ze hadden hem in het zand begraven”, buiten redelijke twijfel en zonder meer voorts kan worden vastgesteld, mede gelet op de context van het gesprek, dat hieruit volgt dat [verdachte] en een of meer van zijn medeverdachte(n) voorafgaande aan het begraven van [slachtoffer] (feit 2) tezamen en in vereniging ook de moord/doodslag op [slachtoffer] hebben gepleegd (feit 1). Of kan hiermee “slechts” worden vastgesteld dat zij tezamen en in vereniging het lijk van [slachtoffer] hebben begraven overeenkomstig de exacte bewoordingen van [getuige 11] (feit 2)?
De specifieke “daderkennis” waarop het openbaar ministerie mede de aandacht vestigt, correspondeert in elk geval niet zozeer of uitsluitend en in het bijzonder met een eventueel daderschap van feit 1 maar evenzeer met (uitsluitend) een (verjaard) daderschap van feit 2. Dat [getuige 11] hiervoor opmerkt dat [verdachte] “me
alleszat te vertellen” maakt dit – anders dan het openbaar ministerie stelt – naar het oordeel van het hof ook niet zonder meer anders nu dit een invulling van de bewoordingen vergt van [getuige 11] die zij niet zelf heeft uitgesproken. Eveneens anders dan het openbaar ministerie, ziet het hof geen uiting van “daderkennis” van feit 1 in de opmerking dat – zakelijk weergegeven – ‘het omhoog was gekomen omdat het ging regenen en dat ze hem anders nooit hadden gevonden’. Weliswaar staat voldoende vast dat het heeft geregend in de dagen tussen het begraven van het lichaam van [slachtoffer] en het aantreffen daarvan en dat er water aanwezig was in de grafkuil vanwege de hoge grondwaterstand, maar daarmee is niet gezegd dat de regen (of de grondwaterstand) iets te maken heeft gehad met het ontdekken van dit specifieke graf. Dit lijkt in casu ook geenszins het geval. Het graf van [slachtoffer] is gevonden omdat vrijwilligers in het duingebied hadden opgemerkt dat het beeld van de grond er op deze plek afwijkend uitzag en leek te zijn verstoord, hetgeen opmerkelijk was voor deze locatie. Dat laat weliswaar onverlet de mogelijkheid dat [verdachte] in de genoemde veronderstelling kan hebben verkeerd, maar ook die redenering zegt niets, althans niets doorslaggevends, over het door het openbaar ministerie veronderstelde daderschap van [verdachte] bij de moord althans doodslag op [slachtoffer] (feit 1), nu ook iets anders, en zelfs het eventuele daderschap van feit 2 die veronderstelling bij [verdachte] kan hebben gevoed.
De conclusie van het hof luidt dat het bijzonder betreurenswaardig is dat [getuige 11], die later tegenover de politie verklaart dat zij zich het gesprek in de auto met [getuige 12] nog wel kon herinneren, geen verdere vragen van de politie wilde beantwoorden. De precieze duiding van haar bewoordingen in dit voor het bewijs cruciale OVC-gesprek zal derhalve niet nader kunnen worden ontsloten dan hiervoor is vastgesteld. Het hof is bovendien van oordeel dat uit onderhavig OVC-gesprek hooguit met een voldoende mate van zekerheid kan worden opgemaakt dat [getuige 11] erover heeft gesproken dat zij van [verdachte] heeft gehoord dat “ze” – mogelijk [verdachte] en minst genomen een andere persoon - [slachtoffer] hebben begraven in het zand, klaarblijkelijk gelet op de overige hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in Hoek van Holland in de ten laste gelegde periode (verjaard feit 2).
3.
Slotbeoordeling
In eerste aanleg bracht het openbaar ministerie in het requisitoir onder meer het volgende naar voren: “
Op het eerste gezicht lijkt de zaak Duin een zaak met een problematische bewijsvraag. Vaststaat dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven gekomen is. Verder lijkt veel onduidelijk. Hoewel er zeer veel tijd en energie is gestoken in het onderzoek, blijven er vragen over het tijdstip waarop [slachtoffer] moet zijn overleden, de plaats waar hij om het leven is gebracht, het moordwapen, het motief en de betrokken personen.‘ Sindsdien is er niet veel veranderd. Nader onderzoek in hoger beroep heeft weinig of niets opgeleverd dat kan worden aangemerkt als belastend, laat staan dat gezegd kan worden dat de uitkomsten daarvan noemenswaardig licht werpen op het antwoord op de vraag waar deze strafzaak om draait, te weten wie [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.
Gelet op al het voorgaande, waaronder de door het hof vastgestelde feiten en de daaraan verbonden tussenconclusies kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het onder 1 tenlastegelegde is gepleegd door meer dan één persoon. Daarvoor is geen betrouwbaar bewijsmiddel voorhanden. De verklaringen van [getuige 7], [getuige 9] en [getuige 10] acht het hof daartoe immers niet bruikbaar, terwijl ook de inhoud van het hiervoor besproken OVC-gesprek tussen [getuige 12] en [getuige 11] door het hof niet als redengevend voor een bewezenverklaring van feit 1 kan worden beschouwd. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de op grond daarvan beschikbare potentiële bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld door wie [slachtoffer] is gedood. Het verhandelde ter terechtzitting biedt ten aanzien van [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – met name gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aan de track and trace gegevens te verbinden conclusies – dan ook zonder meer onvoldoende aanknopingspunten voor een bewezenverklaring van feit 1.
Ten overvloede overweegt het hof nog dat met betrekking tot de toedracht van feit 1 zich dus niet de in ECLI:NL:HR:2016:1323 bedoelde situatie voordoet waarin wel kan worden vastgesteld dat het feit "in vereniging" is begaan, maar de rolverdeling niet direct duidelijk is. Overigens is er ook geen sprake van omstandigheden die zo sterk op betrokkenheid van de verdachte bij het om het leven brengen van [slachtoffer] duiden, dat die maken dat sprake is van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke (hem ontlastende) verklaring van de verdachte ertoe leidt dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen.
In het verlengde hiervan stelt het hof mede op grond van de inhoud van het OVC-gesprek en in het bijzonder de Track and Trace gegevens voorts vast dat het mogelijke aandeel van [verdachte] bij feit 1 op grond van de thans voorhanden zijnde wel bruikbare bewijsmiddelen naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft bestaan uit gedragingen die met
medeplichtigheidin verband plegen te worden gebracht. Te weten in concreto: het in de Audi A4 op de uitkijk staan in de nacht van 17 maart 2009 bij het begraven van het lijk van [slachtoffer] op diezelfde datum, en het nog iets later op diezelfde dag ’s ochtends vroeg wegmaken van bewijsmateriaal dat met [slachtoffer] in verband kan worden gebracht.
Daarmee rust vervolgens op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad op het hof de taak om, ingeval het hof toch zou menen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de moord/doodslag op [slachtoffer] te kunnen komen bij [verdachte], in de bewijsvoering - in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Echter, hieraan staat in de weg dat het hof in het onderhavige geval onvoldoende kan vaststellen met betrekking tot onder meer de intensiteit van de voor medeplegen vereiste samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de te onderscheiden rollen in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Op dit punt heeft ook het openbaar ministerie geen enkel inzicht gegeven (of beter gezegd: kunnen geven). Aan het enkele zich niet distantiëren van het feit 1 komt op zichzelf geen grote betekenis toe. Het gaat erom dat een verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Nu dat ten aanzien van geen van de in deze zaak terechtstaande verdachten buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld moet dit bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs bij alle verdachten leiden tot een vrijspraak van feit 1.

Het hof spreekt de verdachte derhalve vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, als voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 juli 2026.