De rechtbank Rotterdam verklaarde op 1 oktober 2025 de schuldsaneringsregeling van appellante van toepassing en beëindigde deze op 20 maart 2026 wegens niet-nakoming van verplichtingen. Tegelijkertijd werd het faillissement van appellante uitgesproken met benoeming van een rechter-commissaris en curator.
Appellante stelde hoger beroep in tegen het faillissement, stellende dat er geen baten beschikbaar zijn om schuldeisers te voldoen omdat het salaris van de bewindvoerder gelijk is aan het aanwezige actief. De bewindvoerder adviseerde het vonnis te bekrachtigen, maar verklaarde ter zitting dat het faillissement bij gebrek aan baten zal worden opgeheven.
Het hof oordeelde dat het faillissement van rechtswege niet kan intreden zonder beschikbare baten voor voldoening van vorderingen. Het vonnis van de rechtbank werd daarom vernietigd voor zover het faillissement van rechtswege werd uitgesproken, terwijl het overige vonnis werd bekrachtigd.