ECLI:NL:GHDHA:2026:2187

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
200.364.097/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over kinderalimentatie en zorgregeling na beëindiging relatie ouders

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2014, zijn in hoger beroep gegaan tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam over kinderalimentatie en zorgregeling na hun relatiebeëindiging in 2020.

De man verzocht verlaging van de kinderalimentatie en handhaving van de zorgregeling, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde voor een andere zorgregeling en verhoging van de alimentatie. Het hof heeft de minderjarige de mogelijkheid gegeven zijn mening te geven, maar hij maakte hier geen gebruik van.

Na beoordeling van de draagkracht van beide ouders, de behoefte van het kind en de zorgregeling, oordeelde het hof dat de zorgregeling van de rechtbank juist is en niet gewijzigd hoeft te worden. De kinderalimentatie wordt aangepast naar €308 per maand met ingang van 24 november 2025, waarbij de hoge kosten voor voetbal niet worden meegenomen in de alimentatie, omdat deze niet noodzakelijk en te hoog zijn.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het overige hoger beroep is afgewezen.

Uitkomst: De zorgregeling wordt bekrachtigd en de kinderalimentatie vastgesteld op €308 per maand met ingang van 24 november 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.364.097/01
zaaknummer rechtbank : C/10/684132
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-5990
beschikking van de meervoudige kamer van 17 juni 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.G. Pittaluga te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 26 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 22 maart 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 4 mei 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 26 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op 27 maart 2026;
- een journaalbericht van 24 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde dag;
- een e-mailbericht van 6 mei 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde dag;
van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 6 mei 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde dag.
2.5
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en deze voorgedragen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in 2020 is beëindigd. Zij zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
3.3
De man heeft de minderjarige op [datum] 2023 erkend.
3.4
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt van rechtswege door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (waaronder de onderling getroffen regeling van de vakanties en feestdagen) vastgesteld. Voorts is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 7 augustus 2024, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) zal voldoen € 249,50 per maand; deze onderhoudsbijdrage zal per 1 januari 2026 ieder jaar worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De man is het hier niet mee eens. Hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 151,00 per maand met ingang van de datum bestreden beschikking.
4.3
De vrouw verzoekt A. het door de man ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren ofwel de verzoeken van de man af te wijzen.
In het incidenteel hoger beroep: de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde kinderalimentatie alsook de vastgestelde reguliere zorgregeling te vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
B. Een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen die luidt als volgt:
• De man haalt [minderjarige] in de even weken op vrijdag op van school en brengt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur naar de vrouw; althans een zorgregeling vast te stellen die het hof rechtvaardig acht;
C. te bepalen dat de man een kinderalimentatie zal betalen van € 407,- per maand, met ingang van 5 augustus 2024 althans met een zodanig bedrag en ingangsdatum als het hof rechtvaardig acht.
4.4
De man verzoekt:
- de grieven van de vrouw in het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren;
- de bestreden beschikking ten aanzien van de woonlasten en de zorgregeling te bekrachtigen;
- het verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
5.1
De vrouw voert gemotiveerd aan dat [minderjarige] opnieuw gehoord moet worden over de zorgregeling. De rechtbank heeft overwogen dat [minderjarige] in het kindgesprek heeft aangegeven de bestaande situatie te willen handhaven. De vrouw betwist dat dit een authentieke en actuele weergave is van [minderjarige] wensen aangezien [minderjarige] digitaal werd gehoord terwijl hij bij zijn vader was. . [minderjarige] zou door het hof opnieuw gehoord moeten worden. De rechtbank heeft daarnaast onvoldoende gewicht toegekend aan signalen van [minderjarige] dat de bestaande situatie te belastend voor hem was en daarmee zijn zwaarwegende belangen miskend. De door de rechtbank bepaalde regeling is ook niet in het belang van [minderjarige] . De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat [minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft.
5.2
De man stelt dat er geen zwaarwegende contra-indicaties zijn gesteld of gebleken die een substantiële beperking van het contact van [minderjarige] met de man rechtvaardigen. De zorgregeling loopt goed en [minderjarige] heeft het naar zijn zin bij de man. De man herkent zich niet in de stelling van de vrouw.
5.3
Het hof stelt voorop dat [minderjarige] in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij is uitgenodigd voor een kindgesprek. Hij heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt. Het hof ziet in wat de vrouw hierover heeft aangevoerd geen aanleiding om [minderjarige] opnieuw op te roepen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof verder van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de zorgregeling op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze - na een eigen afweging - tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. De voornaamste bezwaren van de moeder zijn er in gelegen dat de huidige regeling voor [minderjarige] te belastend zou zijn. Het hof is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Ook verder is het hof niet gebleken van contra-indicaties aan de zijde van de man die aan de zorgregeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld, in de weg staan. De zorgregeling loopt goed en [minderjarige] heeft het naar zijn zin bij zijn vader. Er is dan ook geen aanleiding de door de rechtbank bepaalde zorgregeling te wijzigen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
5.4
Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat de alimentatie met terugwerkende kracht per 7 augustus 2024 dient te worden voldaan. Nu de man voor een significant deel heeft bijgedragen in de kosten van [minderjarige] vanaf 7 augustus 2024 tot 24 november 2025 is het volgens hem passender de onderhoudsbijdrage vast te leggen per datum bestreden beschikking. De man heeft immers aan zijn onderhoudsplicht naar draagkracht voldaan tot aan die datum.
5.5
De vrouw stelt dat de door de man gestelde bijdragen van € 2.867,- incidentele, ongestructureerde betalingen betreffen voor kleding, voetbalcontributie en sportbenodigdheden. Dit zijn geen alimentatiebetalingen in juridische zin. De vrouw heeft gedurende de door de man genoemde periode voorzien in de structurele levensbehoeften van [minderjarige] , namelijk in zijnwoonlasten, voeding, schoolkosten, medische kosten en dagelijkse kleding. Daarnaast is niet aangetoond dat de opgevoerde uitgaven daadwerkelijk ten behoeve van [minderjarige] zijn gedaan, noch dat de contributie volledig is voldaan. De vrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat deze kosten voor rekening van de man dienen te blijven en niet op haar kunnen worden afgewenteld. Daarbij geldt bovendien dat partijen, gelet op hun beperkte draagkracht, niet in staat zijn deze hoge kosten voor de voetbal van [minderjarige] te dragen, ook indien deze in de behoefte zouden worden betrokken. Ze zijn ook niet noodzakelijk omdat [minderjarige] ook kan spelen bij een andere, goedkopere voetbalvereniging. Gelet op het voorgaande kunnen deze kosten niet leiden tot een andere ingangsdatum dan door de rechtbank bepaald.
5.6
Het hof zal de beschikking met betrekking tot de ingangsdatum vernietiging en de gewijzigde alimentatie in laten gaan per 24 november 2025, zijnde de datum van de bestreden beschikking. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man de nodige kosten heeft gehad voor [minderjarige] voorafgaande aan de datum beschikking, niet alleen voor de voetbalvereniging maar ook anderszins. Ook is er lang onduidelijkheid geweest over de betalingen voor de voetbalvereniging wat niet alleen aan de man kan worden verweten. Partijen hebben afgesproken dat [minderjarige] op voetbal zou gaan en dat de man dit zou betalen. Daarna is pas het verzoek om alimentatie gekomen en is de discussie ontstaan. Onder die omstandigheden en mede gelet op de draagkracht van de man, kan een nabetaling vanaf de datum indiening verzoekschrift niet van de man worden gevergd, zeker niet nu hij heeft aangegeven dat hij de achterstand in contributie voor de voetbal op € 100,- na geheel heeft betaald.
Hoogte behoefte [minderjarige]
5.7
Niet in geschil is dat de behoefte van [minderjarige] in 2020 € 417,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 512,- per maand.
Draagkrachtberekening
5.8
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
Draagkracht vrouw
5.9
De vrouw ontvangt een WIA-uitkering van € 1.644,- bruto per maand en partijen zijn het er over eens dat haar draagkracht het minimale bedrag van € 25,- per maand bedraagt. Alleen de draagkracht van de man staat ter discussie.
Draagkracht man
5.1
De vrouw stelt in het incidenteel hoger beroep dat de rechtbank de draagkracht van de man onjuist heeft vastgesteld door uit te gaan van verouderde inkomensgegevens en geen rekening te houden met zijn verdiencapaciteit. De vrouw wil dat met extra inkomsten die op de overgelegde salarisstroken vermeld staan rekening wordt gehouden zodat uit kan worden gegaan van een hoger jaarinkomen Zij verzoekt primair uit te gaan van de volledige verdiencapaciteit van de man, zijnde een fulltime dienstverband van 38 uur per week en subsidiair, indien het hof dit te verstrekkend acht, uit te gaan van 29,75 uur per week, zijnde het aantal uren dat de man had bij aanvang van de procedure. De man heeft de grief van de vrouw gemotiveerd bestreden.
5.11
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 29.476,-, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. Naar het oordeel van het hof geeft het inkomen van de man in 2025 het beste beeld wat de man verdient. In dit kader acht het hof het voldoende aannemelijk dat er geen sprake is van structureel hogere inkomsten. Mede gelet op de zorgregeling en de regelingen die hij daarvoor met zijn werkgever heeft getroffen zodat hij ook zelf bij [minderjarige] kan zijn, kan niet van de man worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden uitbreidt.
5.12
Bij bovenvermeld inkomen van de man bedraagt het NBI € 2.268,- maand.
Woonlasten
5.13
De man heeft in zijn beroepschrift betoogd dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van het forfaitaire bedrag woonlasten. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag. De man stelt thans in zijn verweerschrift op het incidenteel hoger beroep dat de situatie inmiddels is gewijzigd. Sinds september 2025 woont de man samen met zijn nieuwe partner. De man heeft zich inmiddels ook op haar adres ingeschreven. Daarmee staat vast dat de man thans eveneens woonlasten draagt binnen het gezamenlijke huishouden. Ook in de huidige situatie deelt de man mee in de kosten van wonen en levensonderhoud. De man stelt thans - in weerwil van zijn primaire beroep - dat de rechtbank in redelijkheid rekening heeft gehouden met een beperkte woonlast van € 250,- per maand.
5.14
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij enige woonlast draagt, zodat de woonlast op nihil gesteld dient te worden. Dit leidt tot een hogere draagkracht dan de rechtbank heeft berekend en dus tot een hogere onderhoudsbijdrage. Subsidiair dient in elk geval te worden vastgehouden aan de door de rechtbank aangenomen woonlast van € 250,- per maand.
5.15
Het hof gaat voor de woonlast van de man uit van € 250,- per maand en niet van het woonforfait van € 673,- per maand. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man tot voor kort bij zijn ouders woonde en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij toen een bijdrage van € 250,- per maand betaalde. Daarna is hij bij zijn vriendin ingetrokken. Zijn vriendin woonde al in de woning en betaalde deze lasten alleen. Het hof acht het aannemelijk dat de man een bijdrage zal moeten betalen en het hof stelt deze net als de rechtbank in redelijkheid vast op € 250,- per maand. De man heeft aangegeven dat hij zich daartegen niet verzet. Dit leidt ertoe dat de draagkracht van de man uiteindelijk € 496,- per maand bedraagt. Het hof merkt daarbij op dat geen rekening wordt gehouden met voetbalkosten ad € 160,- per maand, nu deze kosten zo hoog zijn dat deze niet vanuit het aandeel van de ouders in de kosten van het levensonderhoud van [minderjarige] kunnen worden voldaan en niet kunnen worden gezien als niet te verwijten en niet te vermijden lasten. Als de man deze kosten desondanks voor [minderjarige] wil blijven voldoen, zal hij dat uit zijn vrije ruimte moeten betalen. Het hof gaat er tenslotte in de berekening van uit dat de Sociale Verzekeringsbank de gehele kinderbijslag aan de vrouw betaalt, omdat [minderjarige] bij haar staat ingeschreven en de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten betaalt.
Draagkrachtvergelijking
5.16
De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 512,-. De draagkracht van alle onderhoudsplichtigen tezamen (€ 496,- + € 25,- = € 521,-) bezien ten opzichte van het kind waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn, is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Het hof verdeelt, alvorens over te gaan tot vergelijking van de draagkracht, de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige naar rato van de behoefte van de kinderen waarvoor een onderhoudsplicht bestaat. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 496:521x512 = € 487,-;
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 25:521x512 = € 25,-.
Vermindering met de zorgkorting.
5.17
De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Nu sprake is van een zorgregeling van gemiddeld drie dagen per week, zal het hof een percentage van 35% in aanmerking nemen. Omdat de behoefte van [minderjarige] € 512,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 179,- per maand.
5.18
Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de onderhoudsplichtigen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.
5.19
De eerder afgeleide bijdrage van € 487,- wordt verminderd met de zorgkorting van
€ 179,- per maand, zodat de man met ingang van 24 november 2025 een kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen van € 308,- per maand.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
6.2
Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover deze de zorgregeling betreft;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 24 november 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] € 308,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, E.B.J. van Elden en E.C. Punselie, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier, en is op 17 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.