ECLI:NL:GHDHA:2026:2284

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
22-001591-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 55 Wetboek van StrafrechtArt. 57 Wetboek van StrafrechtArt. 175 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijden onder invloed met dodelijk verkeersongeval

De verdachte veroorzaakte op 26 december 2022 in Rotterdam een dodelijk verkeersongeval waarbij een gezin om het leven kwam. Hij reed met een snelheid van minimaal 133 km/u door rood en was onder invloed van alcohol met een bloedalcoholgehalte van 1,53 mg/ml.

In hoger beroep sprak het hof de verdachte vrij van meervoudige doodslag omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers had aanvaard. Wel werd hij veroordeeld voor roekeloos rijden onder invloed, een overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994.

Het hof oordeelde dat het rijgedrag van de verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van anderen in het leven heeft geroepen, maar dat er geen bewijs was voor opzet. Daarnaast werd een strafvermindering toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn en schending van artikel 3 EVRM Pro door onvoldoende medische zorg in detentie. De opgelegde straf bedraagt 7 jaar en 7 maanden gevangenisstraf en een rijontzegging van 5 jaar.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van meervoudige doodslag, veroordeeld tot 7 jaar en 7 maanden gevangenisstraf en 5 jaar rijontzegging voor roekeloos rijden onder invloed met dodelijk ongeval.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001591-24
Parketnummer: 10-336128-22
Datum uitspraak: 13 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de [naam PI] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 december 2022 te Rotterdam
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door als bestuurder van een personenauto (VW Polo, kenteken [kenteken] ) en daarmee rijdende op de kruising de Groene Kruisweg met afrit 19 van rijksweg A15 en/of het Groene Kruisplein,
terwijl verdachte, onder invloed van alcohol was als bedoeld in artikel 8 eerste Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- de kruising van die de Groene Kruisweg en/of het Groene Kruisplein met een hoge snelheid, van tenminste 133 kilometer per uur, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, is genaderd en/of
- in strijd met een voor zijn rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( aldus rijdende) niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer 1] , die kruising inmiddels (terwijl het verkeerslicht voor die bestuurder oranje licht uitstraalde) was opgereden en/of
- die [slachtoffer 1] niet heeft laten voorgaan en/of
- ( vervolgens) met een snelheid van tenminste 133 kilometer per uur in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto van die [slachtoffer 1] waardoor dat voertuig over de kop is geslagen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) werden gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 december 2022 te Rotterdam
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de kruising de Groene Kruisweg met afrit 19 van rijksweg Al5 en/of het Groene Kruisplein, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl verdachte, onder invloed van alcohol was als bedoeld in artikel 8 eerste Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- de kruising van die de Groene Kruisweg en/of het Groene Kruisplein met een hoge snelheid, van tenminste 133 kilometer per uur, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, is genaderd en/of
- in strijd met een voor zijn rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( aldus rijdende) niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer 1] , die kruising inmiddels (terwijl het verkeerslicht voor die bestuurder oranje licht uitstraalde) was opgereden en/of
- die [slachtoffer 1] niet heeft laten voorgaan en/of
- ( vervolgens) met een snelheid van tenminste 133 kilometer per uur in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto van die [slachtoffer 1] ,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) werden gedood;
2.
hij op of omstreeks 26 december 2022 te Rotterdam,
als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, minimaal 1,53 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd voor wat betreft de bewezenverklaring en zal worden vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en negen maanden met aftrek van voorarrest alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling

Verweer: bloedonderzoek
Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de resultaten van het bloedonderzoek, dat bij de verdachte is uitgevoerd, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat de verdachte niet in staat was om zijn wil te bepalen toen hij toestemming verleende voor het bloedonderzoek. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte in het politieverhoor, een dag nadat hij toestemming heeft gegeven, medewerking aan het bloedonderzoek weigerde. De raadsman stelt daarmee dat de verdachte als weigeraar had moeten worden vervolgd en het bloedmonster had moeten worden vernietigd. Concluderend stelt de raadsman zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een onderzoek, als bedoeld in artikel 163 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), nu de waarborgen, waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd, niet zijn nageleefd.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.
Met de rechtbank overweegt het hof dat de verdachte tweemaal door verbalisanten alsmede door een forensisch arts om zijn toestemming is gevraagd om aan het bloedonderzoek mee te werken. Daarop heeft hij telkens instemmend geantwoord. De verbalisanten hebben daarbij geconstateerd dat de verdachte bij kennis en helder van geest was. Volgens de verbalisanten bleek dit ook uit de gesprekken tussen de verdachte en de artsen en de verpleegkundigen. De verdachte werkte goed mee aan de onderzoeken en de medische handelingen die bij hem werden uitgevoerd. Ook volgde hij de aanwijzingen goed op. Uit het dossier blijkt geenszins dat de verbalisanten twijfels hadden met betrekking tot de wilsbekwaamheid van de verdachte.
De door de raadsman aangehaalde en door de politie in hetzelfde proces-verbaal geverbaliseerde uitingen van de verdachte die de raadsman als wartaal heeft aangeduid, vormen dan ook, gelet op de stellige en gedetailleerde beschrijving in het proces-verbaal van het contact met de verdachte, onvoldoende grond voor twijfel aan de conclusie dat de verdachte in staat was om bewust toestemming te geven voor het afnemen van bloed door de forensisch arts ten behoeve van het bloedonderzoek.
Het hof heeft geen redenen om aan de waarnemingen van de verbalisanten te twijfelen. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte toestemming heeft gegeven voor het bloedonderzoek en dat er niet getwijfeld hoefde te worden aan de toestemmende woorden van de verdachte.
Met de rechtbank overweegt het hof voorts dat het onderzoek naar het alcoholgehalte in het bloed als bedoeld in artikel 8, tweede lid WVW naar vaste jurisprudentie is omgeven met strikte waarborgen. De verdachte mag een bloedonderzoek weigeren. Dat heeft de verdachte – zoals hiervoor is overwogen – in eerste instantie niet gedaan. Integendeel: hij zei dat hij overal medewerking aan wilde verlenen, waarna het onderzoek is aangevangen. Een dag later, nadat er reeds bloed bij de verdachte was afgenomen en het bloedmonster was opgestuurd voor onderzoek naar het Maasstad Ziekenhuis, heeft de verdachte alsnog zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd.
Het hof overweegt met de rechtbank dat de omstandigheden van dit geval maken dat het hof aan de latere verklaring van de verdachte bij het politieverhoor van 27 december 2022 tot weigering van toestemming voor het bloedonderzoek geen doorslaggevende betekenis toekent. Op grond van de hiervoor beschreven gang van zaken rond de afname van het bloed beschouwt het hof deze weigering in feite als een intrekking van zijn eerdere toestemming. De verdachte heeft zijn toestemming ingetrokken, toen zijn bloed al was afgenomen en de gestelde inbreuk op zijn lichamelijke integriteit al had plaatsgevonden. De terugtred van de verdachte is onder deze omstandigheden te laat. De wet voorziet niet in de mogelijkheid een eerder verleende toestemming voor een bloedonderzoek, later, nadat het onderzoek al is aangevangen, in te trekken.
Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat er geen sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 163, zevende lid WVW, waarbij bloed wordt afgenomen bij een verdachte, die niet in staat is toestemming te geven voor een bloedonderzoek, en die vervolgens, zodra hij wél in staat is zijn wil kenbaar te maken, zijn medewerking kan weigeren, waarna het bloedmonster wordt vernietigd. Nu de verdachte toestemming heeft verleend alvorens het bloedonderzoek is aangevangen, en het hof van oordeel is dat hij in staat was zijn wil kenbaar te maken, is van deze situatie geen sprake.
Tenslotte heeft de raadsman ter zitting aangevoerd dat – zo begrijpt het hof – de herberekening van het bloedalcoholgehalte van de verdachte door het Nederlands Forensisch Instituut moet worden uitgesloten van het bewijs. Het hof zal voorbijgaan aan dit verweer, nu het hof de herberekening niet voor het bewijs zal bezigen.
Vrijspraak onder 1 primair tenlastegelegde
Het hof zal de verdachte – anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank in eerste aanleg bewezen is verklaard – vrijspreken van de onder 1 primair tenlastegelegde meervoudige doodslag. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader: doodslag in het verkeer
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van doodslag is vereist dat er bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van de slachtoffers. Onder opzet wordt in dit geval ook begrepen ‘voorwaardelijk opzet’.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid – en onder omstandigheden roekeloos – heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg geeft aanvaard.
Feiten en omstandigheden
Uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat blijkt het volgende.
De verdachte is op 26 december 2022 rond 05.54 uur met zijn personenauto in botsing gekomen met het voertuig van de slachtoffers op het Groene Kruisplein te Rotterdam. De verdachte kwam van de rijksweg A15 en is op het kruispunt van afrit 19 met de Groene Kruisweg, waar het voertuig van de slachtoffers op dat moment reed, in botsing gekomen met de rechterflank van het voertuig van de slachtoffers. De drie slachtoffers zijn door deze botsing ter plaatse overleden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de bots-snelheid van het voertuig van de verdachte minimaal 134 kilometer per uur bedroeg en dat zijn naderingssnelheid (90 meter voor de botsing) sneller was dan 150 kilometer per uur. Voorts blijkt uit het bloedonderzoek van de verdachte dat zijn bloedalcoholgehalte meer dan twee uur na de botsing 1,53 milligram per milliliter alcohol bedroeg. Uit het politieonderzoek is daarnaast gebleken dat het verkeerslicht voor de rijrichting van de verdachte geruime tijd rood licht uitstraalde toen hij het kruispunt op reed.
Met de rechtbank overweegt het hof dat op grond van het voorgaande is vast te stellen dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft overtreden. Hij is onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol met een zeer hoge snelheid door rood gereden. Hierdoor heeft hij een aanrijding veroorzaakt met het voertuig van de slachtoffers, die door deze botsing om het leven zijn gekomen.
De verdachte heeft in het politieverhoor en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard zich niets meer te herinneren van de botsing en de uren voorafgaand aan de botsing.
Aanmerkelijke kans
De verdachte reed in de vroege ochtend met een zeer hoge snelheid door rood op een kruispunt. Op dit punt komen verschillende grote wegen – de op- en afritten van de A15 en de stedelijke uitvalsweg – samen, waardoor de verdachte ook in de vroege ochtend beducht had moeten zijn op kruisend verkeer. Daarnaast was het alcoholpercentage in het bloed van de verdachte aanzienlijk. Naar algemene ervaringsregels tast het rijden onder invloed van een dergelijke hoeveelheid alcohol het reactievermogen aan, waardoor men zich niet als een verantwoord verkeersdeelnemer kan gedragen.
Het hof is van oordeel dat gelet op de combinatie van deze feiten en omstandigheden het rijgedrag van de verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van andere verkeerdeelnemers in het leven heeft geroepen. Het enkele feit dat het kruispunt relatief rustig was op het moment van de aanrijding – zoals door de raadsman naar voren is gebracht – doet daar niet aan af.
Bewust aanvaarden
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt daarentegen niet zonder meer dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de fatale gevolgen
bewustheeft aanvaard. Nu er niets bekend is over de intenties van de verdachte of over wat er de uren voorafgaand aan de botsing is voorgevallen, zijn slechts de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte ten tijde van de botsing bekend. Hoewel deze gedragingen – namelijk het onder invloed met grote snelheid door rood rijden – buitengewoon ernstig zijn, kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte bewust heeft aanvaard dat hij in botsing zou komen met een andere auto, waarbij hij mogelijk ook zelf zijn leven zou verliezen. Dit brengt met zich mee dat het hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op
of omstreeks26 december 2022 te Rotterdam
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de kruising
vande Groene Kruisweg met afrit 19 van rijksweg Al5 en
/ofhet Groene Kruisplein, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos
te rijden,
in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl verdachte, onder invloed van alcohol was als bedoeld in artikel 8 eerste Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- de kruising van die de Groene Kruisweg en
/ofhet Groene Kruisplein met een hoge snelheid, van tenminste 133 kilometer per uur, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid
van 80 kilometer per uur, is genaderd en
/of
- in strijd met een voor zijn rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden en
/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
/of
-
(aldus rijdende
)niet
(tijdig
)heeft opgemerkt dat de bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer 1] , die kruising inmiddels
(terwijl het verkeerslicht voor die bestuurder oranje licht uitstraalde)was opgereden en
/of
- die [slachtoffer 1] niet heeft laten voorgaan en
/of
-
(vervolgens
)met een snelheid van tenminste 133 kilometer per uur in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto van die [slachtoffer 1] ,
waardoor
eenander
en(genaamd [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] ) werden gedood;
2.
hij op
of omstreeks26 december 2022 te Rotterdam,
als bestuurder van een motorrijtuig,
(personenauto
), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, minimaal 1,53 milligram
, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezenverklaarde feiten leveren op:
De eendaadse samenloop van:
1.
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet, meermalen gepleegd;
en
2.
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (tenminste 1,53 milligram).

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan een jong gezin is komen te overlijden. De verdachte is onder invloed van alcohol met een veel te hoge snelheid door een rood verkeerslicht gereden en heeft daarbij een kruisende auto aangereden. Door zijn roekeloze rijgedrag heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico's genomen voor de verkeersveiligheid en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd, met fatale gevolgen.
De slachtoffers waren de 36-jarige [slachtoffer 1] , de 35-jarige [slachtoffer 2] en hun dochtertje [slachtoffer 3] van 7 jaar. De onomkeerbare gevolgen van het ongeval hebben ook vele anderen in hun omgeving ernstig geschokt. Het leed en het gemis voor de nabestaanden is enorm, zoals ook is gebleken uit de indringende slachtofferverklaringen die door en namens verschillende familieleden op de zitting zijn voorgedragen. Het feit dat de verdachte zegt verantwoordelijkheid te willen nemen voor zijn daden, maar hij geen concrete invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid, heeft de pijn bij de nabestaanden vergroot.
Het hof realiseert zich dat geen enkele straf het aangerichte leed bij de nabestaanden kan verzachten. Ook de verdachte zelf zal verder moeten leven met de wetenschap van de dramatische gevolgen van zijn roekeloos rijgedrag.
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 28 september 2023, waaruit volgt dat de verdachte een relatief stabiel leven had in de periode vóór de onderhavige feiten. Zo had hij een relatie, een stabiel inkomen en een woning. Voorts heeft hij een steunend sociaal netwerk. De reclassering acht de verdachte zelfredzaam en ziet geen aanknopingspunten voor interventies. In het meest recente reclasseringsadvies van 28 april 2026 wordt gerapporteerd dat de verdachte openstaat voor hulp en een proactieve opstelling heeft in detentie. De reclassering adviseert de verdachte in aanmerking te laten komen voor een detentie- en re-integratietraject.
Strafmaatverweer: schending artikel 2 en Pro/of 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat door een onmenselijke behandeling van de verdachte in detentie, waarbij hem de nodige zorg is onthouden, een schending heeft plaatsgevonden van artikel 2 en Pro/of 3 van het EVRM. De raadsman heeft daartoe een advies met bijlagen overgelegd, opgemaakt door letselschadeadvocaat mr. N.J. Hoogenboom. In het advies wordt door mr. Hoogenboom geschreven dat het gebruikelijk is dat de penitentiaire inrichting aansprakelijk wordt gesteld voor een medische fout c.q. het nalatig medisch handelen. Nu de raadsman heeft aangegeven dat hij bij het gerechtshof een verzoek wenst te doen tot het verminderen van de op te leggen gevangenisstraf door het schadevergoedingsbedrag om te rekenen in het aantal dagen detentie, acht mr. Hoogenboom een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 19.000,- billijk, om te rekenen naar 190 dagen strafvermindering.
Het hof overweegt dat in artikel 2 EVRM Pro is bepaald dat het recht op leven wordt beschermd door de wet en dat in artikel 3 EVRM Pro is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
In de beslissing van 13 februari 2025 met nummer [nummer] is de beroepscommissie van de Raad Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) van oordeel dat de inrichtingsarts van de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel niet voldoende voortvarend en onvoldoende adequaat heeft gehandeld om tot een juiste diagnostiek en behandeling van de buikklachten van de verdachte te komen. De beroepscommissie overweegt dat nadat er op 14 november 2023 klachten van de verdachte waren over pijn, hij in de dagen erna is bezocht door een verpleegkundige, psychiater en er ook contact is geweest met een piketarts. De beroepscommissie stelt vast dat de verdachte na 17 november 2023 niet meer lichamelijk is onderzocht en dat er vanaf die datum geen controles of dagelijkse herbeoordelingen hebben plaatsgevonden, terwijl daarvoor naar het oordeel van de beroepscommissie wel alle aanleiding was. Verdachte is pas op 20 november 2023 weer bezocht door een arts en verpleegkundige, verkeerde toen in een verslechterde zelfs kritieke toestand en is toen naar het ziekenhuis overgebracht. Het handelen van de inrichtingsarts moet volgens de beroepscommissie worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie heeft het beroep tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts daarom gegrond verklaard.
Hoewel de beroepscommissie het beroep van de verdachte in die procedure gegrond heeft verklaard en heeft geoordeeld dat het handelen van de inrichtingsarts in strijd was met de Penitentiaire beginselenwet, is de omvang van de materiële of immateriële schade, die hierdoor is ontstaan, door de beroepscommissie niet vastgesteld. De raadsman heeft de schade onderbouwd door middel van berekeningen van een door hem ingeschakelde letselschadeadvocaat.
Naar het oordeel van het hof is gelet op de uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ waarin is geoordeeld dat er in strijd met de norm als bedoeld in artikel 71f lid 3 onder a. en b. van de Penitentiaire beginselenwet is gehandeld, sprake van een schending van artikel 3 EVRM Pro, nu de verdachte in detentie niet tijdig de noodzakelijke medische zorg heeft gekregen. Voorts blijkt naar het oordeel van het hof uit de door de raadsman overgelegde stukken dat de verdachte niet alleen op dat moment in een kritieke toestand heeft verkeerd, maar ook tot op heden nog lichamelijke en psychische klacht ondervindt.
Het hof constateert dat door schending van artikel 3 EVRM Pro er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waardoor er zodanig ernstig nadeel van de verdachte is veroorzaakt dat dit grond biedt voor compensatie in de vorm van strafvermindering.
Overweging ten aanzien van de straf en maatregel
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan die van vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur. Hoewel het hof vrijspreekt van het onder 1 primair tenlastegelegde, acht het hof – alles afwegende, maar met name gelet op de aard en ernst van de gedragingen van de verdachte en de fatale gevolgen daarvan – een gevangenisstraf van 8 jaren en 6 maanden passend en geboden. Het hof zal de schending van artikel 3 EVRM Pro compenseren door twee maanden op deze gevangenisstraf in mindering te brengen.
Daarnaast acht het hof het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen geboden. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte te doordringen van het feit dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was voor de medeweggebruikers, maar ook om weggebruikers voor langere tijd te beschermen tegen dit rijgedrag.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM, in hoger beroep is overschreden.
In hoger beroep is de termijn aangevangen op 29 april 2024 en is het eindarrest gewezen op 13 juli 2026. Gelet op het feit dat de verdachte sinds 26 december 2022 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof uitgaan van een redelijke termijn van 16 maanden. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met 10 maanden en 15 dagen overschreden.
Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof - gelet op het bovenstaande - zonder overschrijdingen van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 4 maanden zou hebben opgelegd, wordt nu een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 7 maanden met aftrek van voorarrest, opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 WVW, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) jaren en 7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, voorzitter, mr. C.H.M. Royakkers en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2026.