ECLI:NL:GHDHA:2026:2086

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.306.175/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:663 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg werkingssfeerbepaling verplicht gesteld pensioenfonds bij exploitatie productiefaciliteit rijst

In deze civiele procedure stond centraal of Unirice, Unirice Group en TRC Nederland vielen onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds Stichting MPF in de periode van 1 mei 2006 tot 30 november 2018. Het hof heeft de tekst van het verplichtstellingsbesluit uitgelegd aan de hand van objectieve maatstaven, waarbij het begrip 'betrokken werknemers' breder werd geïnterpreteerd dan alleen degenen die direct rijst bewerken.

Het hof oordeelde dat ook werknemers die werkzaamheden verrichten die dienstbaar zijn aan het bewerken van rijst, zoals inpakken, vervoer en administratie, onder de werkingssfeer vallen. Dit voorkomt onaannemelijke rechtsgevolgen waarbij een onderneming met een meerderheid van werknemers die niet direct rijst bewerken, buiten de werkingssfeer zou vallen.

Verder werd vastgesteld dat Unirice exploitant was van de productiefaciliteit van 1 september 2008 tot 1 mei 2013 en dat de vorderingen tegen TRC Nederland en Unirice Group niet toewijsbaar waren wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een rechtsgrond om deze entiteiten te vereenzelvigen. De vorderingen tot premiebetaling werden afgewezen wegens gebrek aan belang van appellant.

Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en stelde appellant deels in het gelijk door te verklaren dat Unirice onder de verplichtstelling viel in de genoemde periode. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Unirice viel onder de verplichtstelling van Stichting MPF van 1 september 2008 tot 1 mei 2013; overige vorderingen werden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Zaaknummer : 200.306.175/01
Zaaknummer rechtbank : 8633878 CV EXPL 20-23271
arrest van 7 juli 2026
inzake

1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,

appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam,

2.Stichting Molenaarspensioenfonds,gevestigde te Amsterdam,

gevoegde partij,
hierna te noemen: Stichting MPF,
advocaten: mrs. H.L. Doorn en E. Lutjens te Amsterdam,
tegen

1.Unirice B.V.,gevestigd te Capelle aan den IJssel,

2.
Unirice Group B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerden sub 1 en 2,
hierna te noemen: Unirice en Unirice Group,
advocaat: mr. K. Hellinga - Van Dijk te Zwijndrecht,
en

3.TRC Unirice Nederland B.V.,gevestigd te Rotterdam,geïntimeerde sub 3,

hierna te noemen: TRC Nederland,
advocaat: mr. M.W. Minnaard te Amsterdam.
Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1. Het verloop van de procedure na het tussenarrest van 1 juli 2025 blijkt uit de volgende stukken:
  • het exploot van 2 september 2025 waarmee Stichting MPF is opgeroepen in dit geding te verschijnen;
  • de memorie van antwoord van Stichting MPF;
  • de memorie van antwoord na voeging van TRC Unirice Nederland;
  • de memorie van antwoord na voeging van Unirice en Unirice Group.
De verdere beoordeling van het hoger beroep
2. In deze zaak staat de vraag centraal of Unirice, Unirice Group en TRC Nederland in de periode tussen 1 mei 2006 (datum indiensttreding [appellant] ) tot en met
30 november 2018 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Stichting MPF vielen. Met de
grieven 1 tot en met 4heeft [appellant] betoogd dat dit het geval is.
3. Deze zaak hangt nauw samen met de aanverwante zaak van [betrokkene] met nummer 200.306.178/01. [betrokkene] is in dienst getreden per 1 september 2008. Voor de beoordeling van de vorderingen hierna maakt dit overigens geen verschil.
4. In zijn tussenarrest van 1 juli 2025 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld Stichting MPF in dit geding op te roepen om zich in dit geding te voegen, dan wel tussen te komen.
5. Van deze gelegenheid heeft Stichting MPF gebruik gemaakt door zich te voegen aan de zijde van [appellant] . Stichting MPF heeft zich volledig aangesloten bij de grieven van [appellant] en verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van [appellant] toe te wijzen. Stichting MPF heeft daarbij betoogd dat de rapportages van de bedrijfsactiviteitbezoeken uit 2016 en 2018 momentopnames betreffen die in sterke mate steunen op door de werkgever verstrekte informatie. De door [appellant] bij memorie van grieven overgelegde schriftelijke verklaringen van oud-werknemers bieden daarentegen inzicht in de dagelijkse praktijk en vullen die rapportages aan waar die niets zeggen over feitelijk (arbeidsintensieve) handelingen vóór, tijdens en na de bewerking. Stichting MPF is verder van mening dat ook werknemers die werkzaamheden verrichten die dienstbaar zijn aan het be- en verwerken van rijst,
“betrokken”zijn in de zin van de verplichtstelling. Dit geldt met name het aannemen van telefoongesprekken, het inboeken en betaalbaar stellen van facturen, de salarisadministratie, inkoop van materialen en verantwoordelijkheid voor hygiëne en controles. Zonder deze werkzaamheden kan de rijstbewerking niet plaatsvinden, deze functies zijn dus dienstbaar aan het productieproces, aldus nog steeds Stichting MPF.
Werkingssfeer verplichtstellingsbesluit
6. Naar het oordeel van het hof valt de werkgever die de productiefaciliteit exploiteert – waarover hierna meer – in genoemde periode onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit. Dat geldt ook als er wordt uitgegaan van de voorstelling van zaken die Unirice c.s. en TRC Nederland geven over de wijze van exploitatie van de productiefaciliteit. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
7. De pensioenregeling van de Stichting MPF is verplicht gesteld voor werknemers die
“op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van een onderneming die zich uitsluitend of in hoofdzaak beweegt in de Graanbe - en verwerkende industrie [..], waaronder wordt verstaan: a. de be- en verwerking van granen, landbouwzaden en/of peulvruchten".Daarbij is bepaald dat
"Voor wat betreft de term ‘in hoofdzaak’ geldt dat deze geacht wordt van toepassing te zijn als ten minste de helft van de werknemers van de desbetreffende onderneming bij de omschreven bedrijfsactiviteiten is betrokken."
8. Het debat spitst zich toe op wat
“betrokken”betekent. Dit vergt de uitleg van het verplichtstellingsbesluit, in het bijzonder de werkingssfeerbepaling.
9. Voor de uitleg van de werkingssfeerbepaling geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de regeling van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoeling van de partijen die deze tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen ook voor derden die niet bij de totstandkoming waren betrokken kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin deze is gesteld. Bij deze uitleg kan mede acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van een eventuele schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg worden betrokken.
10. Het hof heeft in deze zaak uitsluitend de tekst van het verplichtstellingsbesluit ter beschikking. Er is geen (officiële) toelichting op de werkingssfeerbepaling of op andere bepalingen van het verplichtstellingsbesluit die aan de uitleg kunnen bijdragen. Het komt in deze zaak dus aan op wat de aannemelijke rechtsgevolgen van de verschillende op zichzelf mogelijke interpretaties van deze tekst zijn, nu in de overige bepalingen van het verplichtstellingsbesluit geen aanwijzingen zijn te vinden voor de bedoeling van deze bepaling.
10. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkingssfeerbepaling ruimte laat om op
“andere gronden”– het hof begrijpt: dan de betrokkenheid van de werknemers – te concluderen dat de onderneming in kwestie zich uitsluitend of in hoofdzaak beweegt in de graan be- dan wel verwerkende industrie, bijvoorbeeld omdat deze haar omzet uitsluitend of in hoofdzaak uit die activiteiten genereert (r.o. 4.16). Het hof gaat hier niet in mee. Uit de tekst van het verplichtstellingsbesluit is deze ruimte voor andere gronden niet af te leiden. Het hof ziet verder ook niet in dat de toepassing van andere gronden nodig is om onaannemelijke rechtsgevolgen te voorkomen.
10. Het gaat dus om de betrokkenheid van de werknemers van de productiefaciliteit bij de graanbe- en verwerking. Deze betrokkenheid is in het verplichtstellingbesluit niet gedefinieerd of toegelicht.
10. Unirice c.s. en TRC Nederland stellen het volgende over de werknemers en de aard van het bedrijf van de productiefaciliteit.
 Er waren laatstelijk zes werknemers. Daarvan stond er slechts één aan de millingmachine, die het eigenlijke bewerken van rijst doet. De rest doet dat niet. Vier werknemers houden zich bezig met het inpakken en vervoer van rijst. En er is een administratieve kracht.
 Het bedrijf is in hoofdzaak een groothandel. 70% van de rijst is ‘ready to consume’. Deze rijst wordt niet bewerkt of verwerkt. De andere 30% van de rijst wel.
Hoewel naar het oordeel van het hof, gezien de gemotiveerde betwisting door [appellant] en Stichting MPF en de beschrijving van de productiefaciliteit onder 1.3 in het rapport van het bedrijfsbezoek in 2018, geenszins vaststaat dat de aard van het bedrijf van de productiefaciliteit in hoofdzaak een groothandel is en van de zes werknemers slechts één de millingmachine bedient, is dit niet doorslaggevend. Het hof zal dit punt daarom verder laten rusten.
14. Ook als het hof uitgaat van de omschrijving die Unirice en TRC Nederland geven, leidt dit ertoe dat al deze werknemers zijn
“betrokken”bij
“de omschreven bedrijfsactiviteiten”, en wel om de volgende redenen.
 Het verplichtstellingsbesluit zegt niet dat het bij betrokken werknemers alleen gaat om werknemers die
zelfrijst bewerken. Als dat de bedoeling was geweest had het voor de hand gelegen dat er dan (eenvoudigweg)
“bewerken”in plaats van
“betrokken (…) bij de omschreven bedrijfsactiviteiten”had gestaan. Dit is niet het geval en daarmee een duidelijke aanwijzing dat met
“betrokken (…) bij de omschreven bedrijfsactiviteiten”meer wordt bedoeld dan het zelf bewerken van rijst.
 In het verlengde daarvan ligt het dan ook voor de hand om werknemers voor de werkingssfeer mee te tellen die werkzaamheden verrichten die
dienstbaarzijn aan (de bedrijfsactiviteit van) het bewerken van rijst. Een andere uitleg zou meebrengen dat in een bedrijf waarvan de activiteiten zijn beperkt tot de handel in rijst, en dan alleen in rijst die in dat bedrijf zelf is bewerkt, maar waarbij de meerderheid van de werknemers deze bewerking niet zelf verricht, niet onder de werkingssfeer zou vallen. Dat is een onaannemelijk rechtsgevolg, omdat daarmee de aard van het bedrijf – en daarop is de werkingssfeer gericht – zou worden miskend [1] .
 Er mag worden aangenomen dat de in r.o. 13 bedoelde werknemers ook bewerkte rijst inpakken, vervoeren en administreren. Deze werkzaamheden zijn naar de aard dienstbaar aan de bedrijfsactiviteit van het bewerken van rijst.
 Aldus zijn tenminste de helft van de werknemers van de productiefaciliteit betrokken bij het bewerken van rijst. Dat geldt ook als deze werknemers meer dan de helft van hun werktijd besteden aan het inpakken, vervoeren en administreren van vooraf bewerkte rijst (‘ready to consume’). De betrokkenheid bij het laatste doet niet af aan de – voor de werkingssfeer relevante – betrokkenheid bij het eerste.
 Deze conclusie kan anders zijn als deze dienstbaarheid aan de rijstbewerking verwaarloosbaar is [2] ten opzichte van de aard van het bedrijf: de groothandel in rijst. Dat is niet het geval omdat het bij de verhandelde rijst in ieder geval gaat om 30% van in het bedrijf zelf bewerkte rijst en dat is geen bijkomstigheid. Verder is niets aangevoerd of gebleken om tot een ander oordeel op dit punt te komen. Integendeel, het heeft er zelfs de schijn van dat het aandeel ready to consume-rijst in de jaren vóór 2016 kleiner en het aandeel te bewerken rijst groter is geweest. Zo staat in het rapport van het bedrijfsbezoek van 4 juni 2016:
“Niet alle rijst hoeft te worden ontvliesd, bijvoorbeeld zilvervliesrijst wordt met de vlies verkocht. Ook wordt er soms rijst ingekocht die al ontvliesd is (witte rijst), dan hoeft deze alleen nog te worden schoongemaakt (gepollished) en verpakt. De heer [naam] geeft aan dat er steeds meer rijst wordt ingekocht die al in het land van productie is verwerkt. De reden hiervoor is dat men dat ter plaatse veel goedkoper kan dan in Nederland. De verwachting is dat deze tendens zich in de toekomst zal voortzetten.”,hetgeen overeenkomt met de eerder genoemde bij MvG overgelegde schriftelijke verklaringen.
15. Kortom, de vraag is dan welke werkgever(s) de productiefaciliteit exploiteerden.
Welke werkgevers exploiteerden de productiefaciliteit?
16. [appellant] heeft gesteld dat Unirice van 1 mei 2006 tot 30 april 2014 de exploitant van de productiefaciliteit was en daarna, van 1 mei 2014 tot 30 april 2018, TRC en TRC Unirice Nederland samen, en tot slot Unirice Group in de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 november 2018.
16. Volgens TRC Nederland zit het anders. TRC Nederland zegt:

Uniricewas vanaf haar oprichting in 2001 tot 30 april 2013 exploitant.
 In de periode tussen 1 mei 2013 en 1 mei 2018 was
TRCexploitant, op basis van een leaseovereenkomst van de activa met Unirice Beleggingen en Beheer B.V. (hierna: UBB). TRC had geen werknemers in dienst. Omdat TRC geen procespartij in hoger beroep is, zijn haar activiteiten verder niet relevant.

TRC Nederlandis op 1 mei 2014 opgericht en een 100% dochteronderneming van TRC. De werknemers die voorheen bij Unirice in dienst waren, zijn met ingang van 1 mei 2014 bij TRC Nederland in dienst getreden. Vanuit TRC Nederland hebben deze werknemers in de periode tussen 1 mei 2014 en
1 mei 2018 werkzaamheden verricht op de productiefaciliteit. Het ter beschikking stellen van deze arbeidskrachten is de enige activiteit van
TRC Nederland geweest. Voor het overige hebben vanuit TRC Nederland geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden.
 TRC Nederland was geen exploitant. TRC en TRC Nederland kunnen niet als één entiteit worden gezien.
 Per 1 mei 2018, het einde van de leaseovereenkomst tussen UBB en TRC, is de exploitatie overgegaan op UBB. De werknemers zijn toen in dienst gekomen bij UBB.
18. Unirice c.s. hebben de voorstelling van zaken van TRC Nederland bevestigd, voor zover het de periode tot 1 mei 2018 betreft. Volgens Unirice c.s. is Unirice Group vanaf deze datum de productiefaciliteit gaan exploiteren met gebruikmaking van de activa van UBB. Er is geen sprake van de overname van de activiteiten van TRC en/of TRC Nederland. De exploitatie door Unicrice Group zag alleen op het pellen van biologische rijst. Unirice Group heeft steeds voor haar werknemers deelgenomen aan de pensioenregeling van Stichting MPF.
19. Het hof begrijpt uit deze stellingen enerzijds en uit het rapport van het bedrijfsbezoek aan Unirice van februari 2018 anderzijds dat de werknemers na 1 mei 2013 toen de productiefaciliteit overging naar TRC in dienst zijn gebleven bij Unirice, totdat zij per 1 mei 2014 door TRC Nederland werden overgenomen.
19. Het hof is van oordeel dat alleen de vorderingen – die hierna worden besproken – (alleen) tegen Unirice deels toewijsbaar zijn. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
De vorderingen tegen TRC Nederland
21. Niet in geschil is dat Unirice exploitant was van 1 september 2008 tot
1 mei 2013. [appellant] – op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rusten – heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Unirice geen exploitant meer was in de periode na 30 april 2013.
21. [appellant] heeft ook onvoldoende gemotiveerd weersproken dat TRC per 1 mei 2013 exploitant was op basis van de leaseovereenkomst met UBB en met gebruikmaking van de door TRC Nederland bij TRC gedetacheerde werknemers. [appellant] heeft gesteld dat de exploitatie door TRC en TRC Nederland ‘samen’ was en – zo begrijpt het hof – er daarom een rechtsgrond is om beide rechtspersonen op naleving van de pensioenregeling aan te spreken. TRC Nederland heeft betwist dat zij daarop kon worden aan gesproken, omdat TRC en TRC Nederland twee afzonderlijke rechtspersonen zijn (memorie van antwoord 4.2). [appellant] is daar verder niet op ingegaan, ook niet bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, hetgeen wel van hem mocht worden verwacht. Zo heeft hij niet toegelicht waarom TRC en TRC Nederland mogen worden vereenzelvigd, althans moet worden aangenomen dat zij ‘samen’ de productiefaciliteit exploiteerden, en evenmin waarom hij desalniettemin alleen TRC Nederland en niet ook TRC in hoger beroep heeft betrokken.
21. De vorderingen tegen TRC Nederland zijn daarom niet toewijsbaar.
De vorderingen tegen Unirice
24. Het gaat om de volgende vorderingen.
 Een verklaring voor recht dat Unirice van 1 september 2008 tot 1 mei 2014 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Stichting MPF viel;
 Unirice te veroordelen tot aanmelding van [appellant] als deelnemer bij Stichting MPF met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2008 en de loongegevens van [appellant] over de aan te melden periode aan Stichting MPF door te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
 Unirice te veroordelen achterstallige premie aan Stichting MPF te betalen.
25. De verklaring voor recht ten aanzien van Unirice is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen toewijsbaar, voor zover het betreft de periode van 1 september 2008 tot 1 mei 2013.
25. De vorderingen over het aanmelden en het betalen van premies zijn niet toewijsbaar. De pensioenaanspraken van [appellant] op Stichting MPF zijn immers niet afhankelijk van het betalen van premies, die aanspraken volgen al uit de vaststelling dat Unirice van 1 september 2008 tot 1 mei 2013 viel onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Stichting MPF, terwijl [appellant] in deze periode in dienst was van Unirice. [appellant] heeft dus geen belang bij zijn vordering tot premiebetaling. De premiebetaling is louter een kwestie tussen Stichting MPF en Unirice. De vordering tot premiebetaling is dus bij gebrek aan belang niet toewijsbaar.
27. [appellant] heeft – hoewel zijn aanspraken niet afhankelijk zijn van de aanmelding bij Stichting MPF – wel een belang bij de levering van zijn salarisgegevens aan Stichting MPF. Door de levering van salarisgegevens kan de Stichting MPF immers de omvang van de aanspraak van [appellant] jegens haar bepalen. Gelet op het tijdsverloop sinds 1 mei 2013 is het wel de vraag of Unirice nog over de benodigde gegevens beschikt. Daarom ligt een veroordeling verzwaard met een dwangsom niet in de rede. Een rechter kan immers niet veroordelen tot het onmogelijke. Mocht Unirice de salarisgegevens niet meer kunnen leveren, dan zal Stichting MPF de aanspraken van [appellant] op andere wijze moeten vaststellen.
De vorderingen tegen Unirice Group
28. [appellant] vordert:
 Unirice Group te veroordelen tot aanmelding van [appellant] als deelnemer bij Stichting MPF vanaf primair 1 mei 2006 dan wel subsidiair 1 mei 2014 en de loongegevens over de aan te melden periode aan Stichting MPF door te geven op straffe van een dwangsom.
 Unirice Group te veroordelen achterstallige premie aan Stichting MPF te betalen.
29. Vaststaat dat Unirice Group vanaf het moment dat zij de exploitatie van de productiefaciliteit per 1 mei 2018 heeft overgenomen, [appellant] heeft aangemeld bij Stichting MPF. [appellant] meent echter dat Unirice Group op grond van art. 7:663 BW Pro (de regeling van overgang van onderneming) kan worden aangesproken op verplichtingen van TRC en/of TRC Nederland.
30. Deze veroordelingen kunnen al niet worden toegewezen, om dezelfde redenen als hiervoor onder 26 en 27 vermeld. Daarnaast heeft [appellant] evenmin goed onderbouwd dat Unirice Group op grond van art. 7:663 BW Pro kan worden aangesproken op verplichtingen van TRC en/of TRC Nederland. De vorderingen tegen Unirice Group zijn daarom niet toewijsbaar.
Bewijsaanbiedingen
31. Er zijn geen ter zake dienende concrete bewijsaanbiedingen gedaan.
Slotsom
32. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis wordt vernietigd. Op het punt van het afwijzen van de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van Unirice wordt [betrokkene] alsnog in het gelijk gesteld. Bij die stand van zaken is er aanleiding de kosten van de eerste aanleg, maar ook die in hoger beroep (inclusief het incident) te compenseren.
32. Op dit punt is verder van belang dat Unirice, Unirice Group en TRC Nederland aan elkaar zijn gerelateerd, terwijl ook de chronologische gang van zaken op een samenhang wijst. Voor het hof is dit – evenals voor de kantonrechter – van belang voor de proceskostenveroordeling. Het hof beschouwt hen met betrekking tot de proceskosten als één partij. Aangezien zij op een belangrijk punt - de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van Unirice - in het ongelijk zullen worden gesteld en [appellant] op de andere belangrijke punten, is ook in hoger beroep compensatie van de proceskosten aangewezen. Het feit dat Unirice en Unirice Group gezamenlijk door een advocaat zijn gediend en TRC Nederland door een andere advocaat leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet afdoet aan bedoelde relatie en samenhang.
32. Er zijn geen vorderingen door of tegen Stichting MPF ingesteld. Zij deelt het lot van [appellant] aan wier zijde zij zich heeft gevoegd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2021,
en
opnieuw rechtdoende:
  • verklaart voor recht dat Unirice onder de verplichtstelling viel voor de periode van 1 september 2008 tot 1 mei 2013;
  • compenseert de proceskosten van beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
  • wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.J. van der Ven en A.W. Rutten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Vergelijk: HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2363, r.o. 3.4.2
2.Vergelijk HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795, r.o. 3.2.3