ECLI:NL:GHDHA:2026:211

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
22-002132-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep opzettelijke brandstichting met levensgevaar en deels voorwaardelijke straf

De verdachte heeft op 1 en 29 december 2024 opzettelijk brand gesticht in twee auto's van zijn ex-partner, waarbij levensgevaar voor haar en haar zoon ontstond door de nabijheid van een woonboot. De rechtbank veroordeelde hem tot 54 maanden gevangenisstraf en vrijheidsbeperkende maatregelen. In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring, maar wijzigt de strafoplegging.

Het hof acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar op basis van een pro-Justitierapport dat wijst op een depressieve stoornis en emotieregulatieproblemen. De straf wordt vastgesteld op vier jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling, meldplicht en begeleid wonen. Tevens wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd met contact- en locatieverbod.

De schadevergoeding aan het slachtoffer wordt deels toegewezen: €12.587,69 materiële schade en €3.000 immateriële schade wegens psychische gevolgen. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt eveneens toegewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en deels toegewezen schadevergoeding.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002132-25
Parketnummers: 09-000395-25 en 09-315654-22 (TUL)
Datum uitspraak: 6 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958 ,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd, inhoudende een locatieverbod en contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] voor de duur van vijf jaren, een en ander op de wijze zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven. Ook is aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr opgelegd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de vordering tot tenuitvoerlegging is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 december 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare (vloei)stof en/of met (brandbare onderdelen van) een auto (merk Renault Kangoo, kenteken [kenteken 1] ), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een naastgelegen woonboot, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 december 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Renault Kangoo, kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 29 december 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een auto (merk Mercedes, kenteken [kenteken 2] ) door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare (vloei)stof en/of met (brandbare onderdelen van) die auto, ten gevolge waarvan die brandbare (vloei)stof geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een naastgelegen woonboot en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de zich in die woonboot bevindende [slachtoffer] , te duchten was.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd ten aanzien van de bewezenverklaring en voor het overige zal worden vernietigd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en de verplichting tot meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Verder heeft de advocaat-generaal de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, zoals opgelegd door de rechtbank, en toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde komt. Daarnaast komt het hof tot een andere strafoplegging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks1 december 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare
(vloei
)stof en
/ofmet
(brandbare onderdelen van
)een auto (merk Renault Kangoo, kenteken [kenteken 1] ), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen
, te weten een naastgelegen woonboot,te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks29 december 2024 te ’s-Gravenhage, opzettelijk brand heeft gesticht
in/aan een auto (merk Mercedes, kenteken [kenteken 2] ) door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare (vloei)stof en/of met (brandbare onderdelen van) die auto, ten gevolge waarvan
die brandbare (vloei)stof geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk gevalbrand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een naastgelegen woonboot
,en
/oflevensgevaar
en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letselvoor een ander, te weten de zich in die woonboot bevindende [slachtoffer] , te duchten was.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:

1.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2.
eendaadse samenloop van
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van straf en maatregel
De straf
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee brandstichtingen in de nachtelijke uren. Op 1 december 2024 heeft hij de bedrijfsauto van zijn ex-partner in brand gestoken. Hoewel de brandweer snel ter plaatse was, is de auto uitgebrand en is er gevaar ontstaan voor goederen in de omgeving. De auto was ‘total loss’. Tegen het einde van diezelfde maand, op 29 december 2024, heeft de verdachte de privéauto van het slachtoffer in brand gestoken. Die auto stond geparkeerd vlak naast de woonboot waarop het slachtoffer en haar zoon op dat moment lagen te slapen. Nadat zij door haar buurman was gewaarschuwd dat haar auto in brand stond, is het slachtoffer naar de auto gerend om de brand te blussen tot de brandweer aanwezig was. Zodoende is voorkomen dat de brand door de wind oversloeg van de auto naar de woonboot met alle risico’s van dien voor het slachtoffer en haar zoon. Tijdens het blussen heeft het slachtoffer ook rook ingeademd. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het ontwikkelen van rook bij brand levensgevaarlijke gassen ontstaan, zoals koolmonoxide en cyanide. Inademing van deze gassen is direct levensbedreigend voor mens en dier.
De verdachte heeft verklaard uit woede tot zijn daden te zijn gekomen. Naar zijn zeggen heeft hij altijd veel voor het slachtoffer gedaan en is hij na hun relatiebreuk dakloos geworden, wat hij haar zeer kwalijk nam. Door zijn handelen heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen en het leven van het slachtoffer en haar zoon in gevaar gebracht. Dat de schade beperkt is gebleven tot de twee voertuigen is niet aan de verdachte te danken geweest. De verdachte is immers na de brandstichtingen weggelopen zonder zich over de gevolgen te bekommeren.
Voor het slachtoffer en haar zoon is het handelen van de verdachte zeer beangstigend en intimiderend geweest. Uit de in deze procedure afgelegde slachtofferverklaring komt dat duidelijk tot uiting. Het slachtoffer voelt zich tot op de dag van vandaag angstig en bedreigd. Bovendien heeft zij aanzienlijke financiële schade geleden. Meer in het algemeen kan gezegd worden dat brandstichting gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 13 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van mishandeling van het slachtoffer en vernieling tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd liep ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
Verder heeft het hof acht geslagen op een over de verdachte uitgebracht pro-Justitiarapport van 11 april 2025, opgesteld door drs. L. Stam, GZ-psycholoog. De rapporteur concludeert dat bij de verdachte aanwijzingen zijn voor een (geagiteerde) depressieve stoornis dan wel een aanpassingsstoornis (met een gemengde stoornis van emoties en gedrag). Daarnaast voldoet de verdachte volgens de rapporteur aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar een ‘duurzaam patroon’ is daarbij minder duidelijk aanwezig. Op basis van de testresultaten kan zwakbegaafdheid niet worden uitgesloten, aldus de rapporteur. Volgens de rapporteur hebben de emotieregulatieproblemen van de verdachte een belangrijke rol in zijn gedragingen ten aanzien van het tenlastegelegde gespeeld. In die zin kan dan ook van een verband tussen de depressieve stoornis dan wel aanpassingsstoornis en de tenlastegelegde feiten worden gesproken. De verdachte was weliswaar doordrongen van het wederrechtelijke van zijn handelen, maar had naar het oordeel van de rapporteur op basis van de emotieregulatieproblematiek niet de volledige controle om in overeenstemming daarmee te handelen. Op grond van het voorgaande adviseert de rapporteur om de verdachte de hem tenlastegelegde feiten – indien bewezen – in verminderde mate toe te rekenen.
Uitgaande van het totaalbeeld schat de rapporteur het risico op herhaling van gewelddadig gedrag in als matig. Zij adviseert om in het kader van bijzondere voorwaarden aan de verdachte een ambulante behandeling gericht op de depressieve stoornis dan wel aanpassingsstoornis en daarbij aanwezige emotieregulatieproblemen (met name de boosheid) op te leggen. De depressieve klachten kunnen worden aangepakt met een cognitieve gedragstherapeutische behandeling. Ten aanzien van de sterke gevoelens van boosheid, die het verwerken van de relatiebreuk met het slachtoffer in de weg staan, denkt de rapporteur aan een EMDR-behandeling via het protocol ‘Gerichte Boosheid’. De behandeling kan plaatsvinden bij een forensische polikliniek als De Waag. Voor het welslagen van een ambulante behandeling zal de verdachte een dak boven zijn hoofd moeten hebben. De rapporteur denkt daarbij aan een begeleide woonvorm. Mocht de verdachte niet gemotiveerd zijn zich aan de aan de bijzondere voorwaarden te houden, dan kan volgens de rapporteur als alternatief worden gedacht aan het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
Het hof is van oordeel dat het pro-Justitiarapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de rapporteur worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. Het hof neemt die bevindingen en conclusies over en maakt die tot de zijne, in die zin dat het hof de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwt.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies van 1 mei 2025. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Om het recidiverisico te verlagen, zal de verdachte moeten leren omgaan met zijn emoties ten aanzien van de verbroken relatie met het slachtoffer. De reclassering sluit zich dan ook aan bij het advies van de pro-Justitiarapporteur om de verdachte ambulant te laten behandelen bij een forensische polikliniek als De Waag. Daarnaast vindt de reclassering het opleggen van een contact- en locatieverbod passend. Om zicht te kunnen houden op het verloop van de behandeling en het naleven van genoemde verboden en om de verdachte te helpen met het regelen van zijn praktische zaken, zodat hij in de toekomst een stabieler leven tegemoet kan gaan, acht de reclassering het opleggen van reclasseringstoezicht geïndiceerd. Geadviseerd wordt aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contact- en locatieverbod op te leggen. De reclassering adviseert om een dadelijke uitvoerbaarheid van de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht te bevelen. In plaats van het opleggen van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden kan er volgens de reclassering ook voor worden gekozen om deze op te leggen als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr. De reclassering adviseert om daarnaast aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast na de gevangenisstraf. In dit verband stelt de reclassering dat het risico bestaat de gestelde diagnose nog steeds aanwezig is na afloop van een eventuele gevangenisstraf, waardoor de kans op recidive niet verminderd is. De genoemde maatregel zal dan alsnog langdurig toezicht mogelijk kunnen maken.
Afweging ten aanzien van de straf
De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, zoals hiervoor beschreven, maken naar het oordeel van het hof dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van die straf heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij de onderhavige feiten heeft gepleegd terwijl hij nog in een proeftijd liep van de straf die hem was opgelegd wegens mishandeling van hetzelfde slachtoffer. In strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en dat hij te kampen heeft met gezondheidsklachten, in het bijzonder een ernstige huidaandoening, waardoor een gevangenisstraf voor hem zwaarder zal zijn dan voor een ander. Voorts weegt het hof mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep de indruk heeft gewekt het kwalijke van zijn handelen in te zien. Dit neemt echter niet weg dat hij nog steeds meent dat het slachtoffer hem onrecht heeft aangedaan en dat de bewezenverklaarde feiten passen binnen een delictpatroon gericht tegen het slachtoffer.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Het hof zal een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daarbij na te melden, door de reclassering geadviseerde, bijzondere voorwaarden stellen. Daarmee beoogt het hof te bewerkstelligen dat de verdachte werkt aan zijn persoonlijkheidsproblematiek en te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.
Het hof zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het daarop te houden toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daartoe neemt het hof in aanmerking de inschatting door de pro-Justitiarapporteur en de reclassering van het recidiverisico, alsmede hun conclusie dat ambulante behandeling nodig is om dat risico te verlagen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof bovendien gebleken dat de verdachte nog steeds meent dat het slachtoffer hem onrecht heeft aangedaan, welke opvatting ten grondslag heeft gelegen aan het begaan van de bewezenverklaarde feiten.
De maatregel
Met het oog op de beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal het hof aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt een contactverbod met het slachtoffer in en een locatieverbod voor de straat waar zij woont en de straat waar zij werkt, gedurende vijf jaren. Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Nu het hof aan de verdachte na te melden bijzondere voorwaarden zal opleggen, terwijl de verdachte zich bereid heeft verklaard die na te leven, ziet het hof geen aanleiding om aan de verdachte daarnaast de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen.
Vordering tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal € 22.587,69, bestaande uit een bedrag van € 12.587,69 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft de advocaat-generaal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en ten aanzien van de immateriële schade betoogd dat deze onvoldoende is onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe neemt het hof de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking: het gaat om brandstichting in de nachtelijke uren, waarbij het leven van de benadeelde partij in gevaar is geweest. Zij lag te slapen op haar woonboot, werd uit haar slaap gewekt en zag zich geconfronteerd met brand in haar auto, die vlak naast haar woonboot stond, waar haar zoon lag te slapen. Dit terwijl zij enkele weken daarvoor ook al slachtoffer was geworden van brandstichting. Verder neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij de gevolgen daarvan met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd. Zij heeft – door de verdediging onweersproken – gesteld dat zij kampt met slapeloosheid, nachtmerries, herbeleving, prikkelbaarheid en concentratie- en geheugenproblemen. Ook heeft zij enkele dagen in een
safe houseverbleven, totdat de verdachte werd aangehouden.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken en aansluiting gezocht bij bedragen die door de Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken zijn toegekend, zoals neergelegd in de Rotterdamse schaal.
Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het toegewezen bedrag tot immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 december 2024, zijnde de schadeveroorzakende datum, tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 12.587,69 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit de volgende schadeposten:
  • € 12.525,71 (kosten schade bedrijfsauto);
  • € 61,98 (kosten taxatie schade).
Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. Dit deel van de vordering is door of namens de verdachte niet betwist en zal derhalve worden toegewezen.
Het toegewezen bedrag tot materiële schadevergoeding zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 december 2024 (kosten schadeveroorzakende datum) over een bedrag van € 12.525,71 en vanaf 5 mei 2025 (factuurdatum) over een bedrag van € 61,98, tot aan de dag der algehele voldoening.
Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.587,69 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor omschreven, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .
Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 23 februari 2023 onder parketnummer 09-315654-22 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met bevel dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot drie weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 55, 57 en 157 Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Leger des Heils op het adres Binckhorstlaan 287a, 2516 BC Den Haag. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- de verdachte zich laat behandelen door de forensische polikliniek van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding, intake en acceptatie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de behandelaar of reclassering het nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- de verdachte meewerkt aan het vinden van een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na aanmelding, intake en acceptatie. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat:
  • de verdachte voor de duur van
  • de verdachte zich gedurende
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
2 (twee)
wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk
maximum van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot een bedrag van
€ 15.587,69 (vijftienduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 12.587,69 (twaalfduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 15.587,69 (vijftienduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 12.587,69 (twaalfduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
102 (honderdtwee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 december 2024.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 december 2024 over een bedrag van € 12.525,71 en op 5 mei 2025 over een bedrag van € 61,98.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2023 onder parketnummer 09-315654-22 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. F.W. van Lottum en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 februari 2026.