ECLI:NL:GHDHA:2026:2313

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
22-003206-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling politieagent en gevaarlijk rijgedrag

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging zware mishandeling van een politieagent en gevaarlijk rijgedrag, en vrijgesproken van poging doodslag. In hoger beroep bevestigde het hof deze uitkomst, maar wijzigde de strafmotivering en strafoplegging.

De feiten betreffen een dollemansrit waarbij de verdachte met een ingevorderd rijbewijs en met zeer hoge snelheid stoptekens van de politie negeerde en met zijn auto op een politieagent inreed, die hierdoor letsel opliep. De verdachte toonde weinig besef van de ernst van zijn handelen en legde de verantwoordelijkheid deels bij de politie.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte de politieagent ernstig in gevaar bracht en de verkeersveiligheid in ernstige mate schaadde. Gelet op zijn strafblad en kwetsbare positie adviseerde de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Het hof legde een gevangenisstraf van 11 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 4 jaar.

Daarnaast kende het hof aan de politieagent immateriële schadevergoeding toe van €1.750,- wegens de psychische en fysieke gevolgen van het incident. De in beslag genomen auto, die op naam van de moeder van de verdachte stond, werd teruggegeven omdat niet aan de wettelijke vereisten voor verbeurdverklaring was voldaan.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf (waarvan 3 voorwaardelijk), 4 jaar rijontzegging en schadevergoeding aan politieagent.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003206-23
Parketnummer: 09-087251-23
Datum uitspraak: 24 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 2 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Daarnaast is een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren opgelegd. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij en het beslag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis beperkt hoger beroep ingesteld, in die zin dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de veroordelingen voor feit 2 impliciet subsidiair en feit 3.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte rechtsmiddel alleen gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 impliciet subsidiair en 3 tenlastegelegde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte bevestigd dat het hoger beroep beperkt is ingesteld.
Het voorgaande brengt mee dat het hof – nu in eerste aanleg ter zake van het onder 2 impliciet subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde één hoofdstraf is uitgesproken – op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder 4 en 5 bewezenverklaarde zal bepalen.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis, voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 28 maart 2023 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer hierna hoofdagent 1] (hoofdagent bij Politie Eenheid den Haag) opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (hard) gasgevend op die [hoofdagent 1] is in-/ afgereden, waardoor die [hoofdagent 1] door de personenauto is geraakt/aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 28 maart 2023 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, Volkswagen Golf), daarmee rijdende op de weg, de A12, richting de Goudse Poort en/of de A12 richting Utrecht en/of de Reeuwijkse Houtwal richting de Surfplas en/of de Reeuwijkse Randweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- niet te voldoen aan een door [hoofdagent 1] en/of [hoofdagent 2] (beiden werkzaam als hoofdagent bij Politie Eenheid den Haag en/of de Landelijke Eenheid), middels een oplichtende transparant aan de voorzijde van het dienstvoertuig gegeven stopteken en/of
- met (zeer) hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, zich van rijstrook 1 naar rijstrook 4, althans over meerdere rijstroken te verplaatsen en/of
- te rijden met (zeer) hoge snelheid, namelijk (meer dan) ongeveer 234 km per uur, althans aanmekerlijk harder dan ter plaatse is toegestaan en/of
- ( met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) meermalen, althans eenmaal, in de richting van een stilstaande dienstvoertuig te rijden en/of dit dienstvoertuig (vervolgens) te rammen, althans tegen dat dienstvoertuig aan te rijden en/of
- tijdens het rijden de verlichting van zijn voertuig te doven, terwijl het donker was door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de straffen en dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 impliciet primair wordt vrijgesproken en ter zake van het onder 2 impliciet subsidiair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd.
Voorts vordert de advocaat-generaal de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren ten aanzien van feit 2 impliciet subsidiair.
Ten aanzien van het onder 4 en 5 in eerste aanleg bewezenverklaarde vordert de advocaat-generaal dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straffen en de motivering daarvan.
In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin het hierna te vermelden bewijsmiddel 3 in het vonnis doorhaalt en als bewijsmiddel toevoegt de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep:
Het hof haalt bewijsmiddel 3 van het vonnis onder ‘De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 september 2023’ door.
Als bewijsmiddel wordt toegevoegd:
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2026’, voor zover inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – :
Ik heb die dag [het hof begrijpt: 28 maart 2023] een grote fout gemaakt. Ik reed harder dan de toegestane snelheid, zonder geldig rijbewijs. Ik zag de politie en wilde vluchten door weg te rijden. Ik zag dat een van de politieagenten naast het dienstvoertuig stond.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve – behoudens voor zover het wordt vernietigd – onder wijziging van gronden te worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten aanzien van feit 2 impliciet subsidiair en 3:
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door met zijn auto accelererend en zonder te remmen in te rijden op een politieagent, die vervolgens door de verdachte is geraakt. Hij heeft daarmee de politieagent ernstig in gevaar gebracht. Dit is reeds op zichzelf een zeer ernstig feit. Dat dit handelen van de verdachte geen ernstiger gevolgen heeft gehad is een gelukkige omstandigheid, die echter niet aan de verdachte te danken is geweest, maar uitsluitend aan de snelle reactie van de betrokken agent. Nog kwalijker is het dat de verdachte dit deed, terwijl de betreffende agent bezig was met het uitoefenen van zijn publieke taak, het handhaven van de orde en de veiligheid. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de betreffende politieagent. Voor deze politieagent, die tijdens de uitoefening van zijn werk met het gedrag van verdachte is geconfronteerd, is dit een ingrijpende en beangstigende gebeurtenis geweest, met de gevolgen waarvan hij tot op de dag van vandaag wordt geconfronteerd. Dat blijkt ook uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep.
De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft in ernstige mate de verkeersregels geschonden, door onder meer stoptekens van de politie te negeren, met een ingevorderd rijbewijs te rijden en aanzienlijk harder te rijden dan is toegestaan. Na deze dollemansrit heeft de verdachte vervolgens, door niet mee te werken aan het bloedonderzoek, de controle op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen gefrustreerd.
Door zijn handelwijze heeft de verdachte de politieambtenaren, maar ook andere
weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Uit het handelen van de verdachte blijkt bovendien dat hij zijn eigen belang om zich aan aanhouding te onttrekken heeft laten prevaleren boven de veiligheid van niet alleen de agenten, maar ook de veiligheid van andere weggebruikers, om wie de verdachte zich in het geheel niet heeft bekommerd. Ook brengt een dergelijk feit in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.
Verder acht het hof het verontrustend dat de verdachte zich de ernst van zijn gedragingen en de situatie slechts in beperkte mate lijkt te realiseren. Ook ter terechtzitting in hoger beroep geeft hij uiteindelijk weliswaar aan dat hij een fout heeft gemaakt, maar legt hij de verantwoordelijkheid voor zijn rijgedrag, de daardoor ontstane gevaarlijke situatie en de schade aan zijn auto nog steeds (grotendeels) bij de politie. Daarbij heeft het hof stellig de indruk dat de verdachte meer begaan lijkt met de gevolgen voor hemzelf, dan met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Deze houding - in combinatie met het strafblad van de verdachte - is uiterst zorgelijk.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder - maar ook hierna - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van verkeersgerelateerde feiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend reclasseringsrapport van 7 september 2023, waaruit volgt dat er bij de verdachte sprake is van een kwetsbare positie. De verdachte komt bij de reclassering over als iemand die niet zelfstandig in staat is om zijn problemen te kunnen oplossen en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte vertoonde rijgedrag blijk geeft van een ernstige miskenning van de verkeersregels, wat een aanzienlijk gevaar voor de verkeersveiligheid en derden oplevert. Het hof acht het, gelet op de aard en de ernst van zijn handelen, noodzakelijk dat de verdachte gedurende een langere periode wordt uitgesloten van deelname aan het verkeer. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar wordt daartoe passend en geboden geacht.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat ten aanzien van feit 2 impliciet subsidiair en 3 de hiervoor genoemde ontzegging van de rijbevoegdheid en een (deels onvoorwaardelijke en een deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, van na te melden duur, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, een passende en geboden reactie vormen.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5 acht het hof - met de advocaat-generaal - een gevangenisstraf van één maand passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [hoofdagent 1]

In het onderhavige strafproces heeft [hoofdagent 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.750,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Het hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit.
De verdachte is met zijn voertuig op de benadeelde partij afgereden, waarna deze genoodzaakt was om opzij te springen, teneinde erger te voorkomen. Daarbij is de linkerhand van de benadeelde partij in aanraking gekomen met het voertuig, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Het fysieke letsel en de daardoor ontstane pijn vloeien rechtstreeks voort uit het handelen van de verdachte.
Daarnaast is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. De gedraging van de verdachte heeft bij de benadeelde partij een hevige schrikreactie en gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Een alledaagse situatie is daardoor plotseling veranderd in een bedreigende en beangstigende gebeurtenis, waarbij de benadeelde partij voor zijn veiligheid heeft moeten vrezen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde liggen deze nadelige immateriële gevolgen reeds naar algemene ervaringsregels in de rede. Het bestaan van psychische klachten staat daarmee in voldoende causaal verband, ook indien het incident niet de enige oorzaak daarvan zou zijn geweest.
Gelet op hetgeen door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal het hof de geleden immateriële schade – naar maatstaven van billijkheid – geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2023, tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [hoofdagent 1]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.750,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen, ten behoeve van het slachtoffer [hoofdagent 1] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

In beslag genomen auto met kenteken [kenteken]

De verdediging heeft verzocht om teruggave van de auto aan de rechthebbende, te weten de moeder van de verdachte.
De advocaat-generaal heeft de verbeurdverklaring van de auto gevorderd.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) kan verbeurdverklaring slechts worden uitgesproken ten aanzien van voorwerpen die aan de verdachte toebehoren, dan wel – indien het voorwerp aan een ander toebehoort – indien is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid van dat artikel.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het enkele feit dat de verdachte een voorwerp feitelijk gebruikt of daarover feitelijk kan beschikken, onvoldoende is om aan te nemen dat dit voorwerp hem in de zin van artikel 33a Sr toebehoort. Voor toebehoren is vereist dat sprake is van een juridische relatie tot het voorwerp die verder strekt dan enkel gebruik. Indien het begrip toebehoren reeds zou worden ingevuld door feitelijk gebruik, zou geen zelfstandige betekenis meer toekomen aan het tweede lid van artikel 33a Sr.
In het onderhavige geval staat vast dat de auto - ten tijde van de bewezen verklaarde feiten - op naam van de moeder van de verdachte was gesteld. Daarmee staat voldoende vast dat de auto niet aan de verdachte toebehoorde. Het enkele feit dat de verdachte de auto (regelmatig) gebruikte voorafgaand aan de pleegdatum, leidt niet tot een ander oordeel.
Nu niet is gebleken dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 33a lid 2 Sr, dient de auto te worden terug gegeven aan de rechthebbende, te weten de moeder van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 302 en 63 Sr en artikel 5a, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten 2 impliciet subsidiair en 3 tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
11 (elf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat betrokkene:
  • zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de heer betrokkene zich melden bij de reclassering. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Betrokkene werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;
  • zich laat behandelen door De Waag Rijnmond en/of Fivoor GGZ en/of Antes GGZ en/of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start op aangeven van zijn behandelaar. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c Sr, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
4 (vier) jaren.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 4 en 5 bewezenverklaarde op:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraffen in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de rechthebbende, zijnde de moeder van verdachte, van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto [kenteken] , Omschrijving: [omschrijving] , zwart, merk: VW.
Vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [hoofdagent 1] ter zake van het onder 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [hoofdagent 1] , ter zake van het onder 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 maart 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, als voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en
mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026.
Mr. R. Brand is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.