Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:2096

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.366.843/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 350 lid 5 FwArt. 16 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging faillissement wegens gebrek aan baten na beëindiging schuldsaneringsregeling

De rechtbank Rotterdam verklaarde op 1 oktober 2025 de schuldsaneringsregeling van appellante van toepassing en beëindigde deze op 20 maart 2026 wegens niet-nakoming van verplichtingen. Tegelijkertijd werd het faillissement van appellante uitgesproken met benoeming van een rechter-commissaris en curator.

Appellante stelde hoger beroep in tegen het faillissement, stellende dat er geen baten beschikbaar zijn om schuldeisers te voldoen omdat het salaris van de bewindvoerder gelijk is aan het aanwezige actief. De bewindvoerder adviseerde het vonnis te bekrachtigen, maar verklaarde ter zitting dat het faillissement bij gebrek aan baten zal worden opgeheven.

Het hof oordeelde dat het faillissement van rechtswege niet kan intreden zonder beschikbare baten voor voldoening van vorderingen. Het vonnis van de rechtbank werd daarom vernietigd voor zover het faillissement van rechtswege werd uitgesproken, terwijl het overige vonnis werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het faillissement van rechtswege wordt vernietigd wegens gebrek aan baten, overige vonnis wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.366.843/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/25/228 R
Arrest van 28 mei 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. L. Hennink kantoorhoudend in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2025 is ten aanzien van [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op verzoek van de bewindvoerder beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 20 maart 2026. Bij dit vonnis is tevens het faillissement van [appellante] uitgesproken, met benoeming van mr. C.G.E. Prenger tot rechter-commissaris en met aanstelling van R. Springer als curator. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank bij het op 27 maart 2026 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Bij brief (met producties) van 14 april 2026 heeft R. Springer, de bewindvoerder, haar reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden. Het hof heeft nog kennis genomen van door [appellante] en de bewindvoerder nader overgelegde producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Verschenen zijn: [appellante], bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van haar echtgenoot [naam], en ook de bewindvoerder.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] beëindigd op grond van het oordeel dat zij een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw). Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen en dat er daarom ingevolge artikel 350 lid 5 Fw Pro sprake is van een faillissement van rechtswege zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat en voor zover van belang van onderhavige hoger beroep - het volgende overwogen.
2.2
Op 1 oktober 2025 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [appellante] en haar echtgenoot [naam]. Ten aanzien van het boedelsaldo van [appellante], stelt de rechtbank vast dat tijdens het minnelijk traject is gespaard vanuit een situatie die door [appellante] en haar echtgenoot en de schuldhulpverlening werd beschouwd als gemeenschap van goederen terwijl sprake is van huwelijkse voorwaarden, waarbij feitelijk uitsluitend het inkomen van [appellante] is aangewend voor de afdracht. [appellante] en haar echtgenoot zijn er daarbij van uitgegaan dat het vrij te laten bedrag op de juiste wijze was berekend. Uit de stukken blijkt dat het huidige boedelsaldo voortkomt uit deze gespaarde bedragen uit het minnelijk traject, aangevuld met een beperkte afdracht in de Wsnp. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het volledige boedelsaldo toe te rekenen aan de boedel van [appellante] en oordeelt dat dit meebrengt dat in de schuldsaneringsregeling van [appellante] baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen.
2.3
Het beroep van [appellante] richt zich niet tegen de beëindiging van de schuldsanering. [appellante] is het echter niet eens met het oordeel van de rechtbank om haar in staat van faillissement te verklaren. Daartoe heeft zij - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er sprake is van een boedelsaldo. Dit omdat het salaris van de bewindvoerder gelijk is aan het aanwezige actief. Er zijn er daardoor geen baten beschikbaar om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen.
2.4
De bewindvoerder heeft het hof geadviseerd het bestreden vonnis te bekrachtigen.
2.5
Ter zitting van het hof hebben [appellante] en de bewindvoerder hun standpunten toegelicht, waarbij de bewindvoerder desgevraagd heeft verklaard dat indien het faillissement van [appellante] in stand blijft, dit bij gebrek aan baten zal worden opgeheven.
2.6
Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt.
2.7
Indien de beëindiging van de schuldsaneringsregeling geschiedt op grond van het bepaalde in artikel 350 lid Pro c Fw en er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, verkeert de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 350 lid 5 Fw Pro). Voor opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten is aanleiding indien niet voldoende baten beschikbaar zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden (art. 16 Fw Pro). In dat geval is er geen ruimte voor uitkering aan de schuldeisers. Nu de bewindvoerder ter zitting van het hof heeft verklaard dat het faillissement zal worden opgeheven bij gebrek aan baten, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er kan dus geen sprake zijn van het intreden van het faillissement van rechtswege. Voor zover de rechtbank in het bestreden vonnis gevolgen heeft verbonden aan het intreden van het faillissement zal het vernietigd worden.
2.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd ten aanzien van het van rechtswege uitgesproken faillissement.

3.De beslissing

Het hof:
  • stelt vast dat na de beëindiging van de schuldsanering geen aanleiding bestaat voor het intreden van de staat van faillissement van [appellante] van rechtswege;
  • vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2026, voor zover daarin is uitgegaan van het intreden van het faillissement van [appellante] van rechtswege en een rechter-commissaris en curator zijn benoemd en een postblokkade is ingesteld;
  • bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.G.C. Veneman, M.C.M. van Dijk en R. van Galen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.