Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1962

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
22-001285-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: Tbs met voorwaarden opgelegd wegens doodslag tijdens psychose

De verdachte heeft zijn echtgenote op 2 september 2024 te Leimuiden met meerdere messteken om het leven gebracht. Psychiatrisch en psychologisch onderzoek toonde aan dat hij ten tijde van het delict leed aan een bipolaire I stoornis met psychotische kenmerken, waardoor hij niet strafbaar kon worden gehouden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van straf, maar legde wel tbs met voorwaarden en een maatregel tot gedragsbeïnvloeding op.

De deskundigen concludeerden dat de stoornis leidde tot een volledige ontregeling van de geestvermogens, waardoor de verdachte niet in staat was zijn gedrag te controleren. De reclassering adviseerde een langdurig behandeltraject met toezicht. Het hof volgde dit advies en bepaalde dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, mede vanwege het matige recidiverisico bij terugkeer van symptomen.

Daarnaast kende het hof affectieschade toe aan de kinderen en ouders van het slachtoffer, terwijl andere vorderingen deels werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat deze bij de burgerlijke rechter moeten worden ingediend. De verdachte is verplicht de toegekende schadevergoedingen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers. De voorwaarden van de tbs en gedragsbeïnvloeding zijn uitgebreid omschreven, inclusief medewerking aan behandeling en toezicht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt tbs met voorwaarden en gedragsbeïnvloeding opgelegd met schadevergoedingen aan nabestaanden.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001285-25
Parketnummer: 09-282062-24
Datum uitspraak: 16 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2025, alsmede het daarop volgende herstelvonnis van 26 mei 2025, in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en is de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met verpleging van overheidswege gelast. Tevens is aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna ook: gvm) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) opgelegd. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 september 2024 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, behoudens ten aanzien van de bewezenverklaring, dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan de verdachte tbs met voorwaarden zal worden opgelegd, met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr aan de verdachte zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks2 september 2024 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer]
(meermalen
)met een mes
, althans een scherp en/of puntig voorwerp,in het lichaam te steken.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de advocaat-generaal en de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat de verdachte om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het psychiatrisch onderzoek van D. van Dam, psychiater, van 30 december 2024 en het psychologisch onderzoek van L. Stam, GZ-psycholoog, van 3 januari 2025 en op het aanvullend psychiatrisch onderzoek van D. van Dam, psychiater, van 28 mei 2026 en het aanvullend psychologisch onderzoek van L. Stam, GZ-psycholoog, eveneens van 28 mei 2026.
De psychiater, D. van Dam, heeft gerapporteerd dat er bij de verdachte sprake is van een bipolaire I stoornis. Ernstig, met psychotische symptomen, laatste episode manisch. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van een psychiatrische ontregeling – een psychotische episode met zowel manische als depressieve kenmerken – waarin de verdachte in toenemende mate werd geleid door overtuigingen die dwingend en richtinggevend waren voor zijn gedragskeuzes. Het geheel is te kaderen bij een situatie waarin het denken en de beleving van de verdachte volledig waren bepaald door zijn ervaringen en overtuigingen, waarbij hij niet in staat was om deze te relativeren of alternatieven te overwegen. Tegelijkertijd was sprake van een verhoogde mate van spanning en het gevoel van
'entrapment’, waardoor het handelen een impulsief karakter kreeg – een snelkookpan. In deze toestand waren oordeelsvorming, het overwegen van gedragsalternatieven en gedragssturing volledig beperkt.
De rapporteur heeft geadviseerd om de verdachte het tenlastegelegde niet toe te rekenen.
De psycholoog, L. Stam, heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een bipolaire-I-stoornis met psychotische kenmerken (thans in remissie). Ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van eenzelfde beeld. De rapporteur heeft in haar Pro Justitia rapportage van 3 januari 2025 geconcludeerd dat gesteld kan worden dat er sprake is van een volledige doorwerking van de psychotische stoornis (meer specifiek: bipolaire-I-stoornis met psychotische kenmerken) op het tenlastegelegde. De verdachte was niet in staat tot adequate realiteitstoetsing en zijn gedachten en gevoelens werden volledig door zijn waandenkbeelden en hallucinaties in beslag genomen. Hij was daardoor niet in staat zijn gedragingen op adequate wijze af te wegen en te controleren.
De rapporteur heeft destijds geadviseerd om de verdachte het tenlastegelegde in het geheel niet toe te rekenen en heeft op basis van het geactualiseerde onderzoek geen reden gezien om van dit advies af te wijken.
Het hof is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen uit de onderliggende onderzoeken, neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne. Het hof zal het bewezenverklaarde feit dan ook niet aan de verdachte toerekenen, zodat de verdachte voor dit feit niet strafbaar is. Gelet hierop zal het hof de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde ontslaan van alle rechtsvervolging.
Motivering van de op te leggen maatregelen
Over de persoon van de verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt, te weten:
  • Pro Justitia rapportage, opgemaakt en ondertekend door D. van Dam, psychiater, d.d. 30 december 2024;
  • Pro Justitia rapportage, opgemaakt en ondertekend door L. Stam, GZ-psycholoog, d.d. 3 januari 2025;
  • Reclasseringsadvies betreffende tbs met voorwaarden, opgemaakt en ondertekend door [reclasseringswerker 1] , reclasseringswerker, d.d. 3 februari 2025;
  • Reclasseringsadvies betreffende tbs met voorwaarden, opgemaakt en ondertekend door [reclasseringswerker 2] , reclasseringswerker, d.d. 19 mei 2026;
  • Aanvullende Pro Justitia rapportage, opgemaakt en ondertekend door D. van Dam, psychiater, d.d. 28 mei 2026;
  • Aanvullende Pro Justitia rapportage, opgemaakt en ondertekend door L. Stam, GZ-psycholoog, d.d. 28 mei 2026.
De volgende rapportages heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen.
Allereerst geldt dat voor de door de psychiater D. van Dam opgemaakte Pro Justitia rapportage van 28 mei 2026. Naast het hiervoor reeds aangehaalde blijkt hieruit dat wanneer gestructureerde risicotaxatie en beschermende factoren gecombineerd worden met klinische inschatting, het recidiverisico op matig komt indien geen interventies gepleegd zouden worden en kan dit verlaagd worden tot laag bij optimale behandeling en andere interventies. Een manisch psychotische episode kan zich kenmerken door sterke impulsiviteit en verhoogd activiteitenniveau. Dat is gelinkt aan risico op recidive maar ook op suïcidaal gedrag. Indien de stoornis stabiel gehouden kan worden, is het geschatte recidiverisico daarmee ook laag.
Het hof heeft verder acht geslagen op de door L. Stam, GZ-psycholoog, opgemaakte Pro Justitia rapportage van 28 mei 2026. Naast het hiervoor reeds aangehaalde blijft de deskundige bij de door haar eerder, bij rapport van 3 januari 2025, genomen conclusies dat in het geval van de verdachte het risico op recidive vrijwel volledig door de bipolaire-I-stoornis met psychotische kenmerken wordt bepaald. Indien de symptomen daarvan volledig in remissie zijn, wordt een laag recidiverisico verondersteld. Indien verdachtes psychotische symptomen terugkeren, wordt een hoger (i.e. matig) risico op recidive verwacht.
Beide deskundigen hebben geadviseerd om aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen.
Volgens de psychiater D. van Dam wordt deze maatregel als het meest passend juridisch kader beschouwd, gelet op de aard van het tenlastegelegde, het beloop met ook tijdens verblijf in het PPC een nieuwe manisch-psychotische ontregeling en het matige recidiverisico bij terugkeer van symptomen. Dit kader biedt de noodzakelijke waarborgen om behandeling, toezicht en risicomanagement langdurig te borgen, terwijl het
aansluit bij de aanwezige beschermende factoren, de beperkte psychiatrische en
justitiële voorgeschiedenis, en de huidige – meer doorleefde dan ten tijde van de
initiële rapportage d.d. 30 december 2024 – behandelmotivatie van de verdachte. De stoornis van de verdachte is tot nu toe goed beheersbaar gebleken met medicamenteuze behandeling. Een poging tot verlaging van olanzapine, in combinatie met de stress van een rechtszitting, leidde tot instabiliteit, maar dit herstelde spoedig met hervatting, en leidde nimmer tot delictgedrag. Een tbs met bevel tot verpleging is overwogen, maar wordt door de deskundige niet noodzakelijk geacht. De verdachte functioneert thans stabiel, is begeleidbaar, responsief en coöperatief gebleken en beschikt over een steunend netwerk. Medicatiegebruik was voor het tenlastegelegde wel een kwetsbaar punt, waardoor langdurig toezicht noodzakelijk is. In dat kader kan, indien nodig, volgens de deskundige een gvm worden overwogen, om ook na afloop van de tbs met voorwaarden monitoring te continueren.
De psycholoog L. Stam acht het met name van belang om verdachte gedurende een langere tijd onder toezicht te houden. Een klinische behandeling van meerdere jaren wordt niet noodzakelijk geacht. Bij onverhoopte terugval in symptomen zal een tijdelijke terugkeer naar een klinische behandelsetting (en noodmedicatie) vermoedelijk wel nodig zijn. Dit alles kan echter binnen een kader van tbs met voorwaarden (in combinatie met een gvm) worden vormgegeven. De verdachte is gemotiveerd voor behandeling en de verwachting is dat hij zich ook aan voorwaarden zal kunnen houden. Vanuit gedragsdeskundig oogpunt wordt een tbs met bevel tot verpleging niet noodzakelijk geacht, aldus de deskundige.
Ook heeft het hof acht geslagen op het door [reclasseringswerker 2] opgemaakte reclasseringsadvies betreffende tbs met voorwaarden van 19 mei 2026. Uit dit advies komt naar voren dat waar de reclassering in een vorig rapport risico’s zag in de kritische en zelfbepalende houding van de verdachte, die zorgen, na contact met de verdachte en betrokken ketenpartners, na het afgelopen jaar enigszins zijn afgenomen. De verdachte lijkt zich beter bewust van zijn eigen ziektebeeld en lijkt de daarbij passende (langdurige) interventies te hebben geaccepteerd.
Daarnaast heeft hij de bijwerkingen van zijn medicatie geaccepteerd en realiseert hij zich dat dit (langdurig) onderdeel zal zijn van zijn leven. Echter blijft langdurig extern risicomanagement in de vorm van controle op het gebruik van medicatie naar de mening van de reclassering alsnog geïndiceerd. Daarnaast heeft de verdachte in het verleden aangetoond niet intrinsiek gemotiveerd te zijn voor zowel medicatie als behandeling. Sinds de veroordeling in eerste aanleg heeft de verdachte laten zien hier stappen in te hebben gemaakt. Er is ogenschijnlijk meer sprake van intrinsieke motivatie, probleembesef en ziekte-inzicht. Gelet op de ernst van het delict en de gediagnosticeerde problematiek, is naar de mening van de reclassering een, in aanvang klinisch, behandeltraject geïndiceerd, waarbij het zorgkader zich over een langere tijd dient uit te strekken. Dit maakt dat de reclassering positief adviseert over een tbs met voorwaarden.
De deskundigen Van Dam en Stam, alsmede reclasseringswerker [reclasseringswerker 2] , zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2026 gehoord, waaruit is gevolgd dat zij nog altijd achter hun advies tot oplegging van tbs met voorwaarden staan.
Uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht is het hof gebleken dat de verdachte gedurende zijn detentie de eerste stappen heeft gezet naar meer zelfinzicht. In het verlengde daarvan heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven bereid te zijn tot naleving van de (door de reclassering) gestelde voorwaarden.
Oordeel van het hof over de op te leggen tbs
Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de deskundigen Van Dam en Stam worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof neemt deze bevindingen en de getrokken conclusies over en maakt die tot de zijne.
Het hof komt op basis daarvan tot het oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde doodslag een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde – een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld – alsmede hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte en het gevaar voor herhaling is overwogen, is het hof van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van tbs eist.
Het hof ziet in al het voorgaande aanleiding om de maatregel van tbs met voorwaarden te gelasten. Bij het formuleren van de voorwaarden zal het hof aansluiten bij het hiervoor genoemde reclasseringsadvies van 19 mei 2026.
Het hof zal op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Daartoe is redengevend dat de complexiteit van de pathologie en het recidiverisico van zodanige aard zijn, dat het onverantwoord is vanuit veiligheidsoogpunt de verdachte onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren.
Voor het geval de verdachte zich ondanks zijn bereidverklaring niet aan (één of meer van) de voorwaarden mocht houden, overweegt het hof dat de tbs wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat betekent dat indien de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en de dwangverpleging alsnog wordt bevolen, de duur van de maatregel niet gemaximeerd is.
Oordeel van het hof over de op te leggen gvm
Omdat het hof tbs met voorwaarden zal gelasten, zal het hof aan de verdachte ook een gvm als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een gvm is voldaan. Naar het oordeel van het hof is oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , de minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer, zich als benadeelde partijen gevoegd en een gezamenlijke vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 347.119,58, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:
  • Onderhoudsbijdrage (in totaal): primair € 197.119,58, subsidiair € 140.980,00 en meer subsidiair € 75.000,00
  • Nader te onderbouwen materiële schade: € 15.000,00
  • Affectieschade (in totaal): € 60.000,00
  • Aantasting in de persoon (in totaal): € 60.000,00
  • Nader te onderbouwen immateriële schade: € 15.000,00
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering gehandhaafd. Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partijen te kennen gegeven de posten “nader te onderbouwen materiële schade” en “nader te onderbouwen immateriële schade” niet te handhaven. De vordering is in hoger beroep aldus aan de orde tot een bedrag van (€ 347.119,58 – € 30.000,00 = ) € 317.119,58, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van - in totaal - € 195.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen voor het overige.
De vordering van de benadeelde partijen is namens de verdachte betwist.
Onderhoudsbijdrage
Het hof zal de benadeelde partijen voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en is namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. Een nadere onderbouwing en verdere behandeling van de vordering alvorens mogelijk tot een toewijzing van (een deel van) deze post kan worden overgaan, zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Affectieschade
De benadeelde partijen hebben in totaal € 60.000,00 aan affectieschade gevorderd. Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen als kinderen van het slachtoffer op grond van artikel 6:108, lid 4, aanhef en onder d, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 per benadeelde partij is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en het hof zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Aantasting in de persoon
Het hof zal de benadeelde partijen voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Het hof is van oordeel dat niet eenvoudig kan worden vastgesteld of sprake is van dergelijke schade, temeer omdat deze schade deels in de toekomst is gelegen. Een nadere onderbouwing en verdere behandeling van de vordering alvorens mogelijk tot een toewijzing van (een deel van) deze post kan worden overgaan, zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 60.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen, ten behoeve van de slachtoffers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2025 heeft de benadeelde partij de vordering verlaagd tot een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Affectieschade
De benadeelde partij heeft € 17.500,00 aan affectieschade gevorderd. Het hof stelt vast dat
de benadeelde partij als moeder van het overleden slachtoffer op grond van artikel 6:108, lid 4, aanhef en onder c, BW aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en het hof zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.864,69, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 17.864,69, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Materiële schade
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Affectieschade
De benadeelde partij heeft € 17.500,00 aan affectieschade gevorderd. Het hof stelt vast dat
de benadeelde partij als vader van het overleden slachtoffer op grond van artikel 6:108, lid 4, aanhef en onder c, BW aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en het hof zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.864,69 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 6]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 32.722,82, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.722,82, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Shockschade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 15.000,- aan shockschade gevorderd. Dit betreft schade die geleden kan worden door het waarnemen van een strafbaar feit, of de gevolgen daarvan. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Bij de benadeelde partij moet een hevige emotionele schok teweeggebracht zijn door het
waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen
ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat
zal zich, zo heeft de Hoge Raad overwogen, met name kunnen voordoen als de benadeelde
partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het
tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is vereist dat het
bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen
slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, al hoeft geen sprake te zijn van een expliciete diagnose. Hiermee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is en in voldoende mate objectiveerbaar. Shockschade is dus een specifieke vorm van schade.
Toegepast op deze zaak stelt het hof het volgende vast.
De benadeelde partij is de broer van het overleden slachtoffer. Hoewel het hof niets wil afdoen aan de indruk die de gebeurtenissen in het ziekenhuis op de benadeelde partij moeten hebben gemaakt, is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de daaraan te stellen eisen voor toewijzing van shockschade. De benadeelde partij heeft het strafbare feit immers niet zelf waargenomen en is evenmin direct (in de woning of op straat) geconfronteerd met de ernstige gevolgen ervan. Het hof zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.
Materiële schade
De gestelde materiële schade van de benadeelde partij, zijnde een bedrag van in totaal
€ 222,82, bestaat uit medische kosten. Uit de (nadere) schriftelijke toelichting blijkt dat de benadeelde partij deze kosten als gevolg van het door shockschade opgelopen geestelijke letsel heeft gevorderd. Omdat het hof van oordeel is dat de benadeelde partij geen aanspraak maakt op vergoeding van shockschade zal het hof de vordering ten aanzien van de gevorderde medische kosten eveneens afwijzen.
Affectieschade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade gevorderd. Broers en/of zussen behoren niet tot de kring van gerechtigden die volgens de wet aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Er is dan ook geen wettelijke grondslag voor toewijzing van affectieschade aan dergelijke personen. Dat dit naar toekomstig recht wellicht anders zal worden, zoals door de advocaat van de benadeelde partij is gesteld, doet hieraan niet af. Omdat de benadeelde partij niet behoort tot de kring van gerechtigden heeft de benadeelde partij een beroep gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule die in artikel 6:108, lid 4, onder g, BW is opgenomen. Deze clausule houdt in dat affectieschade kan worden toegekend aan “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”. Zonder af te doen aan de sterke band die de benadeelde partij met zijn zus had en hoe invoelbaar zijn leed ook is, is hetgeen door en namens de benadeelde partij is aangevoerd naar het oordeel van het hof onvoldoende om in aanmerking te komen voor vergoeding van affectieschade via de hardheidsclausule.
Het hof zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve integraal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld,
verklaart de verdachte niet strafbaaren
ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1. De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
2. De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
  • De verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • De verdachte laat één of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien.
  • De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • De verdachte verstrekt aan de reclassering een actuele foto, waarop zijn gezicht herkenbaar is;
  • De verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
  • De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
3. Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per kalender jaar;
4. De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;
5.
 De verdachte laat zich opnemen in een forensische kliniek met een voldoende hoog
beveiligingsniveau, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de behandelaren en de reclassering dat nodig vinden;
  • De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan het innemen van medicijnen en de controle daarop onderdeel zijn van de behandeling;
  • Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6. De verdachte laat zich behandelen door het FACT Team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
7.
  • Aansluitend aan zijn klinische opname zal de verdachte, indien geïndiceerd, verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden;
  • De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
2 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
2 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
2 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 67 (zevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
2 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.864,69 (zeventienduizend achthonderdvierenzestig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 364,69 (driehonderdvierenzestig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 17.864,69 (zeventienduizend achthonderdvierenzestig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 364,69 (driehonderdvierenzestig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 68 (achtenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. R. Brand en mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juni 2026.