ECLI:NL:GHDHA:2026:2

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
200.335.323/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding na kop-staart aanrijding

In deze zaak, die betrekking heeft op een kop-staart aanrijding, heeft het Gerechtshof Den Haag op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep. De appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Goedhart, heeft Unigarant N.V. aangeklaagd voor schadevergoeding na een aanrijding die plaatsvond op 20 juni 2018. Het hof heeft in eerdere tussenarresten geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld en dat Unigarant aansprakelijk is voor de door de appellant geleden schade. In het eindarrest heeft het hof de schade begroot, waaronder smartengeld, inkomensverlies, en schade aan de auto. De appellant vorderde onder andere € 5.000,- aan smartengeld voor letselschade en € 41.964,88 aan inkomensschade. Het hof heeft de vordering tot smartengeld vastgesteld op € 750,- en het inkomensverlies op € 1.500,-. Daarnaast zijn de kosten van de schade aan de auto en expertisekosten toegewezen. Het hof heeft Unigarant veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, inclusief wettelijke rente, en heeft het eerdere vonnis van de rechtbank vernietigd. De proceskosten zijn eveneens aan de zijde van de appellant toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.335.323/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/637374 / HA ZA 22-912
Arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. M. Goedhart, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Unigarant N.V.,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.D. Markvoort, kantoorhoudend in Hoogeveen.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Unigarant.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat over een kop-staart aanrijding. Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. De bestuurder van de achterste auto werd uitgenodigd een met stukken onderbouwde schadeberekening in het geding te brengen.
1.2
Het hof heeft in een tweede tussenarrest het verzoek de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen verworpen omdat er inmiddels een eindtoestand is bereikt en [appellant] nog één keer de gelegenheid geboden zijn schade deugdelijk te onderbouwen.
1.3
In het onderhavige arrest begroot het hof de schade.

2.Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Voor het verloop van de procedure tot 1 juli 2025 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na dat tussenarrest blijkt uit de volgende stukken:
  • de akte van [appellant] van 8 september 2025, met bijlagen;
  • de akte uitlating van Unigarant van 9 oktober 2025, met bijlage.
2.2
Hierna is opnieuw arrest bepaald.

3.De verdere beoordeling in hoger beroep

3.1
Bij tussenarrest van 11 maart 2025 heeft het hof geoordeeld dat een verzekerde van Unigarant een verkeersfout heeft gemaakt, als gevolg waarvan een kop-staart aanrijding heeft plaatsgevonden, en dat Unigarant aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van de aanrijding geleden schade. Daar het om een “low-impact” aanrijding ging, gaf het hof partijen in overweging met elkaar in overleg te treden over de schadeomvang. Voor het geval partijen er niet in zouden slagen de schade te regelen, verzocht het hof [appellant] een deugdelijke schadeberekening over te leggen, voorzien van alle onderliggende stukken/bewijsmiddelen.
3.2
Bij tussenarrest van 1 juli 2025 heeft het hof het verzoek van [appellant] de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen verworpen, omdat inmiddels een eindtoestand was bereikt. Het hof heeft [appellant] nog eenmaal de gelegenheid geboden een deugdelijke schadeberekening over te leggen, voorzien van alle onderliggende stukken/bewijsmiddelen. [appellant] heeft aan dit verzoek voldaan met zijn akte van 8 september 2025, waarbij hij bewijsstukken heeft overgelegd.
3.3
Het hof merkt op dat het verbazing wekt dat de bedragen die [appellant] noemt in zijn akte van 8 september 2025 niet overeenkomen met de bedragen genoemd onder 3.2 van zijn akte van 8 april 2025 (de door Unigarant als prod. 15 overgelegde Excel-sheet), zonder dat hij aan de verschillen ook maar een woord wijdt. Nu de akte van 8 september 2025 van latere datum is, zal het hof uitgaan van de bedragen genoemd in die akte. Daar de door [appellant] gevorderde schadevergoeding voor het grootste deel betrekking heeft op letsel, zal het hof met die schadepost beginnen.
3.4
Het hof zal de schade vaststellen conform artikel 6:97 BW, dat wil zeggen op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Zoals hieronder nader wordt toegelicht, heeft het hof geen behoefte aan deskundige voorlichting over het letsel van [appellant], omdat daarvan geen meerwaarde te verwachten is. De schade zal deels schattenderwijs worden vastgesteld.
Immateriële schade
3.5
[appellant] vordert een bedrag van € 5.000,- aan smartengeld. Hij stelt daartoe dat hij als gevolg van de aanrijding een hersenschudding heeft opgelopen, waarvan de klachten langer dan zes maanden hebben aangehouden. Ook heeft hij een blauwe plek opgelopen op zijn bovenbeen. Mede gelet op de Letselschade Richtlijn Licht Letsel van de Letselschaderaad, acht hij het door hem gevorderde smartengeld passend.
3.6
Ter onderbouwing van zijn letsel heeft hij een gedeeltelijke uitdraai van het huisartsendossier overgelegd, waaruit blijkt dat hij na de aanrijding vele malen zijn huisarts heeft geconsulteerd met klachten als vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen, die hij relateert aan het ongeval. De huisarts heeft hem in dit kader ibuprofen voorgeschreven. Hij is in verband met zijn klachten op 23 augustus 2025 gezien door neuroloog R. ten Houten, die op 6 september 2018 aan de huisarts als volgt rapporteerde:
-
“Anamnese
-
Zat op 20 juni achter het stuur. Reed ca 65 – 70 km per uur (trok op). Werd van achter aangereden door auto naar schatting van patient ca 110 km reed.
-
(…)
-
Is accountmanager. Werkt weer af en toe een paar uurtjes.
-
Onderzoek
-
Normaal postuur, normaal bewegingspatroon. Bewegingsbeperking van de nek in alle richtingen. Geen neurologische afwijkingen.
-
Aanvullend onderzoek
-
MRI CWK normale bevindingen, met name geen traumatische afwijkingen.
-
Bespreking en conclusie
-
Posttraumatische klachten, geen neurologische uitvalsverschijnselen, geen radiologische afwijkingen. Vanuit neurologisch oogpunt acht ik de prognose goed.”
3.7
In deze brief valt op dat het in de anamnese beschreven ongeval, een ongeval lijkt met een grotere impact dan het ongeval dat heeft plaatsgevonden. Desalniettemin acht de neuroloog de prognose goed.
3.8
Uit (het overgelegde deel van) het huisartsjournaal en de brief van de neuroloog van 6 september 2018 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende overtuigend dat sprake is geweest van door [appellant] ervaren klachten als gevolg van het ongeval. Hoe lang die klachten precies hebben bestaan, is op basis van de in het dossier beperkt aanwezige stukken echter niet goed te bepalen. Wel staat vast dat [appellant] inmiddels volledig is hersteld. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij niet meer weet hoe lang hij “ziek” is geweest als gevolg van het ongeval, maar dat het wel enige tijd is geweest.
3.9
Het hof ziet als hiervoor al overwogen onvoldoende aanleiding om ter zake van de door [appellant] ervaren klachten een deskundige te raadplegen. De deskundige zal immers – nu [appellant] inmiddels is hersteld en bij neurologisch onderzoek in 2018 geen afwijkingen zijn vastgesteld – ook moeten afgaan op de overigens beperkte medische gegevens die beschikbaar zijn. Het hof verwacht gezien dit alles geen toegevoegde waarde van deskundige voorlichting voor de vaststelling van de schade.
3.1
Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat [appellant] gedurende enige tijd klachten (met name vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen) heeft ervaren als gevolg van het ongeval, is smartengeld toewijsbaar. Bij de bepaling van de omvang van het smartengeld zal het hof – naast de omstandigheid dat het om een low-impact aanrijding ging, zonder blijvend letsel – verder de omstandigheid meewegen waarop [appellant] zich ter zitting heeft beroepen, te weten dat de periode volgend op die van het ongeval een nare periode voor hem is geweest, omdat hij het gevoel had dat hij als crimineel werd weggezet.
3.11
Het hof stelt voorop dat bij de naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding van artikel 6:106 lid 1 sub b BW moet worden aangesloten bij wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen (met inachtneming van de inflatie), rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard en de ernst van de (letsel)schade, de aard en de ernst van de gevolgen en de aard en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de mate van gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde.
3.12
Gegeven de door [appellant] hiervoor aangevoerde omstandigheden, acht het hof een smartengeld van € 750,- passend en billijk.
Materiële schade
- verlies aan inkomen
3.13
[appellant] vordert een bedrag van € 41.964,88 ter zake van inkomensschade. [appellant] stelt daartoe dat hij zich als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt heeft moeten melden bij zijn werkgever Tandartspraktijk [naam] B.V. (hierna: de Tandartspraktijk). Als gevolg daarvan is volgens [appellant] zijn contract voor bepaalde duur (tot 1 augustus 2018), na het verstrijken van die duur niet verlengd. Pas toen [appellant] weer volledig hersteld was, is hij weer in dienst genomen. Dit betekent dat [appellant] vanaf augustus 2018 tot en met mei 2019 geen inkomsten heeft genoten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [appellant] de aanzeggingsbrief van 28 juni 2018 van de Tandartspraktijk overgelegd en een aanvullende e-mail van 15 juli 2025.
3.14
Unigarant betwist het gestelde inkomensverlies. De aanrijding had minimale impact. Bij neurologisch onderzoek zijn geen afwijkingen geconstateerd. Bovendien merkt de neuroloog in zijn anamnese op dat [appellant] op dat moment “weer wat uurtjes aan het werk is”, hetgeen zich niet verhoudt tot de voortdurende volledige arbeidsongeschiktheid. Als [appellant] niet meer kon werken voor de Tandartsenpraktijk, kon hij dat elders wel, aldus Unigarant.
3.15
Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de periode voor 1 augustus 2018 geldt dat [appellant] op basis van zijn arbeidsovereenkomst tijdens ziekte recht had op doorbetaling van 70% van zijn loon van € 3.600,- bruto per maand. Als het hof ervan uitgaat dat [appellant] zich op 20 juni 2018 (de dag van het ongeval) heeft ziek gemeld en zich niet hersteld heeft gemeld voor of op 31 juli 2018 (de laatste dag van zijn arbeidsovereenkomst), betekent dat dat hij gedurende 1,33 maand 30% van zijn loon heeft gemist. De schade bedraagt dan € 1.436,40 bruto.
3.16
Per 1 augustus 2018 is zijn arbeidsovereenkomst geëindigd. Voor de periode vanaf die datum geldt allereerst dat – gelet op de betwisting van de schade door Unigarant – [appellant] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het ongeval niet tot werken in staat was. Dat hij kennelijk wel tot (enig) werk in staat was, lijkt ook te volgen uit de brief van de neuroloog aan de huisarts van 23 augustus 2018, waaruit volgt dat [appellant] tijdens het consult op die datum aan de neuroloog heeft verteld dat hij af en toe weer een paar uurtjes werkte. Waar en voor wie heeft [appellant] in deze procedure niet nader toegelicht, hetgeen onder de gegeven omstandigheden wel van hem had mogen worden verwacht.
3.17
[appellant] heeft verder ter zitting bij het hof verklaard dat hij per 1 augustus 2018 niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of een werkloosheidsuitkering, omdat hij door het UWV als verwijtbaar werkloos werd aangemerkt. Hij verklaarde dat hij geen uitkering kreeg, omdat het ongeval zijn schuld zou zijn. Zoals toen besproken, roept deze verklaring vragen op, omdat – zonder nadere toelichting – het verband tussen de weigering van ziekengeld/WW-uitkering en schuld aan het ongeval niet te begrijpen is. Hoewel [appellant] ter zitting verklaarde dat hij de stukken bij het UWV zou kunnen opvragen, heeft hij dat kennelijk niet gedaan, althans hij heeft in zijn akte hiervan geen melding gemaakt en deze ook niet overgelegd. Dit betekent dat het hof er niet van kan uitgaan dat [appellant] per 1 augustus 2018 als gevolg van het ongeval niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of WW-uitkering. In combinatie met het feit dat langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van de low-impact aanrijding niet aannemelijk is, de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd en de prognose goed achtte (hoewel hij uitging van een ongeval met een grotere impact dan zich daadwerkelijk heeft voorgedaan), acht het hof onvoldoende aangetoond dat ook in de periode na 1 augustus 2018 sprake was van relevant inkomensverlies als gevolg van het ongeval.
3.18
Dit betekent dat het hof het inkomensverlies van [appellant] schattenderwijs zal begroten op € 1.500,- bruto.
- schade auto
3.19
[appellant] stelt dat de Volvo als gevolg van de aanrijding is beschadigd. De herstelkosten zijn door deskundige [deskundige] begroot op € 1.548,80 incl. btw. Unigarant betwist deze schade, stellende dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de eigenaar is van de Volvo. Unigarant wijst er daartoe op dat het kenteken en de verzekering van de Volvo op naam stonden van zijn vader.
3.2
[appellant] heeft als bewijs dat hij eigenaar is van de auto een koopovereenkomst van 13 september 2017 van de Volvo overgelegd en een bankafschrift waaruit blijkt dat hij (in ieder geval een deel ter grootte van € 2.000,- van) de aankoopprijs van de auto heeft betaald. De verzekering staat op naam van zijn vader omdat deze de vaste berijder is van de auto, aldus [appellant].
3.21
Op grond van de door [appellant] overgelegde factuur acht het hof voldoende aannemelijk dat [appellant] de auto heeft gekocht en dat hij ten tijde van het ongeval eigenaar was van de Volvo. Nu Unigarant de herstelkosten niet, althans onvoldoende, gemotiveerd heeft weersproken, zijn deze toewijsbaar als gevorderd.
- waardevermindering auto
3.22
[appellant] maakt in zijn akte van 8 september 2025, onder verwijzing naar een nader rapport van [deskundige] van 16 juli 2025, ook aanspraak op een waardevermindering van de Volvo van € 464,64.
3.23
Dit bedrag zal niet worden toegewezen, omdat dit rapport lijkt te zijn gebaseerd op onjuiste gegevens. [deskundige] gaat in dit rapport immers uit van een aanschafwaarde van € 19.950,- van de Volvo, terwijl uit de overgelegde factuur blijkt dat [appellant] de Volvo heeft gekocht voor een bedrag van € 11.950,-. Weliswaar is de aanschafwaarde niet zonder meer gelijk te stellen met de waarde voor de aanrijding, maar het vormt daarvoor wel een indicatie. Bij gebreke van een nadere toelichting doet hieraan niet af dat op de factuur met pen nog een bedrag is vermeld.
- schade dashcams
3.24
[appellant] vordert een bedrag van € 100,- ter zake van de dashcams die zouden zijn beschadigd. [appellant] beschikt niet meer over de aankoopnota van de dashcams. Unigarant betwist deze schade, stellende dat verifieerbare informatie ontbreekt. Zij begrijpt niet hoe een dashcam verloren kan zijn gegaan als gevolg van een aanrijding met een beperkte impact, laat staan dat dat met beide dashcams is gebeurd.
3.25
Nu [appellant] niet (althans onvoldoende onderbouwd) heeft gesteld dat de dashcams als gevolg van het ongeval defect zijn geraakt (ter zitting bij het hof heeft hij alleen verklaard dat door de aanrijding mogelijk relevante beelden zijn verdwenen), en de kosten verder op geen enkele wijze heeft toegelicht of onderbouwd, komt deze post niet voor vergoeding in aanmerking. Weliswaar heeft [appellant] tijdens de deelgeschilprocedure verklaard dat de dashcam achter bij de aanrijding kapot is gegaan, maar tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft hij dit standpunt kennelijk verlaten. Hij verklaarde toen dat de dashcam achter niet was aangesloten, hetgeen hij ter zitting bij het hof heeft herhaald. Dat de dashcam desalniettemin door het ongeval zou zijn beschadigd is door hem toen niet gesteld. Het hof vindt gezien dit alles de stellingen van [appellant] omtrent schade aan de dashcams té vaag om tot toewijzing van een bedrag te komen.
- kosten leenauto
3.26
[appellant] vordert verder € 150,- aan “leenauto”. Ter onderbouwing heeft hij een factuur overgelegd van 2 juli 2019. Unigarant heeft de authenticiteit van deze factuur gemotiveerd betwist, stellende dat onduidelijk is welke auto is geleend en dat de factuur verwijst naar een KvK-nummer van een dansschool.
3.27
Hoewel [appellant] nog niet heeft kunnen reageren op deze laatste stelling van Unigarant, ziet het hof geen aanleiding hem daartoe alsnog toe te laten. Het hof is van oordeel dat [appellant] deze schadepost hoe dan ook te weinig heeft toegelicht. Blijkens zijn eigen verklaring ter zitting beschikte hij immers ten tijde van het ongeval over meerdere auto’s. Gelet op deze stelling is – zonder nadere toelichting – niet begrijpelijk dat en waarom hij kosten heeft moeten maken voor een leenauto. Voorts acht het hof het opmerkelijk dat op de door [appellant] overgelegde factuur wel vermeld is dat de leenauto strekte ter vervanging van de Volvo, maar niet is vermeld welke leenauto is verstrekt. Dit maakt dat het hof twijfelt aan de juistheid van deze factuur.
- expertisekosten
3.28
[appellant] stelt dat hij redelijke kosten heeft gemaakt voor de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid door [deskundige]. De kosten van dit rapport van € 242,- vordert hij op grond van art. 6:96 BW. Voorts heeft hij kosten gemaakt voor het inzichtelijk maken van de hoogte van de waardevermindering van de Volvo. De kosten van dit rapport bedragen € 302,50. Ook dit bedrag wenst [appellant] vergoed te krijgen.
3.29
De expertisekosten van € 242,- zijn, als niet, dan wel onvoldoende betwist toewijsbaar. Die van het rapport voor het inzichtelijk maken van de waardevermindering niet: deze zijn naar het oordeel van het hof niet in redelijkheid gemaakt. Zonder nadere toelichting moet het hof het er immers voor houden dat de deskundige door [appellant] op het verkeerde been is gezet ter zake van de aanschafwaarde van de Volvo.
- eigen risico zorgverzekering
3.3
[appellant] vordert verder zijn eigen risico zorgverzekering 2018 van € 648,58 en 2019 van € 567,44. In het dossier bevinden zich declaratieoverzichten van Zilveren Kruis. Op deze overzichten staan echter ook kosten waarvan – zonder nadere toelichting – niet duidelijk is hoe deze in verband (kunnen) staan met het ongeval (zoals amoxicilline capsules, ketoconazol crème, laboratoriumonderzoek, DBC GGZ ambulante behandeling). Deze kosten komen bij gebreke van een toelichting omtrent het verband met het ongeval niet voor vergoeding in aanmerking. Aangezien niet kan worden verwacht dat het hof zelf een inschatting en een opstelling maakt van de wèl aan het ongeval te relateren kosten, zal de vordering met betrekking tot het eigen risico ziektekostenverzekering worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
3.31
[appellant] vordert – onder verwijzing naar de beschikking van 28 januari 2020 van de rechtbank Midden-Nederland – de kosten van het deelgeschil, die door de rechtbank zijn begroot op € 3.412,20. Tegen deze vordering heeft Unigarant geen verweer gevoerd. Deze kosten zijn dan ook toewijsbaar.
Advocaatkosten voorlopig getuigenverhoor
3.32
Verder vordert [appellant], onder verwijzing naar een factuur van 17 oktober 2022 van zijn advocaat, de volledige proceskosten van het voorlopig getuigenverhoor. Unigarant heeft hiertegen ingebracht dat de factuur van 17 oktober 2022 niet alleen ziet op de onderhavige procedure, maar ook op procedures tegen Centraal Beheer en Amex. Bovendien – zo merkt Unigarant op – kan geen aanspraak worden gemaakt op integrale vergoeding, maar alleen op vergoeding volgens het liquidatietarief.
3.33
Het hof is het wat betreft het laatste punt eens met Unigarant. De kosten van het voorlopig getuigenverhoor maken deel uit van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg volgens liquidatietarief en komen daarom niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.
Wettelijke rente
3.34
[appellant] vordert wettelijke rente over de schadebedragen. Voor zover zijn schade toewijsbaar is, is ook de wettelijke rente toewijsbaar zoals hierna te melden.
Conclusie en proceskosten
3.35
In zijn tussenarrest van 11 maart 2025 heeft het hof geoordeeld dat het hoger beroep van [appellant] in zoverre slaagt dat de verzekerde van Unigarant aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van het ongeval geleden schade. Die schade begroot het hof thans op:
- € 1.548,80 incl. btw aan schade auto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018;
- € 242,- aan expertisekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019;
- € 1.500,- bruto aan inkomensverlies, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 356,40 vanaf 1 juli 2018 en over een bedrag van € 1.143,60 bruto vanaf 1 augustus 2018;
- € 750,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018 en
- € 3.412,20 aan kosten deelprocedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden
in alle gevallen tot het moment van voldoening.
Het hof zal deze bedragen toewijzen.
3.36
Gelet op het vorenstaande kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en is de vordering tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen deze heeft betaald ingevolge het bestreden vonnis eveneens toewijsbaar.
3.37
Unigarant zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten bij de rechtbank aan de zijde van [appellant]. Het hof begroot deze proceskosten op:
dagvaarding € 131,18
griffierecht € 86,-
salaris advocaat € 1.794,-Totaal € 2.011,18
3.38
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [appellant] op,:
dagvaarding € 129,14
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 2.145,- (2,5 punt × tarief I)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.795,14
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Den Haag, team handel van 28 juni 2023,
en opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat Unigarant aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van de kop-staart aanrijding geleden schade en veroordeelt Unigarant tot vergoeding van de volgende schade:
- € 1.548,80 incl. btw aan schade auto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018;
- € 242,- aan expertisekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019;
- € 1.500,- bruto aan inkomensverlies, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 356,40 vanaf 1 juli 2018 en over een bedrag van € 1.143,60 bruto vanaf 1 augustus 2018;
- € 750,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018 en
- € 3.412,20 aan kosten deelprocedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden;
- veroordeelt Unigarant in de kosten van de procedure bij de rechtbank, aan de zijde van [appellant] tot op 28 juni 2025 begroot op € 2.011,18;
- veroordeelt Unigarant in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 2.795,14;
  • bepaalt dat als Unigarant niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Unigarant de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • veroordeelt Unigarant tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis onverschuldigd aan haar heeft betaald;
  • verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, D.A. Schreuder en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.