ECLI:NL:GHDHA:2026:1945

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
22-004037-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep openlijke geweldpleging in vereniging met toewijzing schadevergoeding

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis, wegens openlijke geweldpleging in vereniging tegen het slachtoffer op 26 mei 2022 in Lekkerkerk. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof acht bewezen dat de verdachte samen met anderen het slachtoffer heeft geslagen en geschopt, waarbij het slachtoffer letsel opliep zoals een gescheurde enkelband en een hersenschudding. Dit werd onderbouwd met getuigenverklaringen, camerabeelden en de eigen verklaring van de verdachte. De verdediging werd verworpen.

De straf is vastgesteld op een taakstraf van 140 uur, met een vervangende hechtenis van 70 dagen bij niet-nakoming. Daarnaast is de vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding van in totaal €2.538,23 toegewezen, bestaande uit materiële schade (zorgkosten, telefoonschade, verlies aan verdienvermogen) en immateriële schade wegens lichamelijk letsel.

Het hof legde de verdachte tevens de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf verschillende aanvangsdata. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij tot aan deze uitspraak.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 140 uur en toewijzing van schadevergoeding van €2.538,23 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004037-24
Parketnummer: 09-103307-23
Datum uitspraak: 10 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 mei 2022 te Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard openlijk, te weten op/aan de Achterstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of te schoppen tegen het hoofd en/of de enkel(s), althans het lichaam van die [slachtoffer] terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten gescheurde enkelbanden en/of een enkelverstuiking en/of een hersenschudding en/of een wond op de wang, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks26 mei 2022 te Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard openlijk, te weten op
/aande Achterstraat,
in elk geval op of aan de openbare wegen/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door meermalen
, althans eenmaal,te slaan
tegen het hoofd en te schoppen tegen de enkel,althans het lichaamvan die [slachtoffer] terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten
eengescheurde enkelband
en en/of een enkelverstuikingen
/ofeen hersenschudding en
/ofeen wond op de wang, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De aangever heeft – kort samengevat – verklaard dat hij op 26 mei 2022 in de Achterstraat in Lekkerkerk liep toen er een groep jongens op hem af kwam lopen. Een jongen uit de groep schreeuwde tegen hem dat de aangever zijn jas had gesloopt en dat hij nu moest betalen of zijn jas moest geven. Vervolgens begon die jongen te slaan tegen het gezicht van de aangever en schopte hij hem tegen zijn enkels. Ook een andere jongen begon de aangever te slaan en te schoppen. De aangever heeft later via vrienden te horen gekregen dat de eerste jongen de verdachte was. Ook de getuige [getuige] heeft – kort samengevat – verklaard dat de aangever in de Achterstraat werd geconfronteerd door een groep mannen, dat een jongen uit de groep de aangever aansprak over schade aan zijn jas en daarom geld of zijn jas van de aangever wilde en dat de jongen en een andere jongen de aangever sloegen tegen zijn hoofd en schopten tegen zijn enkel. Op camerabeelden met geluidsopname, gemaakt op de bewuste avond in de Achterstraat, is te zien dat er een groep personen om de aangever heen staat en dat een persoon uit die groep zich agressief gedraagt tegenover de aangever, terwijl te horen is dat vanuit de groep wordt geroepen “hij heeft die fucking jas gesloopt”. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de persoon op de camerabeelden is die zich agressief gedraagt tegen de aangever en dat hij de aangever verantwoordelijk hield voor de schade aan zijn jas.
Gelet op deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de aangever. De verklaring van de verdachte dat hij tijdens de geweldpleging niet in de buurt was van de aangever, acht het hof ongeloofwaardig. Het was immers juist de verdachte die de aangever verantwoordelijk hield voor de schade aan zijn jas, terwijl hij zich bovendien zichtbaar agressief heeft gedragen tegen de aangever.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer. Na afloop van een uitgaansavond heeft de verdachte het slachtoffer op straat op agressieve wijze geconfronteerd om verhaal te halen over zijn kapotte jas. Hij heeft het slachtoffer, samen met een ander, tegen zijn hoofd geslagen en tegen zijn enkel geschopt. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden en letsel opgelopen, waaronder een gescheurde enkelband en een hersenschudding. Ook voelt het slachtoffer zich nog steeds angstig als gevolg van het gebeurde. De verdachte heeft door aldus te handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Daarnaast draagt dit soort openlijk geweld bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 mei 2026.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf, zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een totaalbedrag van € 2.597,05.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, met uitzondering van de gevorderde zorgkosten.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De gevorderde zorgkosten ter hoogte van € 287,00 zijn niet betwist en zijn een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Deze schadepost komt dus voor toewijzing in aanmerking.
De gevorderde schade aan de telefoon acht het hof voldoende onderbouwd met facturen alsmede de door de benadeelde partij ter terechtzitting gegeven toelichting, terwijl deze schadepost door de verdediging onvoldoende is betwist. Ook deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde, gelet op de verklaring van de getuige [getuige] waaruit blijkt dat de telefoon van de benadeelde partij op de grond is gevallen toen hij werd aangevallen. Het hof zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 680,83, zijnde de aanschafwaarde van de telefoon. Voor het meer gevorderde wordt deze schadepost afgewezen.
Ook de schade wegens verlies aan verdienvermogen acht het hof voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld en uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat hij werkte op oproepbasis, dat hij als gevolg van het door het bewezenverklaarde feit opgelopen letsel in de gehele maand juni 2022 niet heeft kunnen werken, en dat hij toentertijd een gemiddeld maandinkomen had van € 667,03, hetgeen vermeerderd met 8% vakantietoeslag neerkomt op een schadepost van € 720,40. Aan de stelling van de verdediging dat de benadeelde partij zich tot zijn werkgever had kunnen wenden en doorbetaald had kunnen worden, gaat het hof – bij gebreke van enige onderbouwing – voorbij. Ook deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde, zodat het hof ook deze schadepost zal toewijzen.
Immateriële schade
Het hof overweegt dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde partij onder meer een vergoeding toekomt voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Het hof stelt op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij vast dat sprake is van lichamelijk letsel, te weten een gescheurde enkelband en een hersenschudding, waarmee de grond voor immateriële schadevergoeding is gegeven. Deze schade is het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te weten € 850,00.
Wettelijke rente
Het hof zal de toe te wijzen bedragen vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Voor de schade aan telefoon en de immateriële schade wordt de rente berekend vanaf 26 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor de zorgkosten wordt de rente berekend vanaf 30 december 2022 (de datum waarop het bedrag per automatische incasso is afgeschreven van de bankrekening van de benadeelde partij) tot aan de dag der algehele voldoening. Voor de schadepost verlies aan verdienvermogen wordt de rente berekend vanaf 30 juni 2022 (de laatste dag van de maand waarover misgelopen inkomsten worden gevorderd) tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van €
2.538,23aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.538,23 (tweeduizend vijfhonderdachtendertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 1.688,23 (duizend zeshonderdachtentachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.538,23 (tweeduizend vijfhonderdachtendertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 1.688,23 (duizend zeshonderdachtentachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
  • 26 mei 2022 over een bedrag van € 680,83 (schade aan telefoon);
  • 30 december 2022 over een bedrag van € 287,00 (zorgkosten);
  • 30 juni 2022 over een bedrag van € 720,40 (verlies aan verdienvermogen).
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 mei 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. A.L. Frenkel en mr. D.F.A. Crijns, in bijzijn van de griffier mr. I.L. Vollering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2026.