ECLI:NL:GHDHA:2026:1982

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.354.523/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 47 EU-HandvestArt. 58 statuten PetrobrasArt. 1074 RvArt. 217 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek beleggers tot voeging aan zijde Stichting Petrobras in arbitragegeschil

In deze civiele procedure vorderen beleggers zich te mogen voegen aan de zijde van de Stichting Petrobras in een geschil tegen Petrobras c.s. De beleggers hebben arbitrageprocedures gestart, maar kregen geen inhoudelijke beoordeling van hun vorderingen. Zij beroepen zich op het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro).

Het hof overweegt dat de arbitrageclausule in artikel 58 van Pro de statuten van Petrobras de Nederlandse rechter onbevoegd maakt voor beleggers die arbitrageprocedures zijn gestart en deze volledig hebben doorlopen. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de Stichting niet de belangen kan behartigen van beleggers die arbitrageprocedures zijn gestart. Het hof bevestigt deze uitleg en wijst het verzoek tot voeging af.

De vordering tot voeging wordt afgewezen omdat de beleggers geen belang hebben bij voeging; zij vallen niet onder de groep belanghebbenden waarvoor de Stichting optreedt. De beleggers worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof verwijst de zaak naar de rol voor een arrest in een ander incident en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de beleggers tot voeging af en veroordeelt hen in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.354.523/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/526115 / HA ZA 17-440
Arrest van 23 juni 2026 in het incident
ingesteld door

1.Interfund SICAV,

gevestigd in Luxemburg, Luxemburg,
2.
Fideuram Asset Management (Ireland) Limited,
gevestigd in Dublin, Ierland,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. F.M. Peters, kantoorhoudend in Amsterdam,
in de zaak van
Stichting Petrobras Compensation Foundation,
gevestigd in Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. W.P. Wijers, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.Petróleo Brasileiro s.a. - Petrobras,

gevestigd in Rio de Janeiro, Brazilië,
2.
Petrobras International Braspetro B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
3.
Petrobras Global Finance B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. P. Sluijter, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt eiseressen in het incident hierna samen de Beleggers en afzonderlijk respectievelijk Interfund en Fideuram. Verweersters in het incident noemt het hof respectievelijk de Stichting en Petrobras c.s. en Petrobras c.s. afzonderlijk respectievelijk Petrobras, PIB en PGF.

1.De zaak in het kort

1.1
De Beleggers vorderen in dit incident zich te mogen voegen aan de kant van de Stichting in de zaak tussen de Stichting en Petrobras c.s. Het hof wijst die vordering af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep – voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident – blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 29 januari 2025, waarmee de Stichting in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2024;
  • de incidentele memorie tot voeging van de Beleggers, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in de incidenten tot niet-ontvankelijkverklaring en voeging van de Stichting, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van Petrobras, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van PIB en PGF, met bijlagen.

3.Achtergrond van het incident

3.1
Petrobras is een olieproductiebedrijf. Petrobras hield in de periode 2004-2015 (indirect) alle aandelen in PIB en PGF. Ruim de helft van de aandelen in Petrobas is in handen van de Braziliaanse staat. De overige (gewone en preferente) aandelen in Petrobras zijn genoteerd aan de beurs in São Paulo, Brazilië (Bovespa). Ook op andere beurzen in de wereld vindt handel in haar aandelen plaats.
3.2
Artikel 58 van Pro de tot november 2016 geldende statuten van Petrobras (hierna: de statuten) behelst een arbitrageclausule die in Engelse vertaling (voor zover van belang) als volgt luidt:
"Art. 58 - Disputes or controversies involving the Corporation, its shareholders, managers and members of the Audit Board shall be resolved according to the rules of the Market Arbitration Chamber, with the purpose of applying the provisions contained in Law n° 6,404 of 1976, in these Bylaws, in the rules issued by the National Monetary Council, by the Central Bank of Brazil and by
the Brazilian Securities and Exchange Commission (Comissão de Valores Mobiliários - CVM) as well as in all further rules applicable to the operation of the capital market in general, in addition to those contained in the contracts occasionally signed by Petrobras with the stock exchange or an organized over-the-counter market entity accredited at the Brazilian Securities and Exchange
Commission (Comissão de Valores Mobiliários - CVM), with the purpose of the adoption of corporate governance standards established by these entities and of the respective rules on differentiated practices of corporate governance, if such is the case."
3.3
In 2009 is in Brazilië een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam ‘Lava Jato’ naar witwaspraktijken van criminele organisaties. In 2014 is dit onderzoek uitgebreid naar een bouwkartel. Uit dat onderzoek is gebleken dat deelnemende bouwbedrijven en leveranciers fraudeerden door in de periode 2004-2014 aan (onder meer) Petrobras bovenop de normale prijs een opslag in rekening te brengen en daarvan een ‘kick-back fee’ aan (onder meer) hooggeplaatste functionarissen van Petrobras en politieke partijen betalen.
3.4
De waarde van de Petrobras-effecten is na het bekend worden van de fraude, in de periode van 24 oktober 2014 tot 18 maart 2015, aanzienlijk gedaald.
3.5
De Stichting is op 12 november 2015 opgericht. Conform artikel 3.1 van haar statuten heeft zij als doel:
“a. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Investeerders die schade lijden, schade dreigen te lijden en of schade hebben geleden ten gevolge van het handelen of nalaten van een of meer Petrobras Entiteiten die aanleiding geven tot een Claim;
b. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Investeerders in verband met een Vaststellingsovereenkomst waarvan de verbindendverklaring wordt verzocht aan het Gerechtshof krachtens de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM);
c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade welke de desbetreffende Investeerders stellen te hebben geleden, een en ander met inachtneming van een Vaststellingsovereenkomst,
en het verrichten van al hetgeen verband houdt met het bepaalde in artikel 3.1 onder a en artikel 3.1 onder b, dan wel daaraan dienstig kan zijn, een en ander in de ruimste zin van het woord.”
3.6
De Stichting heeft onder meer Petrobras c.s. gedagvaard in Nederland en vorderingen ingediend gebaseerd op onrechtmatig handelen van Petrobras c.s. in verband met – kort gezegd – de in Brazilië geconstateerde fraude (zie hiervoor in 3.3).
3.7
Petrobras c.s. hebben een beroep gedaan op de arbitrageclausule van artikel 58 van Pro de statuten. Daarover heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 19 september 2018 geoordeeld dat dit beding niet tot gevolg heeft dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover deze zijn ingesteld ten behoeve van de aandeelhouders van Petrobras. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 januari 2020 over de ontvankelijkheid van de Stichting in verband met artikel 58 van Pro de statuten geoordeeld in r.o. 5.35:
“(…) de rechtbank [is] van oordeel dat de Stichting in het kader van deze procedure niet de belangen kan behartigen van de Petrobras beleggers die in staat waren Portugees te lezen toen zij effecten kochten op de Bovespa, een arbitrageprocedure zijn gestart, partij waren in of deelnamen aan een procedure waarin is geoordeeld dat voor die partij slechts de weg van arbitrage openstaat, en/of via een Braziliaanse intermediair/adviseur hebben gehandeld aan de Bovespa. (…)”
3.8
In het tussenvonnis van 26 mei 2021 heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“2.8. (…) de in het tussenvonnis [van 29 januari 2020, hof] gegeven beslissingen met betrekking tot artikel 58 van Pro de Statuten [kunnen] niet in stand blijven. (...) Daarom is de rechtbank van oordeel dat aan de aandeelhouders van Petrobras die gehandeld hebben op de Bovespa niet de toegang tot de onafhankelijke overheidsrechter ontzegd kan worden. De rechtbank komt derhalve terug van het eerder gegeven oordeel over de toepasselijkheid van artikel 58 van Pro de Statuten.
2.9.
De groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt bestaat derhalve ook uit Petrobras beleggers die aandelen hebben gekocht op de Bovespa, zulks met uitzondering van de Petrobras beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart alsmede de Petrobras beleggers die een procedure zijn gestart waarin de onafhankelijke overheidsrechter (in Brazilië of elders) bij onherroepelijke uitspraak heeft geoordeeld dat zij gebonden zijn aan een ruime uitleg van artikel 58 van Pro de Statuten en derhalve aangewezen zijn op arbitrage. (…)”
3.9
De rechtbank heeft in het eindvonnis van 30 oktober 2024 het door de Stichting gevorderde deels toegewezen.
3.1
De Stichting heeft hoger beroep ingesteld. Petrobas heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
3.11
De Beleggers hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen omschreven in 3.3 afzonderlijk arbitrageprocedures geïnitieerd bij de arbitragekamer in Brazilië (Câmara de Arbitragem do Mercado). Deze procedures zijn voor de Beleggers onsuccesvol verlopen.

4.De vordering in het incident

4.1
De Beleggers vorderen in dit incident zich te mogen voegen aan de kant van de Stichting in de zaak tussen de Stichting en Petrobras c.s. (de hoofdzaak), onder de voorwaarde, althans voor het geval het hof tevens van oordeel is dat de groep belanghebbenden namens wie de Stichting in deze procedure optreedt mede omvat Petrobras-beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart en aan wie door het arbitragepanel een inhoudelijke beoordeling op de grondslag van hun vorderingen (‘decision on the merits’) is geweigerd, met veroordeling van Petrobras c.s. in de kosten.
4.2
De Beleggers leggen aan hun vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. De Beleggers hebben, direct of indirect, gehandeld in gewone aandelen en/of preferente aandelen in Petrobras, uitgegeven door Petrobras, buiten de Verenigde Staten, vóór 28 juli 2015, en zijn daarmee “Investeerders” in de zin van artikel 1 van Pro de statuten van de Stichting, of “Petrobras-beleggers”. De Beleggers hebben belang bij de toewijzing van de vorderingen van de Stichting, omdat zij vallen onder de groep Petrobras-beleggers, zoals omschreven door de rechtbank. De Beleggers hebben op enig moment een arbitrageprocedure geïnitieerd, maar zij hebben – zo stellen zij – geen inhoudelijk oordeel gekregen op hun vorderingen. Als de Beleggers niet zouden worden toegelaten zich te voegen aan de zijde van de Stichting, krijgen zij noch in arbitrage noch van de overheidsrechter een inhoudelijke beslissing op hun vorderingen. Dat is in strijd met het recht op effectieve toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 EU Pro-Handvest).

5.Het verweer in het incident

5.1
Petrobras concludeert primair tot onbevoegdverklaring van het hof en subsidiair tot afwijzing, steeds met veroordeling van de Beleggers in de kosten.
5.2
Volgens Petrobras is de Nederlandse rechter onbevoegd op grond van artikel 1074 Rv Pro vanwege de arbitrageovereenkomst in artikel 58 van Pro de statuten, die de Beleggers ondubbelzinnig hebben aanvaard door zelf arbitrageprocedures aan te vangen tegen Petrobras conform die bepaling en die procedures ook volledig te doorlopen. Daarmee hebben de Beleggers afstand gedaan van hun recht op toegang tot de overheidsrechter. De redenen waarom de arbitrages hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen zijn niet relevant. Bovendien zijn de Beleggers gebonden aan de door de rechtbank gegeven omschrijving van Petrobras-beleggers en vallen zij daarbuiten omdat beleggers die een arbitrage zijn gestart, zijn gebonden aan artikel 58 van Pro de statuten. De Beleggers hebben geen belang bij de voeging, omdat zij niet behoren tot de achterban van de Stichting. Petrobras-beleggers die een arbitrage zijn gestart (zoals de Beleggers hebben gedaan), behoren daar namelijk volgens de rechtbank niet toe. Dat de arbitrages tot een voor de Beleggers ongunstig resultaat hebben geleid, schept geen belang bij voeging. Een negatieve uitkomst van de procedure tussen de Stichting en Petrobras voor de Stichting heeft ook geen nadelige gevolgen voor de Beleggers.
5.3
PIB en PGF concluderen tot afwijzing, met veroordeling van de Beleggers in de proceskosten die zij nodeloos hebben moeten maken. Volgens PIB en PGF maken de Beleggers geen verwijt aan PIB en PGF en behoren de Beleggers ook niet tot de achterban van de Stichting.
5.4
De Stichting refereert zich aan het oordeel van het hof.

6.Beoordeling van de vordering in het incident

Internationale rechtsmacht

6.1
Op grond van art. 7 lid 2 Rv Pro geldt het volgende. Indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in de hoofdzaak, komt hem deze ook toe ten aanzien van een vordering tot voeging, tenzij tussen de vordering tot voeging en de vorderingen die in de hoofdzaak zijn ingesteld, onvoldoende samenhang bestaat.
6.2
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 september 2018 geoordeeld dat zij rechtsmacht heeft om te oordelen over een aantal van de vorderingen die de Stichting heeft ingesteld tegen Petrobras, PIB en PGF. In het kader van de beoordeling van dit incident neemt het hof (bij wijze van veronderstelling) aan dat dit oordeel juist is.
6.3
Naar het oordeel van het hof biedt artikel 7 lid 2 Rv Pro een grondslag voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vordering tot voeging. Het is niet gebleken dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de vordering tot voeging en de vorderingen in de hoofdzaak.
Artikel 1074 Rv Pro in verband met artikel 58 van Pro de statuten
6.4
De volgende vraag is of de arbitrageclausule in artikel 58 van Pro de statuten leidt tot onbevoegdheid van het hof op grond van artikel 1074 Rv Pro.
6.5
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 september 2018 over de arbitrageclausule in artikel 58 van Pro de statuten geoordeeld dat – kort gezegd – deze ten aanzien van de Stichting niet geldig is en dat artikel 58 van Pro de statuten niet tot gevolg heeft dat zij ten aanzien van de Petrobas-aandeelhouders onbevoegd is om van de vorderingen van de Stichting kennis te nemen. Ook hier zal het hof in het kader van de beoordeling van dit incident bij wijze van veronderstelling aannemen dat dit oordeel van de rechtbank juist is. Dit betekent dat artikel 1074 Rv Pro niet in de weg staat aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter zake van de vordering tot voeging.
Het belang van de Beleggers
6.6
Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen (artikel 217 Rv Pro). Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de kant van wie zij zich wil voegen.
6.7
De Beleggers wensen zich aan te sluiten bij de vordering van de Stichting tegen Petrobras. Zij zijn van mening dat zij behoren tot de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt. De rechtbank heeft (voor zover van belang) geoordeeld dat tot de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt behoort de belegger die Petrobras-aandelen heeft gekocht, maar die geen arbitrageprocedure is gestart. De Beleggers zijn van mening dat dit oordeel zo moet worden uitgelegd dat tot de groep belanghebbenden ook behoren de Petrobras-beleggers zoals zijzelf, die een arbitrageprocedure zijn gestart maar waarbij het arbitragepanel een inhoudelijke beoordeling op de grondslag van hun vorderingen (‘decision on the merits’) heeft geweigerd. Hun vordering tot voeging is onder deze voorwaarde ingesteld.
(i)
Arbitrageprocedure
6.8
Onbetwist is dat Interfund in een arbitrageprocedure – door haar geïnitieerd op grond van artikel 58 van Pro de statuten – heeft geprobeerd haar rechten geldend te maken en dat haar haar vordering door het scheidsgerecht is ontzegd, omdat naar Braziliaans recht waardevermindering van aandelen in een vennootschap niet als schade geldt. De Beleggers stellen zich dan op het standpunt dat met dat oordeel van het scheidsgerecht de vordering van Internfund op formele gronden is afgewezen en haar vordering niet inhoudelijk is beoordeeld. Dit is onwenselijk en in strijd met artikel 6 EVRM Pro, omdat, als haar nu ook de toegang tot de overheidsrechter wordt ontzegd, haar vordering onbeoordeeld blijft. De omschrijving die de rechtbank heeft gegeven van de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt, moet daarom zo worden begrepen dat daaronder ook valt die belegger wiens vordering op niet inhoudelijke gronden is afgewezen.
6.9
Het hof volgt de Beleggers niet. De bewoordingen “beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart” die de rechtbank in r.o. 5.35 van het tussenvonnis van 29 januari 2020 en 2.9 van het tussenvonnis van 26 mei 2021 heeft gebruikt om bepaalde beleggers uit te sluiten van de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt, moeten als volgt worden begrepen. Beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart zijn uitgesloten, tenzij de arbiters zich onbevoegd hebben verklaard om van de vordering kennis te nemen omdat een arbitrageovereenkomst ontbreekt. Als beleggers vanwege het bestaan van een arbitrageovereenkomst hebben gekozen voor arbitrage, staat de weg naar de overheidsrechter niet meer open. Deze beleggers vallen dan ook niet onder de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt.
6.1
Ter zake van Fideuram is het hof van oordeel dat onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat zij weliswaar een arbitrageprocedure tegen Petrobras is begonnen, maar dat het scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard om van de vordering kennis te nemen vanwege het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.
6.11
Interfund stelt zelf (onder verwijzing naar de door haar overlegde productie 3) dat de arbiters haar vordering hebben afgewezen (onder meer) op de grond dat Interfund geen actie tot schadevergoeding kan instellen, omdat de waardevermindering van haar aandelen indirecte schade is die naar Braziliaans recht in dit geval niet toewijsbaar is. Het hof stelt vast dat de vordering dus is afgewezen op inhoudelijke gronden en dat de arbiters zich niet onbevoegd hebben verklaard op de grond dat een arbitrageovereenkomst ontbreekt.
6.12
Het beroep van de Beleggers op artikel 6 EVRM Pro slaagt niet. Van een vacuüm, in de zin dat Interfund zowel in arbitrage als bij de overheidsrechter niet terecht kan voor een beoordeling van haar vordering, is namelijk geen sprake. Dit volgt al uit het voorgaande. Bovendien zou Interfund, als zij zou worden toegelaten als voegende partij, geen ruimte hebben om eigen rechten geldend te maken of veilig te stellen.
Conclusie en proceskosten
6.13
Uit het voorgaande volgt dat de Beleggers geen belang hebben bij hun vordering tot voeging aan de zijde van de Stichting omdat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de vordering door de Stichting is ingesteld.
6.14
De conclusie is dat de vordering tot voeging van de Beleggers zal worden afgewezen. Het hof zal de Beleggers veroordelen tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Stichting, PIB en PGF en Petrobras. De kosten aan de zijde van de Stichting en PIB en PGF worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van Petrobras worden begroot op € 1.290,- (1 punt × tarief II).

7.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • wijst de vordering van de Beleggers af;
  • veroordeelt de Beleggers in de kosten van dit incident, aan de kant van Petrobras tot op heden begroot op € 1.290,- (1 punt × tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Beleggers deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als de Beleggers niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Beleggers de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Beleggers deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben voldaan;
  • verklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2026 voor arrest in het ontvankelijkheids-incident dat is ingesteld door PIB en PGF;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.P. Schild en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.